Dagboek Marien Wandel, 1914-1918


(De lay-out van deze online-versie van dit heel uitgebreide dagboek wordt nog wat bijgeslepen. De foto`s zijn ook nog niet allemaal gekoppeld aan een specifeke pagina en er komen er nog meer. Het is echter zeker de moeite waard om te lezen en ook prettig om te lezen en dat kan nu vast.)

 


Marien Wandel, geboren op 30 januari 1894 en overleden maart 1985



Thuis in Nieuwerkerk. Links het ouderlijk huis in de Oosterstraat, midden en rechts tijdens verlof aan het werk voor zijn vader.


Inhoudsopgave

         Inleiding. 4
1:      Ingelijfd in het garnizoen te Middelburg. 5
2:      Algemene Beschouwing. 22
3:      Mobilisatie 1914. 25
4:      Grenzen bewaken aan de grenzen nabij Sluis. 28
5:      Ingekwartierd te Axel 32
6:      Hulst, bombardement op Antwerpen. 35
7:      Vertrek naar grenzen van de Prosperpolder 44
8:      Overplaatsing naar Willemstad. 49
9:      Ingekwartierd te Yerseke. 82
10:    Overplaatsing naar Kruiningen. 91
11:     Aan de grenzen van Zuiddorpe. 119
12:     Vertrek uit Zuiddorpe naar Hoogerheide. 232
13:     Met verlof. 237
14:     Bergen op Zoom.. 238
15:     De Grens, 14 oktober 1916. 249
          Namenregister 256


Inleiding

Nieuwerkerk, 16 januari 1914. Marien Wandel was bijna 20 jaar nl op 30 januari 1914

(Hoofdstuk 14 sluit af bij het einde van de mobilisering van M.W., maar in hoofdstuk 15, het laatste, is er ineens een sprong in de tijd terug. MW heeft zijn dagboek, begin jaren 70 overgeschreven, het lijkt of hij daar een beknopt stukje heeft toegevoegd.)

1: Ingelijfd in het garnizoen te Middelburg

Nieuwerkerk, 16 januari 1914
Uit mijn diensttijd

’t is morgen, 8 uur op den 16e januari 1914 dat ik aangekleed stond om per eerste gelegenheid te vertrekken en dienst te nemen als militairen soldaat. Bij het 14e Regiment infanterie, 2e bataljon, 2e compagnie.

Op elf juni 1913 was ik gekeurd voor dienst en goedgekeurd, dat gebeurde on de school te Oosterland. ’t Zelfde jaar, den 17 september 1913 ging ik in gezelschap van mede lotelingen naar voorgenoemde plaats en trok nummer 2 en werd als dienstplichtige uit de Gemeente Nieuwerkerk, Zeeland ingelijfd bij voornoemd wapen garnizoen te Middelburg.

’t Was knapjes winter en bijtend koud, alle huisgenoten waren tegenwoordig om mij bij vertrek vaarwel toe te roepen. Mijn moeder stond met tranen in de ogen.

En vader, moeder met broeders en zusters wensten mij Gods zegen toe en zo vertrok ik in de richting van het dorpje. Nogmaals bij de kromming van de weg een armzwaaiing en vol moed toog ik verder.

Ik had dan ook vlug kameraden die de zelfde weg togen, M. de Valk en C. Rentier waren bij mijn vertrek lotgenoten. In de tram naar Zierikzee ontmoeten wij nog meer jongens die eenzelfde doel wachtte. Zo lang we zien konden, hielden wij de toren in ’t zicht, dat was het laatste wat we konden doen. Al spoedig waren we in Zierikzee, aan gekomen waar we ons melden op ’t stadhuis. Uit alle gemeenten van Schouwen Duiveland kwamen ze samen op ’t stadhuis, waar onze namen werden afgeroepen en onder toezicht kwamen van een sergeant.

Sergeant 1e klas C. Klop van de 1e compagnie, 2e bataljon infanterie.

Al spoedig stonden wij onder de krijgsmacht, maar nooit geen verdriet, al slapen wij op planken dat was dan ook vroeg waar te nemen. Wij stonden nog maar op ’t Stadhuis en we hadden de meesten schik. Want een zekere Zierikzeenaar Gudde met een ronde harde hoed op ’t hoofd, die nog al praatjes maakte, kreeg me een zo’n geweldige slag op dat kaasbolletje, zodat meteen een ……….., want zijn hoedje was zo diep in ’t hoofd geslagen door Johan Roskam, dat er twee man aan te pas moest komen om in normale toestand te komen. En de pret was er in en dat werd op de boot naar Middelburg voortgezet, nu eens aangenaam en dan weer minder aangenaam om aan te horen. Want nu we van wal afgestoken waren, konden bij sommige onder ons opmerken alsof ze zeiden: ziezo nu zijn we baas over onszelf. En de opvoeding van ouders werd in den wind geslagen. Het was denk ik 12.30 uur dat wij aan boord gingen en na 3 a 4 uur gevaren te hebben kwamen wij te Middelburg aan. De meesten kwamen daar voor ’t eerst in hun leven, voor mij echter was het niet vreemd. Voorheen was ik vrij, nu werden we bij aankomst ’t gelid opgesteld en met vieren uit de flank marcheerden we naar de Noordstraat waar we aan de poort over de binnenplaats in de nieuwe kazerne aankwamen.

Direct bij aankomst werden ons de krijgsartikelen voorgelezen en eer wij dat alles hadden aangehoord ( hadden we al zo dikwijls den kogel en gevangenisstraf en dood gehoord ) dat toen dat was afgelopen wij in het bezit werden gesteld van bord en lepel, want de koks hadden al op ons gerekend en dat mag gezegd worden de snert deed ons goed.

We horen dan indien tussentijd secties gewijs ingedeeld en zo kwamen wij met 10 of 14 man te liggen op kamer 30, 2e verdieping. Het was een klein kamertje, want de corridor met trap kwam daarop uit. Het was een vreemd gezicht in zo’n kazerne.

Onze slaapplaatsen waren samengesteld uit ijzeren ledikant met strozak en idem hoofdkussen met drie dekens. Daarboven stond een of liever gezegd, hing een kast tot opberging van onze klederen.

Onze namen waren opgetekend op de kribben. Doordat in volgorde werden ingedeeld bij het binnentreden.
Links van den hoek:
Sint Maartensdijk                  Pieter Geluk
Sint Maartensdijk                  Jan Priem
Sint Maartensdijk                  Adriaan Manneke
Sint Maartensdijk                  Andries de Korte
Nieuwerkerk                           Marinus de Valk
Nieuwerkerk                           Marinus Wandel
Nieuwerkerk                           Adriaan Goedegebuure
Schuddebeurs                        Adriaan Fierens
Noordwelle                             Hannes van de Slikke
Oud-Vosmeer                         Jacobus de Wit
Oud-Vosmeer                         Bastiaan Schol
Oud-Vosmeer                         Marinus den Engelsman
Oud-Vosmeer                         Jacobus Berkheij
Sint Philipsland                      Anthonie Giljam
Sint Philipsland                      Pieter de Massier

Den zelfden avond gingen we nog de stad in en schaften ons een kist aan met sleutels, waaronder ook een voor boven onze krib. Die kist was van zekere grootte en moest voldoen aan de gegevens van den sergeant.

Wij brachten ook een bezoek aan het militair tehuis waar we kennis maakten met vader en moeder Lukas.

Na afloop van de voorlezing krijgsartikelen had sergeant majoor Baljeu ons uitgenodigd in het militair tehuis, waar hijzelf dien avond aanwezig was. We genoten daar een gezellig uurtje, want vader Lucas en moeder maakten op ons een aangename indruk, zodat bij mijzelf de gedachte oprees: Hier hoop ik meer ………. Te vertoeven. Valk die niet meer van mij weg was, den gehele dag en ook ’s avonds niet, was ’s nachts ook mijn slaapje. Voor tien uur waren we met allen weer op de cambrai. En op klokslag tien werd geblazen.

“Gekleed er voor of nakend er onder” dat wil zeggen, dan komt de sergeant van de week en houdt appel of ieder aanwezig is, die dan nog niet onder de wol ligt, gaat onmiddellijk voor zijn krib staan. Tien minuten later komt de sergeant van de week en tempert de lichten, Zodat dan alles stil moet zijn. Zo was het bij ons niet het geval, van slapen kwam helemaal niets, ieder ogenblik hoorden we het klokkenspel vanaf den toren de Lange Jan en daarbij was ons wolletje zo hard en rond dat we niet wisten in slaap te komen. Toch hadden we veel schik, er werd gesprongen op de strozakken, gegooid met de kussens en bovendien de gehelen nacht gepraat. Voordat ’s morgens drie uur nog niemand geslapen had. Giljam had nog een pijpje tabak opgestoken ( De schaapherder ) en deed daarbij zulke komieke vertelsels dat iedereen moest lachen, of hij wilde of niet. Om zes uur was het reveille er werd geblazen.

  • Op rekruut ’t is reveille, steek je benen maar buiten je krib, bis
  • Wil je niet opstaan dan blijf je maar liggen,
  • dan moet je maar weten wat of er van komt, bis

Alhoewel onze ruggen pijn deden, hadden we toch gaarne blijven liggen, maar daar was geen denken aan. Een ieder kreeg een handdoek met wasblik en kan zich wassen in het wachtlokaal. Daarna moest ieder zijn wolletje opmaken en krib onder uitvegen.

En lever bij Kamerwacht werd door de sergeant van de week aangewezen, die verder de kamer schoonmaakte. Toen werd een grote mand brood op de kamer gebracht en ging ieder om zijn eerste kuchen.

Inmiddels waren twee etenhalers aangesteld, die zodra er geblazen werd voor de keuken moesten aantreden en werd gemarcheerd naar de keuken waar Comfragmetang erwijzer trantose ( rantsoen )ontvangen werd:

  • Van den 1e compagnie stond 8 man.
  • 2e compagnie, 8 man
  • En eveneens de 4e compagnie 8 man.

Twee man van iedere kamer ontvingen bij beurten een grote carnet koffie met een plankje waarop boter was gesmeerd, voor ieder een portie, lang 4cm en breed 3cm en dik 2cm, dat was bestemd voor den ontvangen kuch.

Toen allen aan tafel zaten commandeerde ik stilte ( want er was geen korporaal maar als oudste manschap, was ik er even de commandant en gaf de nodige bevelen en was uitdelen van vlees, koffie en groenten) een ieder werd in de gelegenheid gesteld zichzelf uit te spreken in zijn gebed tot zijnen Heer en God, daarna werd gecommandeerd, ga je gang en alhoewel de kuch ons vreemd was, het smaakte ons goed, de koffie wat minder goed en zo blauw en bovendien doorleesbaar. Na afloop ging alles weer op dezelfde manier opgeruimd en hadden nog enige tijd over voor we moesten aantreden. In den tussentijd gingen wij kennis maken met de anderen, op kamer 28- 29 en 31 dat duurde zolang, totdat geblazen werd.

  • Nu vijf minuten voor appel ( 3x )

We werden sectie gewijs  ingedeeld en kwam zodoende onder commando van onze sectiecommandant sergeant 1e klasse Willemsen in de 2e sectie.

Op twee geleden moesten we aantreden volgens grootte, zodat ik helemaal op de linkervleugel kwam te staan in het voorste gelid en Berkeij in het achterste gelid.

De sergeant commandeerde “Geef Acht, ’t rechte richten. Staat nummeren op de plaats wacht.

Staat, nummeren op de plaats uit. Toen werd appel gehouden en onze namen afgeroepen, waarbij na ieder tegenwoordig werd, present Sergeant gezegd.

Na afloop daarvan was het weer, Geeft acht en melde de Sergeant ons bij den Kapitein.

Nu gingen we op commando sectie- gewijs marcheren naar het kledingmagazijn, waar de foerier Van Looze en Sergeant Majoor administrateur Hage handen te kort hadden om ons te voorzien van nieuw ondergoed en uniform. Dat duurde voor een gehele compagnie vrij lang, want gedurende dien tijd moest men buiten staan en wachten totdat ieder voorzien was en daar het dien nacht gesneeuwd had, was het koud aan de voeten.

Tegen de middag gingen we terug naar de kazerne en kregen de gelegenheid ons zelf als soldaat te kleden en tevens om te eten.

Na de middag marcheerden we naar de wapenkamer ( De Waag ) op de Balans, daar ontving ieder op de navolgende afroeping 3347 present foerier een geweer met geweerriem en bajonet. Een ransel met twee patronentassen, een koppel met koppelplaat en bajonetschee.

Dat alles ging bij afroeping volgens je wapennummer.

Diezelfden zaterdagavond waren wij na 24 uur Soldaat in volle rang en vol moed gingen we dien avond de poort uit, naar het Militairen Tehuis waar we den avond door brachten mat zingen en spelen en brieven schrijven naar ons huis, en ook naar mijn geliefde Anna Dina Corstanje, Voorstad Goes.

Van allen ver verwijderd, voelde ik mij op mijn gemak. Onze huisvader had er zo de slag van, met een ieder om te gaan, dan eens met iemand spelen of dammen.

Wij nu evenwel zitten we allemaal om hem heen en verteld hij als oud matroos uit eigen dienstverband, daarbij een heerlijke pijp tabak te roken.

Ook wij hadden zo’n stenen Gouda aangeschaft. En hielpen mee den duren tabak op te maken. Af en toe was het bij helder winterweer, zo mistig in ons huis dat een zeeboot moeite zou gehad hebben er door heen te boren.

Om kwart voor tien uur moesten we benen maken om in de kazerne te komen en waren present bij het avondappel.

Dien nacht kwam van slapen heel weinig, want ziek was ik van een zware verkoudheid van huis gekomen en dat was gedurende dien tijd hier niet verbeterd, ja erger geworden.

Het was zondagmorgen en voelde mij niet in staat naar de kerk te gaan. Den gehelen voormiddag bleef ik op de kamer waar het nog minder aangenaam was, want hoewel we de kachel een wollen deken hadden, aangedaan, beefde hij net zo hard van de kou als wij allemaal dat verbeterde voor mij helemaal niet en besloot naar de Sergeant van de week te gaan en melde mij ziek.

Een hospitaal Soldaat kwam mij halen en samen marcheerden wij naar het Militair Hospitaal.

Op zondag 19 januari daar aangekomen werd ik onderzocht en moest direct onder de wol.

De thermometer werd aangelegd en verhoging van temperatuur waargenomen.

Een paar dagen bleef dat zo duren en daar ik op dieet werd gesteld kreeg ik weinig te bikken.

Niettegenstaande mijn verhoging van temperatuur vroeg ik den dokter na paar dagen ontslag, want ik leed honger en vroeg dan meteen om mee te eten uit de kazerne.

Toen ik zei “dokter ik ben beter” zei hij: kom er dan maar uit, maar zodra ik dat deed, werd ik gewaar hoe ziek ik was.

Op 25 januari kreeg ik ontslag en ging naar de kazerne.

Ik was blij allen weer te zien en gevoelde me weer op mijn gemak onder de soldaten.

Samen, ik met De Valk konden we weer gaan passagieren in onze vrije uren.

Toen ik den anderen morgen bij den dienst kwam, bemerkte ik hoever de andere jongens mij voor waren in de africhting. Van dag tot dag gevoelden we ons meer soldaat worden.

De eerste dagen gingen we naar het exercitieveld op het Molenwater.

Waar we van beneden af worden opgeleid. Het ene uur was bestemd om te exerceren en dan weer groeten, gymnastiek en zo ging het ook bij het uitrukken.

Onze eerste mars ging vanuit onze kazerne over de Koudekerkseweg naar Koudekerke, langs Ter Boede naar Vlissingen en vervolgens over de Nieuwe Vlissingseweg naar Middelburg.

Een afstandsmars van 3 uur en 16 kilo. We hadden een geweer met koppel om te dragen.

Toen we binnen kwamen was een ieder afgemat van den afstand, het scheen of het geweer van 9 pond en 3 ons, driemaal zo zwaar woog. Op de kamer aangekomen moesten we op de strozak gaan liggen met de sokken uit en met blote voeten op de kant van de krib, want de dokter zou voeteninspectie houden. Later ging het marcheren beter, toch had ik slechte voeten want ik had veel last van rood en blazen lopen. Nooit ging ik er voor naar den dokter, want liep ik rood dan smeerden we groene zeep in en kon dan verdere afstand afleggen, had ik blaren gelopen wat bijna altijd gebeurde, knipte ze bij thuiskomst open en ging ’s avonds naar tehuis. Niet graag had ik daar een avond gemist. Op zekeren avond van de week hadden we jongeling vereniging wat bepaald gezellig en opbouwend was. Overigens zaten we te dammen, biljarten, schrijven en grote pijpentabak roken, en bovendien gezellig praten of zingen. De huisvader las iedere avond een hoofdstuk uit den bijbel.

Om niet ver af te dwalen van deze marsen; grote afstanden werden soms afgelegd en meest de veld tenue met rol.

Dan hadden we een vrachtje te dragen van ongeveer 35 kg. Gebeurde vaak dat we twee grote marsen in de week hadden, van 35 a 40 kilometer, geheel Walcheren doorkruist, bijvoorbeeld van Middelburg naar Veere, Vrouwenpolder, Oranjezon, Domburg, Aagtekerke, Meliskerke, Biggekerke, Koudekerke, Middelburg. Bij zo’n afstandsmars kregen we grote rust op het strand, ongeveer een uur. In den tussentijd konden we gaan waar we wilden. Den een ging de bos in , de ander op den hoge Hil ( hoogste duin ) en weer anderen lagen op het strand, niet ver van de geweren, die aan rollen stonden met de ransel en tassen daarbij. Dorus van der Male van Sint Annaland een vrolijke snaak had al eens gevoeld aan de ransels van de onderofficieren en kwam tot de ontdekking dat er niets in zat, dan een leeg kistje. Hij nam dat ransel naar hem en gaf die sergeant het zijnen. Wij die het wisten, want hij liep naast mij in ’t gelid hadden schik met Sergeant Minnaert van de 1e Compagnie en toen we onderweg gegaan waren vroeg soldaat Van der Male ( mijn nevenman, de man met de ransel van den Sergeant op den rug ) Sergeant ( want we zagen hem naar alle kanten kijken ) wie zou het toch zijn die je ransel draagt? Een poos later kreeg hij het in de smiezen en moest hij het zijne omruilen en wij hadden veel schik. Bij ons viel er geen denken aan om met een leeg ransel uit te rukken, want bijna iedere oefening moesten 4 a 8 man uitpakken voor de Kapitein.

Wanneer we exercitietrend hadden op het Molenwater, meestal ’s morgens, dan hadden we ’s middags gymnastiek of theorie, Dat waren twee punten die ik graag deed, Met de theorie was heel de Compagnie gezeten op bankjes, in een van de kamers in de nieuwe kazerne, meestal op kamer 31. Luitenant Hins had er toch van de theorie te houden, meestal noemde hij ons krijgsmakkers. Het was een aangename man die goed met de soldaten kon omgaan. Hij behoorde bij de 3e Compagnie, evenals Sergeant Majoor Bakker en Kapitein Van Dijk., die allemaal dienst deden bij de 2e Compagnie.

Onze kader was op de 2e Compagnie als volgt samengesteld:

Kapitein Gauwe Comp Comm 4
2e Luitenant Koene, 1e Peloton Comm 4
Sergeant Majoor Instructeur Baljue 1e Peloton Comm 4
       
1e Sectie      
2e Sectie      
Sergeant 1e klas Hillemans    
Militair Sergeant Vis    
 
Onze Compagnie maakte deel uit van het 2e bataljon, Commandant Majoor Rink
Van het 14e Regiment, Commandant-Luitenant-Kolonel Van Alphen de Veer.
Van de 3e Brigade, Commandant Kolonel Olree
Van de 3e Divisie, Commandant Generaal Majoor Terwitsga
Van het Veldleger.
Bij onze compagnie hadden wij geen Korporaal, die zouden later gemaakt worden.

Vrijwilligers ontbraken, behalve een die in de keuken dienst deed als kok, en de tweede een oud gediende die we anders niet zagen als we een zakdoek lieten wassen of overhemd en bovendien was hij post geappelleerd in het badlokaal. Iedere week waren we, of kwamen we onder zijn beheer als we in de badkamer kwamen.
Zo koud of heet kon het niet zijn of daar maakte ik steeds gebruik van.
Onze Sectie commandant Willemsen was een beste aangename man, die er altijd slag van had om met ons om te gaan. Alleen als hij de week had was hij niet te spreken.
Die weekdienst was voor hem niet prettig om reden hij getrouwd was. Want steeds ben je ’s morgens de eerste en ’s avonds de laatste. Van alle kanten sprongen we hem bij indien het nodig was. Vrijdags dan schreef ik de was op in het cahier en meer kleinigheden.
Hij was een man wat men deed moest goed zijn en dan hadden we bij exercitie meer rust dan bij andere Sectie commandanten. Wij allen konden het goed met elkander vinden bijvoorbeeld bij avonddienst kon hij genoeglijk praten bij de wacht, wanneer alle posten waren uitgezet.
Iedere week hadden we een avond velddienst in de omgeving van Middelburg. Veerseweg, Koudekerkseweg of over de Oude Vlissingseweg bij het rondje of Nieuw en Sint Joostland, Grijpskerke terug.
Bij zo een avonddienst speelde Giljam altijd een grote rol, evenals in de kazerne.
Ook bij de theorie of de kamer of gymnastiek kon Sergeant Willemsen altijd aangenaam zijn.

Eenmaal hadden we een verschil van mening. We waren in het gymnastieklokaal aan het polsstokhoogspringen. Toen ik aan de beurt was, zei de Sergeant ´Nu zal Wandel de Jood eens laten zien wat hij kan” In plaats dat ik sprong, wierp ik de polsstok door de zaal, zover hij vliegen wou en zei daarop tot den Sergeant zo niet aangesproken te willen worden.

Ik was Wandel gedoopt en zegde hem niet anders te willen genoemd worden.

De Sergeant had zo’n aanval niet gerekend en zei dat op manier niet bedoeld te hebben.

Ik nam daarop mijn polsstok weer ter hand en deed of er niets gebeurt was.

Later heb ik nooit kunnen merken dat er iets verkeerd was voorgevallen.

Donderdags hadden we meestal schieten met scherpe patronen, aan de Westdijk bij Middelburg en daar ik een tamelijk goed schutter was volgens de behaalde punten met het schijfschieten, kwam Luitenant Prins mij altijd opzoeken om samen in de rusttijd te schieten met marges, meestal bracht hij dan zo’n klein flesje mede dat op een bepaalden afstand werd gezet. De bedoeling was het halsje er af te schieten. Hij nam altijd eerst de beurt en ik na hem.

Maar de 1e keer was bijna altijd mis en bij de 2e keer was de hals er af. Tot genoegen van Luitenant Prins. Bij de schietoefeningen aan de Westdijk werd ten hoogste op 300 meter geschoten. Om beurten kwamen we met een Sergeant of Korporaal waarbij vier soldaten in de schietkuil, bij dat baantje was uitkijken hoofdzaak. Vrijdags gingen we naar het Middertwie schietterrein een groot exercitieveld tussen Middelburg en Vlissingen, dat vond ik niet prettig daarheen te marcheren en niemand op de Compagnie ’t was altijd uitkijken voor een tramwagen, de weg was smal en bovendien druk verkeer. Eenmaal daar aanwezig was het wel aangenaam, dan werd geschoten en Compagnieschool gehouden of met het gehele Regiment Bataljon en regiment-oefeningen. Bij het schijfschieten waren wij nooit gesteld op de aanwezigheid van onze Compagnie commandant.

Het gebeurde dat iemand de lege hulzen moest oprapen en in den houder steken, dat bij slecht weer ook voordeed. Door Kapitein Gouwe aan die man werd gevraagd laat mij je handen eens zien. Het was vanzelf sprekend dat zo’n soldaat grond tussen de nagels kreeg, waarop dan volgde “ vier dagen arrest, je heb vuile handen”  Dat was altijd 4 dagen arrest.

Om de waarheid te zeggen hielden we niet van onze kapitein en we hadden dan bij grote marsen of oefeningen weinig last van hem, dan was hij altijd ziek.

We hadden eens een grote oefening en daarna Bataljon oefening met vriend en vijand.

Na de grote en lange marsen, waren mijn voeten zo stuk gelopen dat ik mij beter mij ziek had kunnen melden.

( ’s morgens na de reveille bij de Sergeant van de week en voor den dienst naar den dokter ) dan dat ik was mede uitgerukt. We waren zo ver dat wij in drie linies lagen tegenover de vijand. Ik zelf lag in den 3e linie en moest oprukken naar de 2e. zover was het met mij gekomen dat ik geen stap meer kon verzetten van mijn voeten, bloed en water stond in de schoenen. Dus in plaats dat ik opsprong, kroop ik vooruit, waarop de Kapitein mij aanmaande te lopen. Ik zei hem niet te kunnen en moest blijven liggen totdat de oefening was afgelopen, dan moest ik mij melden bij den Kapitein. Zulks gebeurde Kapitein zaten op het grasveld bijeen en melde “militair Wandel” present Kapitein. Ik moest mijn schoenen uittrekken en liet mijn gevilde voeten zien, Ik hoor Kapitein De Hoogh nog zeggen, zoiets heb ik nog nooit gezien en vroeg mij waarom ik niet naar de dokter was gegaan, waarop ik zei liever er eerst bij neer te vallen dan voor den dokter te komen. Mijn Kapitein was zo ineens bezorgt dat ik op mijn gemak moest zien in Middelburg te komen,  mocht gebruik maken van de elektrische tram en verder een paar dagen uitrusten. Dat uitrusten beviel mij echter niet ofschoon ik het hard nodig had. De volgende avond, ’t was prachtig weer; moest een grote avond- velddienst worden gehouden in de buurt van Het Ronde Putje, de Middelburgsenstraat nabij Koudekerke onder commando van Kapitein van Dijk. Alles was aangetreden sectie gewijs, zodat van drie compagnies, vier secties werden gevormd. Op twee gelederen. De Kapitein hield een toespraak en daarna zag ik hun afmarcheren over de binnenplaats door de poort. Het was de eerste maal dat ik moest thuis blijven, maar het water kwam mij in de ogen, ( dat alles had ik gade geslagen vanaf de corridor bij kamer 30, Toen dan de laatste man dan de binnenplaats de poort inging, keerde ik terug naar de kamer en maakte ieders wolletjes op. Zodat toen de jongens ’s avonds vermoeid huiswaarts keerden, blijde opkeken dat alles bedklaar lag op kamer 30. De volgende morgen of liever gezegd iedere avond stond op dienstbord den dienst uitgeschreven voor den anderen morgen.

Ook het eten, wat we eten moesten, wisten de avond vooraf, aangetekend, zelfs tot corveedienst toe. De ene morgen had je bijvoorbeeld corveedienst bij de onderofficieren of corveetrap kamerwacht. Bij kamerwacht of eten- haler en ’t gebeurde na ’t middageten dat je gezamenlijk moest afwassen in de keuken, en dan dinsdagavond was het zoals het liedje zegt:

  • En bij het zwabberen van de vloer
  • Staat ons Sergeantjes op de loer.

Iedere morgen rukten we uit, steeds grotere oefeningen.

We hadden op de zaterdagmorgen dienst.

Op de Nieuwe Vlissingseweg, de dienst was bekend gemaakt, maar had in plaats van pioniersgereedschap mede te nemen gelezen, niet meenemen.

( Ik was altijd gewoon, nooit iets achterwege te houden )

We hadden velddienst  maar toen we op het middenveld aan kwamen, moesten we pionieren.

Bijna niemand had zijn schopje bij hem, de meesten staken dat onder hun strozak, ik had het boven op mijn kastje gelegd. En nog niemand van de 1e sectie. De Kapitein had direct bericht gezonden naar Middelburg en moest formeel Van Looze de kamers inspecteren waar pioniersgereedschap te vinden was. Bij het binnen komen van de troep, moest ik op het bureau komen, voor den Kapitein, vroeg mij naar het pioniersgereedschap. Ik gaf antwoord zoals ik gelezen had op het dienstbord en kreeg 24 uur verstoken van gunst, die ik had aangevraagd naar Goes teneinde die bij mijn geliefde door te brengen. Dat viel mij geducht tegen, we hadden elkaar nog niet gezien, sinds ik soldaat was. Maar ik had een uitvlucht. Ook had ik een avondpermissie gevraagd wat drie dagen vooraf  aangevraagd moest worden. Zodat er nog een kans bestond om per trein visa/versa naar Goes op een avond te doen.

’s Middags hadden we theorie tot ruim 4 uur en daar de trein om 14.45 van Middelburg vertrok, waren alle jongens mij behulpzaam bij mijn vertrek. De een had een schoen om te poetsen, een ander de andere. Mijn knoopjes van mijn kortjas werd onderhanden genomen en glinsterden, dat het een lust was. Op tijd van een minimum stond ik aangekleed. Overjas op mijn arm, witte handschoenen aan, buitenmodel klep en koppel en schoenen en stond er keurig bij met versnelde pas, liep ik de poort uit, de Sergeant van de wacht riep mij na, maar geen oren en was doof voor hem, want ik wist dat men op zaterdagavond niet met de kortjas en bajonet aan de poort uit mocht. Ik was nu eenmaal buiten en het zou moeite gekost hebben mij voor 12 uur ’s nachts te melden. Bij aankomst te Goes mochten we elkaar gelukkig weer zien en genoten dien avond van in elkander bijzijn. Veel moest verteld worden en veel werd gevraagd, totdat de trein mij ;s avonds meenam naar mijn Garnizoen, dan was ’t laatste een tot weerzien. Om 12 uur kwam ik op de kamer en toen de een wakker gemaakt was, moesten alle wakker worden. Dat is zo de manier onder de soldaten. Ze waren allen blijde dat het zo van stapel gelopen was. Het waren overwegend goeie jongens van inborst, ofschoon ze bijna allen hier ruw waren, mocht ik met hen omgaan als kameraden. Tot op zekere hoogte, want als er gevloekt en getierd werd, mocht ik hen in mijn eenvoudigheid vermanen, wat bijna nooit kwalijk genomen werd.

Van De Korte had ik veel last, ofschoon hij de handen thuis hield. Hij vloekte soms zo op een vreselijke manier, dat een vloeker hem schuwde.

Bij zo’n gelegenheid hem daarop wijzen zulks niet te doen, eveneens op mijn strozak staande teneinde mijn bord in den kast op te bergen.

Toen nam hij een houding aan alsof hij mij te lijf wilde ook

Sprong in zijn richting maar op het zelfde moment sprongen alle jongens tegelijk voor mij en zeiden als je Wandeltje slaat, slaan we je hier neer. Hij brieste maar deed niets.

Toch droeg hij een wraak tegen mij, hij had op zekeren dag met ieder op de kamer geworsteld, en daar hij groot en sterk was, voelde hij zich nog groter worden en werd ik ook uitgenodigd met hem te worstelen. Ik zei dat zulk vooraf een uitgemaakte zaak was, want ik zag in zijn ogen den lust om mij te mishandelen, zodra ik in zijn vingers kwam.

Hij bleef daarbij aanhouden en ik zei toen tot de anderen: nu al het dan moet, de tafels en de banken of de kribben, Ik stelde hem voor mij aan te pakken, wat hij deed.

Hoe het gebeurde weet ik zelf niet, maar het duurde niet lang of De Korte lag onder de kribben. Tot groot plezier van mijn kameraden, hij brieste van kwaadheid en opnieuw moest zulks plaats vinden en ten tweede male maakte hij kennis met de vloer, Toen was alles te klein en te nauw, waarmee ik instemde. Doch anderen zeiden het is morgen schieten aan de Westdijk, daar is het breder. Dat zelfde spelletje moest den anderen dag plaats vinden, al hoewel ik er slecht voor te vinden was. Ik stemde uiteindelijk toe en maakte hem tot groot genoegen voor de gehele Compagnie voor de 3e maal bondgenoot met de aarde.

Dit weet ik, nooit heb ik een zuur gezicht gezien van De Korte, maar we werden vrienden en zijn het nog als we elkaar ontmoeten.

Overigens hadden we onderling een aangename omgang.

Toch waren we van de 14 a 15 aanwezigen op de kamer maar 3 die Den Heer dienden, elk op zijn eigen manier. Bij het onder de wol gaan knielde ik eerst neer voor mijn krib en deed dan mijn avondgebed. Dan hield mijn nevenman uit het gelid Berkeij op met harmonica spelen en de dammers met dammen, totdat ik klaar was. Daarna ging alles weer als voorheen.

Niemand had mij enig leed aan aangedaan, al volgden ze niet in Heeren wegen.

Berkeij getuigde een vrome moeder gehad te hebben, maar zei zelf niet te geloven.

Ofschoon hij er niet onverschillig tegenover stond. Overigens was hij goed van inborst.

Wij hadden eenmaal Bataljon-oefening onder commando van Majoor Ring, een buitengewone grote kerel. Met drie Compagnies moesten vier secties gevormd worden. Onze sectie maakte deel uit van de 4e sectie. Op twee gelederen moesten we aantreden en stond onder commando van een reserve Officier. Ik behoorde op de linker vleugel thuis met Bos van Brouwershaven.

We spraken af om no. 2 van de rechter vleugel te gaan staan, wat er ook gedaan werd, ik zelf in het voorste en Bos in het achterste gelid. Het was een mooi gezicht tussen kameraden te staan van 1,90 meter waar wij 1,60 meter lang waren. De Luitenant commandeerde.

Geeft. Maak jullie gouw naar de linker vleugel.. Wij hadden allemaal veel schik, toen wij dan op onze plaats stonden werd opnieuw gecommandeerd. Geeft acht enzovoort.

Bij terug keren van de oefening werden we gecommandeerd door Sergeant Griep, Sectie Commandant van de 4e sectie 2e compagnie. Zodra we de front doorwaren moesten we rechts op marcheren, zodat de rechter vleugel staan blijft en den uiterste man rechtsom maakt de linker vleugel maakt een omtrekkende beweging. De 1e, 2e en 3e sectie stonden op hun plaats. Sinds wij aan het rechts op marcheren waren. Wat gebeurde weet ik niet, maar Sergeant Griep, vloekte op mij, zodat ik op het zelfde ogenblik staan bleef en liet de rest doorlopen.

Dat had de Sergeant blijkbaar niet gedacht, want hij vroeg mij nu beleefd op te sluiten, waarop ik antwoordde, heel gaarne maar zonder uitgevloekt te worden,

De Paasdagenkwamen in het zicht en ieder mocht met vier dagen verlof naar het ouderlijk huis gaan. Dat waren prettige dagen, we waren drie maanden van huis geweest en mochten het genoegen smaken van elkanders tegenwoordigheid. Mijn zus Helena kwam mij halen van de boot en bij mijn vertrek bracht ze mij weer weg. Die dagen werden doorgebracht bij familie en vrienden. Als ook op Bruinisse mijn neef Willem van de Berg was intussen ingedeeld als militair matroos bij de Marine, gedetacheerd te Nieuwendiep.

Ook moest verteld worden wat ik gaarne deed.

Toen eenmaal den tijd was aangebroken weer te vertrekken, waren we allemaal weer precent, mij bij vertrek vaarwel toe te roepen.

In de kazerne aangekomen hadden de meeste, het slecht naar hun zin. Ik zelf was bij het binnen komen goed gehumeurd en deed als gewoon, ’s Avonds naar het Tehuis in gezelschap van De Valk, we waren dan ook altijd samen. De dienst werd voortgezet als gewoon, doch steeds zwaardere oefeningen en grotere marsen. Voor we met Pinksteren naar huis gingen, hadden we eerst beëdiging van een Regiment Commandant, Luitenant Kolonel Van Alphen de Veer. Dat vond plaats op het plein achter de Infanteriekazerne Het Arsenaal.

Het was gloeiend heet en waar we bij die gelegenheid meer dan een half uur achtereen in de houding moesten staan, vielen verschillende kameraden achterover van hun stokje. Zelf hielp ik mijn nevenman vast houden. Na afloop van die plechtigheid, kregen we vrij van dienst, want het was 30 april de verjaardag van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Juliana, ze wed toen 5 jaar oud. Dien dag waren we dan ook in groot tenue en liepen met witte pluim op de Kepie. ’s Woensdags voor Pinksteren hadden we weer een mars, veldtenue met rol, onder commando van Kapitein Mothol de Jong van de 4e Compagnie.

We marcheerden vanuit de kazerne naar Koudekerke. Pompstation langs, het strand van de Boulevard te Vlissingen en langs Het Eiland naar de buitenhaven en verder langs het fort Rammekens langs de Zeedijk tot aan het oude Sloeveer; van daar naar den Rijksweg bij Arnemuiden en vervolgens over Nieuw- en Sint Joostland naar Middelburg. Bij het binnen komen hadden we een afstand van ruim 35 kilometer.

Op het dienstbord stond den dienst voor den anderen dag reeds uitgemaakt.

Grote Regimentsoefening op het Middertwie. Bij de komst van onze Divisie commandant Generaal Majoor Van Terwisga. Dien dag moesten we defileren, inspectie maken enzovoort. We liepen minstens 20 a 25 kilometer. Den zelfden nacht hadden we een aanval in den duinen bij Zoutelande. ’s Nachts om 2 uur marcheerden wij de kazerne uit langs de Nieuwe Vlissingseweg over het Middertwie naar Het pompstation en vervolgens langs en door de duinen bij Biggekerke. Om zes uur ,s morgens namen we Zoutelande onder vuur. Het was een prachtige mooie oefening, maar waren erg vermoeid en toen we ’s middags thuis kwamen, waren bij de meesten, ook bij mij de voeten gezwollen en konden bijna de schoenen niet uit krijgen. Hoe dat kwam? Toen we in den vroegen morgen Het Middertwie passeerden, door het lange gras, wat nat was van den dauw, waren ook onze sokken nat in de schoenen en moesten daar nog mede doorlopen tot na den middag ( ook door het duinzand ) Dat veroorzaakte veel pijn en was het of ze steeds met spelden in mijn voeten prikten. Zelf toen ik een paar dagen later met Pinksteren in de ouderlijke woning vertoefde, waren mijn voeten nog gevoelig. Gelukkig konden we een paar dagen tot rust komen en besteedde die op een aangename manier in gezelschap van alle huisgenoten.

Bij mijn vertrek na het genoten Pinksteren, zei ik thuis, nu moeder tot 1 Augustus in de hoop elkander weer te zien. Later bleek dat anders uit te komen. Dien morgen gingen we te voet van huis naar Zierikzee. Mijn vader met broer Johannes en oom Anthonie Wouter Nederhand waren op Kapelle aan het werk ( Kapelle bij Zierikzee ) na allen een hand gedrukt te hebben, marcheerden we naar den boot; we waren op tijd en kwamen om 11 uur voor middag in Middelburg aan. Om 12 uur moesten alle verlofgangers zich gemeld hebben en werd ons daarna meegedeeld dat we ’s middags 2 uur moesten aantreden met heel de Compagnie, teneinde een mars te doen naar Domburg onder commando van Kapitein Van Dijk. Zulks gebeurden maar wat er toen gekankerd is gedurende den marstijd is niet te beschrijven. Bij het binnenkomen op de achterplaats sprak onze Kapitein zijn misgenoegen uit over het gedrag van de manschappen. Het is waar was dien tocht niet aangenaam, te meer daar op iedere plaats alles in feestdos getooid was, maar het was nu eenmaal dienst en dat moest worden uitgevoerd. Toen we op Serooskerke en Oostkapelle kwamen zagen we het aloude Walcherse ringrijden te paard, alles in feestdos getooid.

Later heb ik begrepen waarom de overheid zijn zo’n mars had uitgeschreven. Te Oost Souburg was het kermis en daar die plaats ( dat wil zeggen, enkele lokaliteiten ) verboden was voor militairen, reden dar daar meermalen ongeregeldheden voorkwamen, dacht het, de overheid goed. De militairen op die manier te weerhouden; wat hen dan ook gelukt is.

In tussen waren we van dag tot dag zo ver gevorderd met onze africhting dat enkelen van iedere Compagnie moesten en konden worden opgeleid voor onder officieren.

Toen wij dan met geheel het Bataljon eens aangetreden stonden op de achterplaats, mocht ik bij monde van onzen Kapitein Gauwe in het openbaar vernemen.

Nummer 1 te staan voor het gehele Bataljon.

Het was waar, Het was mijn streven vooruit te komen in mijn diensttijd en had moed op vertrek naar de opleidingsschool te Vlissingen.

Twee dagen werd er orders gegeven dat 13 manschappen zich moesten klaar maken voor vertrek. Daar ik geen order had ontvangen vroeg mijn sectie Commandant Willemsen: Wandel moet jij je niet klaar maken en zei hem niets gehoord te hebben. Even zo werd gevraagd van de Sergeant Majoor Baljue en van de 2e Luitenant Koene. Ik moest ook dezelfde boodschap mee delen. Mijn sectie Commandant gaf mij de raad te vragen of Kapitein mij vergeten had order te geven tot klaar maken. We waren juist bezig onze geweren schoon te maken, toen foerier Van Looze mij kwam roepen, mijn verzoek bij den Kapitein te verklaren. Bij aankomst als volgt:

  • Militair Soldaat Wandel present Kapitein.
  • Wat is er van je orders?
  • Ik gaf mijn verlangens te kennen, waarop ik als antwoord ontving.
  • Je hebt slechte voeten soldaat.
  • Ik zeg , Ja Kapitein, die heb ik gehad maar nu niet meer, maar ik wel gemarcheerd bij een oefening en heb ik ze niet allemaal meegemaakt?
  • Antwoord: Ik heb over je gedrag niet te klagen en het overige kader is zeer over je dienst tevreden. Overigens houdt ik me vast aan mijn besluit.
  • Ik vroeg hem: Is dat dan een reden, Kapitein en verder, ik dacht dat het in de militairen stand beter was vooruit te komen, dan in den burgerstank, te meer leek mij dat toe al waar het recht tot in de kleinste delen werd gehandhaafd.
  • Kapitein, dank je wel en wenkte mij te vertrekken.

Ik gaf verder mijn misgenoegen daar over te kennen, waarop Majoor Hage en Foerier Van Looze achter de Kapitein staande, mij stilzwijgende wenken gaf ( te zwijgen ). Maar ik zweeg niet en sprak verder met de Kapitein.

Nogmaals kreeg ik het antwoord, “Dank je wel” Ik maakte saluut en rechtsomkeert en vertrok.

Mijn sectie Commandant Willemsen en Luitenant Koene met Majoor Baljuw vroegen mij bij terugkeer naar den toedracht, waarop ik verslag deed, van de ontmoeting met den Kapitein.

Blijkbaar vonden ze dat onrechtvaardig van den Kapitein en mocht van ieder vernemen, dat ze den Kapitein nog eens zouden spreken die aangaande.

Te meer daar ieder het zijne had, toegedragen aan mijn opleiding.

De zaak was nog van dien aard, niets mocht baten, den Kapitein van zijn voornemen af te brengen. Want zei hij, Wat ik eenmaal gezegd heb, blijft zo.

Het viel mij geducht tegen, maar ging als voorheen vol moed mijn ingeslagen weg.

Dit viel mij tegen, mijn kameraden De Valk werd opgeleid en vertrok.

Voor tijde gingen we altijd samen passagieren, nu kon ik alleen uit, Dat duurde niet lang.

In den tussentijd hadden wij een feest, nog voor vertrek Van Valk. Het 100 jarig bestaan van Nederlands onafhankelijkheid. Dat werd feestelijk gevierd den 5e mei 1914 in de stad Middelburg. Ook wij militairen hadden een grote rol te vervullen op dien dag.

Reeds zes weken vooraf kregen we iedere week gelegenheid ons te oefenen, ongeveer 50 a 60 manschappen namen deel aan die oefeningen, geheel andere handgrepen, als ook de commandant en exercitie waren uit den tijd van 1814.

Ik werd ingedeeld bij het 13e Regiment Oranje Jagers, En waren op dien dag belast met de Franse soldaten de stad uit te jagen.

Toen dan eenmaal die dag was aangebroken, werden we gekleed in uniform uit den tijd van 1814, onder ander een witte broek met wit ondervest. Groene tuniek en een sjako ( een uniforme cap ) , model bloempot, met oranje kokarde ( een meestal rond insigne ). Om de rechter schouder, schuin onder de linker arm een witte bandelier, waaraan bevestigd was een sabel. Over de linker schouder naar rechts onder de arm een witten bandelier, waaraan patroontas bevestigd was.

Bovendien ons geweer, model……… droegen we over de linker schouder. We stonden chique op. ’s Morgens tien uur moesten we ons op stellen op de Veerseweg.

Artillerie uit Bergen op Zoom nam deel aan de oefening. Toen alles was opgesteld gingen we in Mars Colonne Middelburg te gemoed. Bij aankomst voor de poort gaf de Franse wacht de sleutels over en marcheerde in goede orde de stad in. Voor het Stadhuis hielden we parade. En ontving ieder na afloop een flesje limonade. ’s Middags hadden we een optocht door de stad en konden na afloop gaan staan naar verkiezen.

Den gehele dag hielden we ons uniform aan. Die middag gingen wij Valk en mijn persoontje naar de fotograaf en lieten ons uittrekken.

’s Avonds mochten we uit blijven tot 12 uur. Op het Molenwater werd vuurwerk en muziek gegeven, door de gezellige drukte werd ieder in het bezit gesteld van een Walcherse boerendeerne. Niet lang, hoogstens een half uur, begon ik aan mijn Anna te denken en begreep dat zulks niet klopte, liet haar midden op het Molenwater staan en liep in de loopplaats naar de kazerne, daar aangekomen, ontkleedde ik mij en ging direct onder de wol, met de overtuiging dat zulks beter was. Op die manier was ik No 1 ’s avonds op de soldatenkamer. Maar bleef trouw aan haar, die ik het beloofd had. Zo ging die dag voorbij.

Wat die anderen morgen aanvingen weet ik niet, maar ons geweer poetsen was ook van die velen factoren waarmede wij theoretisch en praktisch bezig werden gehouden.

Ons geweer was als volgt samengesteld.:

Geweer model No. 95

Het geweer bestaat uit 9 hoofddelen.

Welke zijn:

  • Bajonet, ontlaadstok, beslag, grendel, magazijn, lade, handbeschermer, loop met staartstuk.

Het geweer bestaat uit vier delen:

  • Kolf, geweer, lade en voorlader.

De onderdelen van een bajonet zijn:

  • Kling, stootplaat met gat, heft, knop met gleufgat en veer.

De onderdelen van de ontlaadstok:

  • Kop met gleuf en moer, ontlaadstok met schroef.

Beslag onderdelen:

  • Bovenband, onderband, onder en bovenbeugel, alle schroeven, houtschroeven mag men nooit losdraaien, nadere schroeven mag men losdraaien bij het schoonmaken.

De onderdelen van een grendel zijn:

  • Geleider met knop ( twee steunnokken ) boret comfragme-tang erwijzer trantose, kanaal voorslagpin, rust voor den tand van de haan, rust voor de haanpal. Haan, haanpalvleugel en veer. Haankanaal voor de slagpin, tand van de haanspanning. nok, ligplaats voor de haanpal, haanpal met vleugel en lepelvormig uiteinde, slagpinveer. Afsluiter, afsluiter met kanaal voor den slagpen. Patroontrekker met haak, uitwerper met schroef, Slagpen met veer en slagpinmoer, slagpin met punt, afplatting, blad, borst, schroef met merkstreep, slagpinveer, slagpen met merkstreep. slagpinveer, slagpinmoer met merkstreep.

De onderdelen van het magazijn zijn als volgt;

  • Kruisschroef, magazijnschroef, bodemschroef, houderhaak schroef. Bodem met houder aanbrenger, houderhaak, trekker.

Bij de Lade behoren:

  • Lade, onderband veer, twee ladegroeven, voorlade, versterking, greep, kolf met kolfplaat. Handbeschermer met insnijding voor het vizier.

Toebehoren bij loop met staartstuk:

  • Loop met staartstuk, waaraan bevestigd is, het vizier en vizierkorrel.
  • Het vizier met vizierkeep. Twee opstaande vleugels. Het vizier kan men stellen tot op 2000 meter lengte.

Bij het geweer behoort een geweerriem en een bajonetschee.

  1. Het geweer behoort goed te worden onderhouden.
  2. Over de gebouwde delen mag men niet wrijven,
  3. Het geweer moet altijd behoorlijk in het vet staan,
  4. Is het geweer roestig moet petroleum gebruikt worden.
  5. De loop van binnen goed onderhouden met wapenolie. In de loop bevinden zich trekken en velden.

Bij het geweer behoren te zijn:

Poetshoutjes, staartstukborstel, smetkoord met busje geweervet.

Na het schieten met scherpe patronen of marga wordt het geweer in geolied, eerst vanaf de kamer en daarna vanaf de Tromp. Zulks gebeurd met een invetstok.

Ook kan zulks geschieden met twee ontlaadstokken, aan elkaar geschroefd met loopbouten.

Is men helemaal alleen dan neemt men een invet- koord  met loopborstel en gebruikt zulks als bij de twee vorige methodes.

Tot slot zou ik een monddeksel vergeten, tot bescherming van de tromp.

Het gebeurde op zekeren morgen dat twee manschappen van onze Compagnie zich ziek meldden, en werden ’s morgens opgenomen door den Sergeant Van de Vreek in het ziekencahier.

Ook ik moest die morgen juist bij den dokter komen. Voor noemde soldaten hadden afgesproken,  zodra de officieren van gezondheid hen vroeg wat mankeer je,

zou de een zeggen, hoofdpijn en de andere buikpijn.

Op de achterplaats kwam de hoornblazer en blies 3x achtereen het signaal voor den dokter. De zieken gingen naar den dokter, in volgorde, bij het afroepen der namen kwam ieder voor.

Dokter, wat mankeert je?———Buikpijn dokter. Waarop volgde, twee dagen ( kwartweek onder de wol.

Wie volgt? Wat mankeert je?——–Pijn in de rug. Na onderzocht te zijn: Opneming in Hospitaal.

Wie volgt? Bij de soldaten stonden naast elkaar. De een moest ziek bij al zijn ellende en met luide handen op zijn buik om te laten zien hoe veel pijn hij had ’t nog goed houden niet te lachen.

Wat mankeer je soldaat? Buikpijn dokter? Waarop de ander verontwaardig uitriep: Ik heb toch buikpijn en jij hoofdpijn. Wij allen begonnen hardop te grinniken van plezier.

Geen kwartier ziek, onder de wol, nog aspirinepoeders moest worden geslikt, maar beiden moesten in de nor………..acht dagen politiekamer.

Nu ik toch aan het schrijven ben voor den dokter wil ik dit er bijvoegen.

Onzen Kapitein was een man die het haar kort droeg en verlangde zulks ook van alle manschappen. Een order werd bij monde van iedere Sectie Commandant overgedaan aan alle soldaten van de Compagnie dat binnen zoveel dagen het hoofd geknipt moest zijn.

1e t/m 4e Sectie hadden gehoor gegeven, doch bij onze Sectie kon men al niet toekomen.

Ten 2e mate werd ons aangezegd als voren. Ernstige protesten kwamen voor den dag, zodat twee man voor de dokter moest verschijnen.

Sergeant Willemsen had zoveel papiertjes klaar gemaakt ( waaronder 2 stuks gegraveerd ) deed die in zijn Kepie en moesten wij bij beurt een opgevouwen papiertje er uit nemen. Na afloop, gingen beiden voor den dokter en kregen mee als uitleg 4 dagen arrest.

Onze haar was vlug geschoren en behoorden toen ook bij de kaalkoppen- compagnie.

Op zekeren dag ( het was gloeiend heet ) stond op het dienstbord “Exercitie op het Molenwater” Witte broek over blauwe broek aantrekken.

Bij het aantreden stonden de 1e, 3e en 4e sectie met witte broek over blauwe broek; Onze sectie alleen een witte broek. Wij stonden onder commando van Sergeant Majoor Bakker. Ik hoor hem nog zeggen. Ha, ha hebben je de blauwe broek eens laten hangen. Wacht maar we zullen je wel krijgen. 1e, 3e en 4e sectie af marcheren naar het Molenwater, waarop tot ons volgde: 2e Sectie rechtsomkeert naar boven en staan, over drie minuten behoorlijk aangetreden zoals den dienst is voorgeschreven. Precies op tijd, stond alles weer rechts gericht, want we wisten wat volgen zou. Met een ruwe stem die een uur ver gehoord kon worden, commandeerde hij als volgt:

  • Geef acht – Rechts richten – Slaat – Nummeren – Aan den schouder – Geweer.

Recht uit de flank met tweemaal met rotte ….. Looppas: vanaf de achterplaats, door de  oude kazerne, de poort uit naar het Molenwater; daar aangekomen ( we gaapten als kippen ) ging het als volgt. Links uit de flank Halt. ( Wij in de gedachten nu krijgen we rust ) volgde onmiddellijk Rechts uit de flank enzovoort. Den gehele morgen hebben we straf moeten exerceren, waarbij Sergeant Majoor Bakker midden op het Molenwater, staande, de nodige bevelen gaf. Toen we binnenkwamen vroeg hij ons, zulks weer te doen, bij een volgende gelegenheid, En had er zelf schik in. Dit weet ik wel, dat wij er genoeg van hadden. En alhoewel we het dien morgen geducht moest kunnen, mochten we de Majoor gaarne lijden, we hielden veel van hem. Een poosje later kregen we theorie over kampleven van hem. Met smaak kon hij dan vertellen, en hoor hem nog zeggen, wanneer jullie nou eenmaal in Harskamp zijn. Blijf van de bomen en snijd geen takjes daaruit. Want denk om Kees de Marechaussee. Dien dag brak dan ook aan dat we zouden vertrekken naar Harskamp, Dat was op 13 juli 1914. In de morgen van 13 juli stonden we reeds vroeg aangetreden, veldtenue met rol en we gingen 10 dagen naar Harskamp in Gelderland. Op station aangekomen, stonden allen aangetreden ( volgens treinoefening instappen ) en wachten op den naderende trein.

Wat een drukte op dat perron. Men hoorde soldatenliederen zingen en roepen van soldaten uit Vlissingen 1e en 2e Bataljon. Die ook deel namen aan de schietoefeningen. Op commando stappen we in de coupe, waaronder Sergeant Ketelaar als coupe Commandant. Onze ransels mochten we afleggen, maar koppel en tassen moesten we aanhouden. Het was gloeiend heet om zo met 10 man, gepakt in een coupe te zitten. Waarop ik zei bij aankomst te Arnhem eens een klacht in te dienen bij de Kapitein. Waarop Sergeant Ketelaar vroeg: Wie ben jij soldaat?

Waarop ik zei; Wandel Sergeant. Zo dan zal ik van jou een rapport opmaken, we begonnen allemaal te lachen, want we kenden ons sergeantje wel. Het was altijd bij hem rapport en nog eens rapport. En daarbij zag dat al zijn op nijd niet hielp, draaide hij helemaal om en we konden verder met hem helemaal om en we konden verder met hem doen naar believen.

Later hadden we hem gaarne en hij was graag bij ons in de Sectie. In Bergen op Zoom stapte het gehele 3e Regiment Infanterie in den trein en voort ging het weer naar Breda, daar aangekomen, stond de Militaire Kapelmuziek op het 6e Regiment een Mars te blazen dat het een lust was, op het station, Zowel de muziek als het gehele 6e regiment nam deel aan de Harskamp- oefening en stapten mede in den trein. Toen we in ’s Hertogen Bosch aan kwamen, kregen we 20 minuten rust en liepen over het mooie lange perron, op en neer, zodat het weer tijd was om in te stappen. Van uit s, Hertogen Bosch ging het rechtstreeks door naar Arnhem, via Nijmegen, We hadden ogen tekort om alles gade te slaan. In Zeeland was het land en water, in Brabant bossen en hei, en als we dan achter Den Bosch kwamen, waren het allen weiden, tot aan Nijmegen, waar het heuvelachtig werd, Daar kregen we een prachtig gezicht op de stad, bruggen en bovenal de Maas en schipbrug waren interessant. Voorbij Nijmegen was het een natuur, zoals in Zuid-Beveland, waar toe we de Rijnbrug over waren, kregen we een prachtig gezicht op Oosterbeek. En daarna Arnhem. Allen waren blij dat we daar waren aangekomen, het was toen 1 uur op den middag. Toen we dan in marscolonne waren opgesteld, marcheerden we naar de Willems Kazerne van de Rijdende artillerie of zo genaamd de Gele Rijers. Daar aten we onze kuch op en kregen een uur rust. Na de rust werden we opgesteld, eerst het 6e Regiment, toen het 3e Regiment en daarna het 14e Regiment en onder een marslied van de stafmuziek marcheerden we over de Amsterdamsenstraatweg ( aan weerszijden begroeid met opgaande bomen en bossen ) Berg op en berg af, in een woord prachtig gezicht. We waren nog niet ver gemarcheerd, toen we werden overvallen door een zwaar onweder, waarbij de regen met stromen op ons neer kwam. Toch werd door gemarcheerd tot op het moment dicht bij Schaarbeek waar we den Rijksweg gingen verlaten, en rechtsaf de heide op ging. Toen kregen we voor de 1e maal rust. Een uur lang hadden we nu in de regen gelopen en waren slik doornat. Het water stond ons in de schoenen en ons zwikje begon eens zo zwaar te wegen. In de hei aangekomen merkten we op dat het helemaal niet geregend had en moesten toen nog vier uur tippelen, over hei en zandwegen.

Doodmoe kwamen we in het kamp aan. Zodra we onze tentjes in het gezicht kregen, ging er door de gelederen, een hoera op en ving het muziek aan met spelen.

Alles was ineens vergeten en het was of onze voeten ineens waren uitgerust.

Toen we de eerste slagen van den grote trom hoorden, gevolgd door tonen van de muziek.

Toen we in het kamp kwamen, kenden onze eigen kameraden ons niet ( kwartiermakers ) want we zagen, zo zwart van de huizenhoge stofwolken, zodat we er uit zagen als Moren.

Op het terrein aangekomen werd halt gehouden, en stonden Compagnies gewijs opgesteld.

Wachtend op de nodige bevelen. Zodra we ingedeeld waren, vertrokken we naar onze tenten.

Met acht manschappen en een Korporaal werden we onderdak gebracht in een linnen tent, waar midden in een stijl bevestigd was, waar we onze geweren en koppels en tassen aan hingen. Bovendien lag op den grond stro gespreid, waar we op moesten slapen. Onze ransels moesten dienst doen als hoofdpeluw en ieder soldaat kreeg twee dekens om op te slapen, of onder te maffen. Onze tenten waren precies opgesteld alsof men in een stadswijk komt.

We noemden ze ook straten zonder stenen, Het geleek een heel dorp of een klein stadje.

Veel tenten stonden op het veld opgesteld, het was een prachtig mooi kamp, waar veel werk gemaakt werd voor reinheid. Zodra we ons zwikje hadden afgelegd, ontkleedden we ons van onze onderkleden en dezelfde te verwisselen met wat in ons ransel zat ingepakt.

Maar verbeeld je, ook dat was doornat. Het had op die Amsterdamse straatweg zo hard geregend, liever gezegd, water gegoten, dat alles sopte,

Een ieder ging vroeg onder de wol. Toen het dan ook 9 uur op den avond was, hoorden we in plaats van een taptoe een kanonschot. Om 6 uur ’s morgens was het reveille. We hadden lekker gemaft. Zodra we aangekleed waren, gingen we ons wassen en na ontbeten te hebben, moesten we lengtegewijs aantreden om strootjes te rapen in de straat, na enige minuten, zag alles weer keurig uit.

Mijn adres was:

Militair Wandel M

14e Regiment Infanterie, afdeling D

Legerplaats bij Harskamp

Zodra strootjes geraapt waren, gingen we jassen. In grote kring stonden we onze piepers te jassen. Midden in zo’n kring stond een grote kuip, waar alles in terecht kwam, blauw bont enzovoort, We hadden hier ook meer soldij te ontvangen dan in het Garnizoen. Dit bedroeg om de 7 dagen, 91 cent, of 13 cent per dag.

In Middelburg kregen we een dubbeltje, waar af ging 10 cent per week voor jassen en 4 centen voor ramen en gloeikousjes.  Bereken, zodat in plaats we 70 cent per week werden uitbetaald, 56 cent ontvingen.

Die dagen in Harskamp gingen vlug voorbij. Dagelijks werden we geoefend in het schieten.

Grote oefeningen werden gehouden en met scherpe patronen werd geschoten, enkele malen, met losse flodders.

De terreinen waren verdeeld A, B, C, D en E. Eenmaal hadden we prijsschieten op terrein E.

Op 700 meter afstand schoten we op schijven, waar de rood 8 was.

Ik vroeg aan Haandrig Holf om een voorschot te mogen doen, doch dat werd geweigerd.

We kregen 5 patronen en daar moesten we mede tonen, wat we konden.

Ik weet dat mijn geweer, hoog rechts droeg en moest daarom, laag links aanleggen en daar ik niet kon indenken, hoeveel dat op die afstand kon bedragen, legde toen precies met gestreken korrel midden roos aan. Waarop mijn eerste schot hoog-rechts kwam te zitten, juist buiten de cirkels. Nu kon ik mijn kans nog wagen met 4 patronen. En had daarbij nog twee zesjes en 2 zevenen, in totaal 26 punten.

Jan  van de Werf van Bruinisse had 5 treffers, 29 punten en 1e prijs. Twee kwartjes of een halve gulden. Ikzelf had de 2e prijs, 30 cent.

Prachtig mooi waren die terreinen afgewerkt, precies of je op een gegeven moment Cavalerie zag opdoemen. Die even vlug weer vertrokken waren, dan weer infanterie of wild rijden, dat alles was gemaakt van houten poppen, welke op commando in het werk gesteld werden.

Die dagen in het kamp gingen vlug voorbij. Iedere dag of nacht hadden we onweer. Bovendien was het gloeiend warm, daarbij kwam nog dat de heide moeilijk begaanbaar was.

Wij waren zo gewoon aan de straat of zandwegen. Hier op den hei was het of er groene zeep op de zolen van de schoenen gesmeerd was, zo glad als ijs. Toen het Zondag was, hadden we Kerk in de kantine, een dominee kwam daar dienst houden voor de soldaten en de Stafmuziek begeleidde het zingen met spelen. De middag gingen we wandelen naar Otterlo, en kwamen daar ook voorbij een mooi hertenkamp, naar ik meer van Z.K.H. Prins der Nederlanden.

Rondom dat kamp en ook verder in de hei zagen we plagge hutten. Toen we voorbij zo’n huisje kwamen, zagen we in de verte alle bewoners naar buiten komen, een ogenblik daarna waren ze al verdwenen en toen we een eind voorbij waren, kwamen allen naar buiten en keken ons na. Wat zulks te betekenen had, begreep ik niet. ’s Avonds gingen we naar het Tehuis, genaamd ”Koningin Wilhelmina” het geleek wel een villa, zo’n keurig gebouw en bovendien was het er fijn aangelegd. We hadden het daar goed naar den zin, want de Vader en Moeder zagen er kief uit. Toch miste ik van Middelburg; daar ging ik ’s morgens eerst naar de Hervormde Kerk bij Ds. Jonker, ’s middags naar de Gereformeerde Kerk bij Ds. Wielinga, ’s Avonds naar de Oud Gereformeerde Kerk bij Ds. Van Nood en om half acht naar het Leger des Heils.

De dagen in Harskamp gingen vlug voorbij. In plaats dat we den 23e juli terug keerden, gingen we ’s morgens vroeg de 21e juli op terug mars naar Arnhem en verder per trein naar Middelburg.

In het Garnizoen aangekomen, werden we verwelkomt door de burgers van Middelburg. Toen dan ieder op zij strozak lag, ’s avond getuigde allen dat het beter was dan op stro onder het linnen dak, waar je op den middag half verbrandde. Op de 23e juli was mij Anna met vele andere meisjes van de Christelijke Meisjes Vereniging “Tarwegraan” uit Goes, een rijtoertje gaan maken naar Valkenisse.

Op den middag, tussen 12 en 1 uur, spraken we op de Markt af, dat ik na den dienst om 5 uur present zou zijn, op de aangewezen plaats. Op dat tijdstip ontmoetten we elkaar en kreeg ze tot 8 uur vrijheid van beweging. Die vrije uren besteden we op een aangename manier, met wandelen en genoten van elkanders bijzijn, ook gingen we nog even naar het Tehuis en toen naar de Markt. We waren over tijd. De Koetsier, inwendig in zijn schik, mopperde op ons beidjes, Want alle meisjes waren al gezeten, voor vertrek naar Goes.

Tot weer ziens An,

Dat zou evenwel naar alle gedachten, niet lang meer duren. Op 3 juli jl. moesten we loten voor 12 of 8 maandelijkse diensttijd. Toen we daarmede bezig waren, in tegenwoordigheid van den Bataljon Commandant Majoor Ring en het mijn beurt was, lagen nog zes loten in, waarbij 2 en 181 het hoogste lot.

Ik pakte er een en zei tegen de Majoor die moet ik niet hebben, dat is No 2 en deze ( een nemende ) Majoor is 181. Dat bleek ook waar te zijn, zowel al dat vorig nummertje. Allen keken daarbij vreemd op en toch kon men dat van buitenaf niet zien, want de loten waren verborgen in kleine busjes. Hoe het ook was. Mijn lot was vrij en moest daarom maar 8½ maand dienst doen. Toen we dan bij terugkeer in de kazerne kwamen, begonnen velen hun Kuchjes te tellen, het waren er ongeveer nog 55 stuks. Bij ons terugkeer in de kazerne kregen we ons gewone dienst terug.

Inmiddels is 31e juli aangebroken. Een grote mars valt ons ten deel. Al vroeg stonden we ’s morgens aangetreden met heel het 2e Bataljon, onder commando van Majoor Ring.

We marcheerden naar Koudekerke, daar aangekomen, stond het 1e en 2e Bataljon onder commando van den Regiment Commandant Luitenant Kolonel Van Alphen de Veer opgesteld.

Waar ons Bataljon zich bij aansloot. Voor we op mars gingen, werden we geïnspecteerd en moesten we tevens uitpakken. We hadden veldtenue met rol, dat wil zeggen:

Een ransel, waaromheen een blauwe overjas was bevestigd met 3 ranselriempjes.

In ons ransel 2 hemden, 2 onderbroeken, 2 handdoeken, 1 naaizakje, 1 eetketel met eetketel zakjes, 1 wattendoos, een paar schoenen in schoenenzakjes, een schoenborstel, een vork en lepel, een veldmuts een knipmes, broodzak met band en een half kuchje. 2 paar sokken en een vetdoos.

Een geweer met bajonet, 2 patroontassen waarin 4 ijzeren blokken ( gewicht 120 scherpe patronen ) een pioniersschep in foedraal.

Toen alles was nagezien, gingen we tippelen over Biggekerke naar Koudekerke. Het was buitengewoon warm dien dag, dus vanzelf ook veel zweten. Toch was er heel dien dag een goede harmonie onder de soldaten en wij zongen dat het een lust was. Op de terugmars in Koudekerke aangekomen, kregen we rust en nam men de gelegenheid waar om even een winkeltje binnen te lopen. Trok mijnsokken uit en smeerde mijn voeten in met groene zeep, teneinde de laatste 5 kilometer pijnloos voort te zetten, naar de kazerne.

Na den rust werd geblazen en allen gingen achter de geweren staan, die aan roten stonden. ( 4 stuks in elkaar ) op het commando Neem geweer ( neemt elk soldaat zijn geweer en wacht de nodige bevelen af. Wij gingen met het 2e Bataljon naar Middelburg en 1e en 2e Bataljon naar Vlissingen. We waren nog maar even op stap en zagen in de een Ordonnans aankomen, die zich melde bij onzen Commandant en vernamen wij de mededeling. Een Regeringstelegram.

We waren nog 5 kilometer van het Garnizoen en hadden 37 kilometer afgelegd, het was middag 5 uur op den eenendertigste juli 1914 en luidde als volgt;

Mobilisatie in Holland.

We namen het allen nogal kalm op en bespraken onder elkander, wat ze nu wel met ons van plan waren. Doodmoe kwamen we in de kazerne aan en wij werden gecomplimenteerd door monde van den Commandant, betuigende zijn grote tevredenheid over de afgelegde prestaties.

We konden inrukken en moesten de verdere bevelen afwachten. We vielen doodmoe op onze strozak neer en rusten toen even uit.

Niet lang duurde dat, na het middageten gebruikt te hebben, moesten we in de kazerne blijven en werd alles klaargemaakt voor vertrek. Onze ijzeren blokken werden vervangen door honderd en twintig scherpe patronen en nu werd het werkelijkheid.

De kazerne mochten we niet meer verlaten en daarom gingen we maar brieven schrijven, naar huis en geliefde. Want wat zou volgen, op den dag van heden. Op dat ogenblik kwam mij in gedachten, waar zullen wij strijden, in Holland, België of Frankrijk. God geve dat het niet zo zal zijn, maar moet het dan, zal ik aantekeningen houden en in mijn ransel opbergen. Sneuvel ik dan eerstdaags, dan weten ze altijd waar ik gebleven ben, mij overkomen is.

Mijn vertrouwen is op U Vader in den Hemel en ik Bid U, sta mij ter zijde en onze geliefde Koningin met haar Huis en allen in ons Vaderland.

Psalm 91, zingen Psalm 27, vers 2-6 en 7


2: Algemene Beschouwing

1 augustus 1914

Allereerst wil ik melding maken, hoe de algemene toestand in zijn werk was en wil dan vooraf een algemeen beschouwing geven, vanaf juli 1914 en vervolgens.

In Oostenrijk, Hongarije heerste Koning Aartshertog Frans Ferdinand, troonopvolger van Oostenrijk Hongarije met zijn Gemalin, bracht een bezoek aan den hoofdstad van Servië Sarajevo genaamd. Wat gebeurd? Op hun reis naar Servië, werd hen meegedeeld, dat zekere bende van plan was een aanslag te wagen op hun leven.

Men verzocht hen terug te keren en hun leven niet aan zulk groot gevaar bloot te stellen. Frans Ferdinand wilde hiervan helemaal niets weten, doch verzocht dat zij gemalin zou wederkeren.

Haar antwoord was, Waar mijn man is, daar zal ik ook zijn. Zij hield woord en de reis werd voort gezet. Zij stond haar gemaal nabij, gevaren trotserende. Men reed door de hoofdstad Sarajevo van Servië. Vele mensen waren op de been, de Aartshertog met zijn gemalin, die in een auto gezeten waren, te begroeten. Van alle kanten werden ze toe gejubeld, maar het gevaar waar ze in verkeerden beseften ze niet. Op een gegeven moment werd een bom naar den auto geslingerd, maar miste de bedoelde uitwerking.

Nadat de paniek hersteld was, werd verder gereden, doch een tweede bom werd geworpen en trof zijn doel, want Zijne Majesteit en Hare Koninklijke Hoogheid hadden het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Zij hadden den strijd op aarde gestreden. Minderjarige weesjes bleven hen achter. Het volk van Oostenrijk en Hongarije was woest en verlangde oorlog met Servië, wat ook gebeurde. Toch kwam het ene weer naar het andere.

30 juli 1914,

  • De Nederlandse Regering kondigt een onzijdigheidverklaring af.

31 juli,

  • Algemene Mobilisatie in Nederland

1 augustus,

  • Duitsland verklaart Rusland de oorlog.

2 augustus

  • Duitse troepen bezetten Luxemburg

3 augustus

  • Duitsland verklaart Frankrijk en België verklaart Duitsland de Oorlog.

5 augustus

  • Engeland verklaart Duitsland en Hongarije verklaart Oostenrijk de Oorlog.

6 augustus

  • Duitsland verklaart aan Servië, Oostenrijk aan Rusland en Duitsland aan Montenegro de oorlog.

12 augustus

  • Frankrijk verklaart Oostenrijk den Oorlog.

13 augustus

  • Engeland verklaart Oostenrijk den oorlog.

23 augustus

  • Japan verklaart Duitsland den Oorlog.

25 augustus

  • Oostenrijk verklaart Japan de Oorlog

28 augustus

  • Oostenrijk verklaart België de oorlog.

2 november

  • Turkije verklaart Rusland den oorlog.

6 november

  • Turkije verklaart België den oorlog

24 mei 1915

  • Italië verklaart Oostenrijk den oorlog

22 augustus

  • Turkije verklaart Italië den oorlog.

14 oktober

  • Bulgarije verklaart Servië den oorlog

16 oktober

  • Frankrijk en Engeland verklaren aan Bulgarije den oorlog.

17 oktober

  • Italië verklaart Bulgarije den oorlog.

9 maart 1916

  • Duitsland verklaart Portugal den oorlog.

17 augustus

  • Roemenië verklaart aan Oostenrijk + Hongarije en Italië aan Duitsland den oorlog.

4 april 1917

  • De oorlogstoestand tussen Duitsland en Amerika afgekondigd.

15 augustus

  • Zijne Hoogheid Benedictus 15, zendt een vredesnota aan alle oorlogvoerende landen.

6 december

  • Voorlopige wapenstilstand tussen Roemenië en de Centralen gesloten. Genaamd. “De vrede van Boekarest en Rusland”

7 november 1918

  • De vrede tussen Roemenië en de Centralen gesloten, genaamd De vrede van Boekarest.
  • De Duitse Keizer Wilhelm 2 vlucht door de ineenstorting van het moreel zijner troepen, over Eijsden naar Holland en wordt hem als woonplaats, het kasteel te Amerongen aangewezen.
  • De Duitse kroonprins volgt de tactiek van zijn vader, doch wordt geïnterneerd op het eiland Wieringen ( dorp Oosterland ) in de Zuiderzee.

11 november

  • Wapenstilstand op het Oostelijk front.
  • 20 juni 1919
  • Des Zaterdagmiddag te 3 uur werd de vrede tussen Duitsland en de Entente landen te Versailles bij Parijs getekend.
  • Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Turkije en Bulgarije vormden gezamenlijk de Centralen.
  • De overige oorlogvoerenden vormden de Entente.
  • Duitsland was in oorlog geweest met 27 grote en kleine staten.
  • Oostenrijk + Hongarije met 16 staten.
  • Turkije met 7
  • Bulgarije met 6 grote en kleine staten.

Entente is de benaming voor een aantal bondgenootschappen in de 20e eeuw, met name die tussen de landen die in de Eerste Wereldoorlog tegenover Duitsland.


3: Mobilisatie 1914

1 augustus 1914

Het was van morgen vroeg reveille, want alles moest in gereedheid gebracht. Van uit heel ons land kwamen alle dienstbare mannen naar hun Garnizoen, zich melden om hun plicht te komen innemen in de gelederen, ter bescherming voor Land en Koningin.

Ieder ogenblik zagen we hen binnen komen, van alle kanten, ook van mijn dorp en omgeving, mocht ik bekenden ontmoeten.

Men kon het de Vader van kinderen en jongelingen aanzien, dat het afscheid hard was gevallen hun geliefden achter te laten. Velen pinkten dan ook menigmaal een traan weg, toch kon men ook bespeuren de kalme vastberadenheid van onze Zeeuwen.

Voor zover ijzeren kribben en strozakken aanwezig waren, kreeg ieder zijn deel.

De overigen moesten op stro slapen en zich daarmede tevreden stellen.

De stad werd onmiddellijk afgezet door militairen; niemand mocht in of uit gaan of moest daar opdracht voor hebben. Wij vertrokken ,s morgens om 7 uur met Sergeant Griep ( Wachtcommandant ) naar de Seisbrug op wacht, waar we om beurt, 2 uur op dubbelpost stonden.

Mijn broeder Johannes, die op Nieuw- en Sint Joostland aan het straten was, kwam mij een bezoek brengen. ( Wij troosten elkander met de belofte, dat de Heer ons niet begeeft en verlaat, en kon tevens bij monde aan mijn broeder de groeten overbrengen aan huis en geliefde. Om 9 uur ’s avonds werden we met onze wacht afgelost en konden gaan maffen. Het was zo druk in de kazerne en kantine, dat van slapen niets kwam. We maakten kennis met onze nieuwe wapenbroeders, en van begin af werd een hechte band gelegd.

2 augustus 1914

Het is zondagmorgen, In plaats dat we naar gewoonte naar kerk gaan, moesten allen druk werken aan munitie en proviand voor vertrek van enkele Compagnieën, die dadelijk zullen vertrekken. Die dag vertrok dan ook de Depot Compagnie naar

’s Gravenhage. Vele mijner kameraden vertrokken naar Den Haag en dat was hard.

De gedachte, zouden we elkander ooit weder zien kwam in mij op, ik kon dan ook mijn tranen niet bedwingen, toen ik hen zag afmarcheren.

Om 11 uur van morgen kwam ik op wachtparade. Onze wacht kwam aan de Politiewacht in de kazerne. Wat een drukte aan de poort. De post voor het Geweer, had handen vol werk om de burgers van voor de ingang van de kazerne te houden, want honderden nabestaanden, kwamen nog eens zien naar hun man en vader, zoon of broeders.

3 augustus 1914

Van 4-6 uur kwam op post voor het Geweer. Het was stil op straat toen ik op post kwam, maar tegen dat ik werd afgelost, hoorde ik leven in de kazerne. Om 8 uur vertrok de 4e Compagnie van het 2e Bataljon naar Westkapelle, om de kuchen te bewaken. Bij vertrek van iedere afdeling, staat ieder gereed de kameraden een laatst vaarwel toe te roepen, want wanneer zien we elkander weer. God weet het, daarom laten we Hem bidden om een zegen. Adjudant Verburg beveelt mij dekens te dragen; zeg hem, dat ik op wacht geweest ben en gelast mij opnieuw. Ik was juist om 7 uur van avond afgelost en had ongeveer 32 uur op wacht geweest. Ik liep even naar het bureau van de Compagnie en de zaak was zo: die van wacht kwam, genoten rust en dat had ik hard nodig. De overige soldaten mochten de kazerne verlaten.

4 t/m 21 augustus 1914.

Een paar dagen zij reeds voorbij gegaan. Dagelijks horen en lezen we niets anders dan oorlog, oorlog op het oostelijk en westelijk front. Nu Luik ( België ) na roemvolle tegenstand van Generaal Leman en minderen is de vesting gevallen, door de overmacht der Duitsers. Zetten ze hun opmars voort door België, steeds groter successen behalende. Duizenden soldaten worden weggemaaid door machinegeweren met hun moordend lood.

Bij ons is het steeds gewoon dienst doen, en raken met elkander meer bevriend.

In de stad Middelburg is het nu kermis, maar niemand heeft lust daarin. Velen die kwamen, gaan nu hun tijd liever doorbrengen in het huis des Heeren. Sinds 8 augustus t/m 18 augustus ben ik kantinebediende geweest met Kloet van Sint Maartensdijk.

Ik was de oudste en moest iedere avond afrekenen met de kantinesergeant.

Nu waren we afgesproken wat we ’s avonds verdiend hadden met verkoop. ( daar mocht niets meer gevraagd worden dan de inkoopprijs ) maar op het uitschenken van thee en koffie moest verdiend worden en dat zouden we opeten aan krentenbroodjes, sigaren of waar we zin in hadden. Onze Sergeant zou er met geen mooie tuniek ( buiten model ) van door gaan. De eerste avond bij de afrekening kwamen we circa een gulden tekort. De Sergeant was van gedachten dat we met al die grote drukte moesten opletten met teruggeven, wanneer er betaald werd. Wij keken op elkaar ( Kloet moest zich omdraaien ) niet te lachen, want wij zelve wisten het beter dan de Sergeant. We hadden zowel verse krentenbroodjes gegeten, dat we te kort kwamen. Op andere avonden maakten we altijd dat we maar een dubbeltje of kwartje over hadden. Nu was in dien tussentijd een anderen Sergeant in de kantine gekomen, en begreep blijkbaar niet dat er ’s avonds zo weinig over was met de afrekening. Op zekere morgen toen ik van de wacht gewekt werd, ongeveer een half uur voor reveille ( want bij reveille moest ik warme thee hebben ) kreeg ik een papier met potlood en moest ieder koffie, thee dat ik verkocht opschrijven. Ik had zeker 40-50 koppen thee verkocht, toen Sergeant achter de toog kwam en mij zeide. Wandel je schrijft niets op, ik maakte daarna een vlugge beweging, waarop Sergeant tegen Kloet zei, ik geloof dat Wandel driftig is. Kloet antwoordde maak maar vlug dat je weg komt, want ik ben bang voor hem. Ik had later geen last meer van hem. Op zekeren middag zouden we een eierkoek bakken ( den troep was de gehele dag uit ) Kloet vroeg mij, zou je dat kunnen, ik zeg laat dat maar aan mij over, ik nam een grote pan, klutste 4 eieren, schonk melk een halve liter ( van alles veel te veel ) en zei toen tegen Kloet of daar nu zout of suiker in moet, weet ik niet, maar we zouden het laatste nemen. Ook weer veel te veel. Zette het daarna op het gasstel om te braden. We konden er evenwel geen koek van krijgen en hebben het toen samen opgegeten als pap met gebruik van een lepel. Om beurten gingen we ’s avonds de poort uit naar het Tehuis. Op den dag wanneer de manschappen voor den gehele dag uitgerukt waren gingen we gezamenlijk de stad in en genoten van het bezichtigen van oudheden, tweemaal zijn we op hoogste punt geweest van de Lange Jan en genoten daarbij van het heerlijke vergezicht over het eiland Walcheren met haar duinenrij en daarachter de blauwe zee. Bovendien een prachtig gezicht op dorpen en met bosrand begroeide weiden.

Dat kantineleven beviel mij echter niet en had dat ook meermalen tegen mijn kameraad Kloet gezegd. Op zekere morgen liep onze Compagnie Commandant over de achterplaats toen wij samen bezig waren de kantine schoon te maken, in de looppas liep ik door de deur naar buiten en vroeg zo maar zonder schriftelijk verzoek op de achterplaats de Kapitein te spreken. Kapitein: Wat is er van je orders soldaat. Kapitein mag ik van middag de kantine verlaten en meegaan met de Compagnie. Zo niet, Kapitein, dan sterf ik er nog in, want ik heb heimwee naar den dienst. Bij het binnenkomen, of uitrukken hoor ik den tamboer of hoornblazer en begin dan pas te leven. De kapitein begon te lachen en stond ogenblikkelijk mijn verzoek toe. Ik ging daarop naar de kantine terug en vertelde Kloet, mijn onderhoud met den Kapitein.

’s Middags rukte ik weer mede uit en vond mijn plaats op den linkervleugel tussen mijn kameraden.

 


4: Grenzen bewaken aan de grenzen nabij Sluis

22 augustus 1914

Toen wij van middag na morgenoefening de kazerne in kwamen en het middageten hadden genuttigd, dacht ieder nog eens vijf minuten te maffen op de strozak. We werden daarin gestoord, want een ordonnans bracht een telegram, dat het gehele 2e Bataljon met bijbehoren als compagnies, karren, keukenwagens, enz., enz., moesten aantreden. Staan om 13.30 uur op het Molenwater, veldtenue met rol en deken achter de klep van het ransel, om te vertrekken naar de grenzen in Zeeuws-Vlaanderen, dat bracht een gehele drukte met zich, maar op het aangewezen uur stond ons Bataljon in tenue opgesteld ( sterk 1000 soldaten met officieren inbegrepen )

Onder commando van Majoor Ring op het Molenwater opgesteld.

Ook onze Regiment Commandant is aanwezig en sprak ons enige bemoedigende woorden, na vooraf  geïnspecteerd te zijn. Ook ons vaandel dat op de 2e Compagnie verblijf houdt , gaat met ons mede. Met volle muziek marcheerden we door de stad, langs de kazerne over de markt naar Vlissingen. Duizenden mensen stonden langs de deze weg opgesteld en hadden tranen in de ogen, velen vergezelden ons naar Vlissingen. ( Nu waren het geen snertzaken meer, maar arme soldaten ) geen minachting in blik van Middelburgse burger. We kregen vriendelijke blikken en zouden ons omhelst hebben, want nu was het werkelijkheid.

Wat was het warm op de middag, om vijf uur stonden we aan de buitenhaven en kregen daar rust bij de geweren. Onze Compagnieën werden als volgt verdeeld:

1e Compagnie naar Axel, 2e Compagnie naar Sluis, 3e Compagnie naar Sas van Gent en 4e Compagnie naar Hulst.

Om 7 ( wij waren de laatste ) gingen we aan boord met ongeveer 250 soldaten, gepakt en gezakt. We moesten blijven staan op onze plaatsen en mochten niet heen en weer lopen. Zo diep waren we afgeladen. Gelukkig dat er geen wind was of uitschot van wind. Want de haaien hadden er mee gelachen.

Nog een laatste blik naar de toren van Middelburg, die we nog boven de dijk zagen uitsteken. Zo gingen we naar de overkant, waar we om 7.30 uur aan wal stapten.

Ook daar kregen wij rust tot 9 uur. In tussen was een stoomtram gecureerd waar we instapten en ons bracht naar Sluis.

Op Schoondijke moest de helft, of 2e Peloton overstappen naar IJzendijke en werden daar gekantonneerd. ( ingekwartierd )

Met de 1e en 2e Sectie reden we dan naar Sluis en kwamen daar op zaterdagavond half twaalf aan, we werden direct gekantonneerd in het Sint Jozefpensionaat, waar de Franse broeders gereed stonden ons te ontvangen, en in minder dan geen tijd.

Dat iemand zou gedacht hebben. Stond ieder voor en bij zijn krib. Ik moest toen eerst mijn omgeving bezien. Ruim 80 houten kribben stonden op onze slaapzaal en op fijne veren bedden mocht Jan Fuselier ( Jan Fuselier is uit het Indische soldatenleven) maffen.

23 augustus 1914

Het is nog maar 6 uur op zondagmorgen en allen zijn present want de hoornblazer blies de reveille ( signaal om soldaten te wekken, weksignaal ‘) Wat heb ik in die enkele uren heerlijk gemaft. Het allereerst wat ik deed, was mij kameraad De Valk feliciteren met zijn verjaardag, ( die was met het uitbreken van de Mobilisatie als Korporaal van de 2e Sectie teruggekeerd en gaan we samen als voorheen weer passagieren ) daarna ging ik mij wassen. Een ogenblik later zaten we in de eetzaal en werden bediend door de broeders, waar we geen woord van verstonden, maar het deerde ons niet, want we dronken heerlijke koffie met suiker, zoveel we maar wilden ( niet door leesbaar ) in een woord het deed ons goed.

Na het eten werd appel gehouden en de wachten uitgemaakt. Drie wachten worden uitgezet op de grensplaatsen. Eede, Heille en Sint Anna ter Muiden, Wij gaan met een wacht sterk een Korporaal en acht soldaten naar Heille. Na een uur gemarcheerd kwamen we in de school te Heille aan en betrokken daar ons wachtlokaal in de school.

Direct werd een dubbelpost uitgezet, niet ver van de wacht, op een toegangsweg naar België. We kregen de nodige consignes, ieder die van België kwam, moest een pas tonen aan de schildwachten. Bij het naderen van de schildwacht werd door hem aangeroepen met HALT, Wie daar, wanneer daar geen gehoor aangegeven werd, moest dat worden herhaald, nog maal halt of ik schiet geroepen, en kon men overgaan tot daden. Was dat bijvoorbeeld nodig, bij 2e maal van aanroepen kon men schieten.

In het kort, het was naar hoe de zaak er zich toedroeg.

Wanneer we niet op post stonden, had men patrouille diensten langs de grens.

Dat beviel mij uitstekend, te meer om reden je vertrouwd geraakte met de omgeving.

Voor ons lag het Belgische dorpje Middelburg, met zijn witte molen en wit geschilderde of gekalkte huizen. Men kon het verschil met de Vlamingen direct onderscheiden. De avond en nachtdienst was koud. Na de aflossing gingen we in de wacht en konden daar slapen op stro.

24 augustus 1914

Om 6 uur werden we van morgen afgelost en gingen na onze eerste grenswacht.

Naar het Kantonnement terug, 2 keer 2 uur had ik op dubbelpost gestaan.

Met Berkeij van Oud-Vosmeer en 2 maal een uur op patrouille geweest.

Om 7 uur kwamen we in het Pensionaat en konden gaan maffen.

24 augustus tot 9 september 1914

Omstreeks 4 uur op den namiddag kwam een telegram op de Compagnie, dat wij vervangen werden, door het 2e Bataljon 14e Regiment en dat wij naar Axel zouden vertrekken, als reserve. Alvorens ik het oude stadje Sluis verlaat, wil ik nog enkele aantekeningen weergeven. Met grote dankbaarheid aan de broeders aan het Sint Jozef Pensionaat, die ons met warme liefde hebben ontvangen en al die tijd het zijne hebben bijgedragen voor onze lichamelijke verzorging. Er was maar een broedertje ( klein van persoon ) die enig Hollands verstond, met hem ben ik in alle zalen en onderaardse gangen geweest. Interessant was het om alles te bezien. Midden in het gebouw was de kapel, op de bovenste verdieping, prachtige grote slaapzalen. Beneden grote schoollokalen, muziekzaal, eetzalen, kortom alles was naar wens ingericht.

( onder ander was er nog aan verbonden: bakkerij, schoenmakerij, gymnastieklokaal, was= en badlokaal, waar ook wij gebruik van mochten maken. Groot voorplein omgeven door muurafrastering. Achter het gebouw een grote moestuin die bewerkt werd door de broeders zelf.

In onze vrije tijd mochten we ons begeven buiten het Pensionaat naar Sluis.

( ons Kantonnement lag misschien 5 minuten buiten de wallen )

Een zondag ben ik vrij geweest in die 18 dagen tijd, dien dag ben ik ter kerk geweest bij Ds Beukenhorst in de Nederlandse Hervormde Kerk.

’s Middags ging ik met Roelse van Kortgene naar meneer De Bruijne (een blinde man)

Waar we in liefde werden ontvangen. De Bruijne, zowel als ook zijn vrouw kenden den Heere als hun Verlosser en mochten daar heerlijke gesprekken met elkander voeren. Toen we dan vandaar weg gingen naar het tijdelijke Militair Tehuis in het gebouw Luctor, voelden we ons verkwikt, want wij hadden daar behoefte aan. Denk dat onze Heiland niet aan plaats of tijd gebonden was, want ik mocht zijn gemeenschap ten alle tijde ondervinden. Onze omgeving was echt historisch uit de tijd van Prins Maurits. Veel mocht ik genieten van de mooie wallen van Sluis, Retranchement en Aardenburg. Het was niet de eerste maal dat Hollandse soldaten hun voeten plaatsten op die hoge wallen. Dan gevoelde ik grote dankbaarheid aan wat onze voorvaderen hadden gedaan. Wij mochten daar op hun plaats staan waar eens bloed vloeiden. Dat ook wij waardig geacht worden in nood en zo ook die plaats te behouden.

Sinds 23 augustus heb ik menig wachtje geklopt, in totaal veertien stuks, 4 op Heille, 3 op Aardenburg, 3 op Sint Anna ter Muiden, 3 op Retranchement en 1 in het Kantonnement van 24 uur. De vorige wachten duurden 12 uur. Bovendien kwam daarbij de afstand die we moesten gaan van en naar de wacht. Dat was van af het Pensionaat naar Aardenburg 5 kwartier,

Pensionaat naar Heille 1 uur,

Pensionaat naar Sint Anna ter Muiden 3 kwartier,

Pensionaat naar Retranchement 5 kwartier,

Twee keer hadden we een mars. Op zo’n mars naar Oostburg hadden we 7 uur getippeld op onze terugmars over Zuidzande, Terhofstede liepen we 2 maal een polder rond. Juist viel die dag een vliegmachine neer in de omtrek van Oostburg. Toen ik over Zuidzande marcheerde met onze Compagnie, zag ik daar een kleine jongen en herinnerde hem wel een gezien te hebben en te kennen als de zoon de Van de Vugt, geboren te Nieuwerkerk, thans predikant van de Ned. Herv. Kerk te Zuidzande. Ik gaf hem de groeten mee aan zijn papa en de volgende morgen ontving ik van Ds. Van de Vugt een briefkaart en vroeg mij een zondag op bezoek. Waarop ik tot mijn spijt geen gebruik van kon maken, omdat geen verlof werd gegeven en de dienst het niet toeliet.

Vier keer heb ik patrouilledienst gehad naar het tramstation voor de regeling van vluchtelingen die dagelijks bij honderden over de grens kwamen, uit omstreken van Luik, Namen en omstreken. Eenmaal hadden we alarm ’s avonds 8 uur. Alles stond aangetreden toen wij op de achterplaats aan kwamen, die avond was ik p[ stap met Berkeij, De Burgemeester had in verband met de vele vluchtelingen die, die avond werden verwacht, assistentie gevraagd en waarop wij in het geweer moesten komen.

Ik meen dat het toen nogal kalm af liep, want het geschreeuw vond ik te erg, om bij de zware dienst die wij hadden, zo’n drukte te maken.

Toch kwamen dagelijks vluchtelingen de grens over, zodra ze de Hollandse schildwacht zagen staan, ging hun een pak van het hart. Want dat wisten ze dat niemand hun deerden. Vele vliegmachines vlogen door de lucht. Toen we op Sint Anna ter Muiden op wacht waren, riep een schildwacht ( bij het nader komen van een vijandelijke vliegmachine ) In het geweer, waarop wij met heel de wacht in het geweer kwamen, gereed om te schieten. Het bleek echter niet nodig, om reden ze van koers veranderde.

Op die wacht kregen we altijd een grote pot heerlijke soep van Belgische vluchtelingen, wat ons goed deed smaken. Dagelijks hoorden we vanuit de verte het kanongebulder, vooral ’s nachts wanneer alles stil is, kon men dat des te beter horen. ( dan was alles doodstil ). Nu en dan hoorde men een schildwacht bij het naderen van een zeker wezen, roepen: Halt, wie daar? Op tijd van een uur werden we van onze post; wanneer we 2 uur geschilderd hadden, afgelost en konden dan een paar uurtjes maffen op een bank of op stro. Dat was ook al naar, waar we op wacht waren, bij voorbeeld in Aardenburg sliep ik in een paardenstal en op Retranchement in een groot kippenhok. Overigens in een schoollokaal, wanneer we maar een ogenblik tijd hadden, schreven we brieven naar huis en geliefde en mochten ook van hen teer en warm en hartelijke woordjes ontvangen. Ik schreef te minste aan mijn Anna: Lieve wij moeten nu als militair geen postzegels meer gebruiken tijdens de Mobilisatie, dus nu kun je wel doorschrijven, als je maar papier, tijd en letters hebt.

In de linkerhoek komt te staan Militairvervoer ( brief van 31 augustus 1914 )

Van huis stuurde vader mij f 7,50 met deze woorden en aan toegevoegd ( misschien komen ze van pas ) Direct verdubbelde ik het bedrag en stuurde het terug naar huis.

Want schreef ik, ik heb geld genoeg. Ik had mij voorgenomen het met mijn traktement te doen en legde daarvan over. Sinds de mobilisatie is onze soldij 23 cent per dag geworden. Als bijzonderheid wil ik nog eens iets vertellen. We gingen met 12 soldaten onder leiding van Sergeant 1e klasse Lemaire van de derde Sectie op wacht naar Aardenburg. Ons wachtlokaal was in een Estaminet ( een veelgebruikte benaming voor een drankgelegenheid ) tussen Aardenburg en Eede langs de Rijksweg, waarbij een kromming van die weg een dubbelpost werd uitgezet. Als commandant aan gesteld ging ik met Berkeij en Giljam op patrouille in de richting van de grens; binnen die tijd terug: dus gingen er vol moed in de richting van de grens, die we konden herkennen aan grenspalen op onderlinge afstanden. Op weg naar Eede zagen we zoal 30 fietsers aan komen en vroegen hun pasjes te mogen zien. Het waren allemaal Belgen die bang waren in Duitse handen te vallen, uit vrees mede genomen te zullen worden naar het front. Allen moesten terug keren, want niemand kon een pas tonen,

Inmiddels vervolgden wij onze weg en kwamen er aan de grenspaal, wij vroegen de weg naar Eede en moesten naar aanwijzing over een voetpad juist langs de grensweg naar het dorpje dat we in de verte voor ons zagen liggen. Nauwelijks een paar honderd meter gelopen, zagen daar enige huizen staan. Bij het zien aankomen van een Hollandse patrouille ( wij hadden de bajonet op het geweer ) vlogen de mensen in huis, maar kwamen ook even vlug weer voor de dag.

Toen zij zagen dat wij niemand enig leed deden. Al pratend en vragend stonden wij midden op het dorp juist op de grens, recht voor een Estaminet of herberg, in tussen waren zoal 2 a 300 burgers aanwezig, die ons van alle kanten aangaapten. Enkele vroegen ons mede te gaan om een glaasje bier en daar het zeer warm en wij bovendien grote dorst hadden, namen dat aanbod met alle dank aan. Wij gingen even binnen even binnen en hoorden van die buiten stonden. Een officier, wij wisten wel dat we ons niet met burgers mochten ophouden en zeiden dat ze niets moesten zeggen. Dat hebben ze ook niet gedaan, want toen de wachtcommandant die ze voor een officier hadden aangezien, hen vroeg “Hebben jullie geen Hollandse soldaten gezien ‘ ( patrouille sterk 3 man ). Wist niemand iets in te brengen en kon de Sergeant, zonder ingelicht te zijn, per fiets de reis voort zette, waarop ook wij terug gingen naar de wacht. Nauwelijks een paar honderd meter gelopen, zagen in de verte een patrouille aankomen, die ons meedeelden van de wacht te zijn gestuurd om ons te zoeken. Er bestond enige reden voor, want we waren 3 uur weg geweest. Ook onze wachtcommandant kwamen we tegen en gezamenlijk keerden we naar de wacht terug.


5: Ingekwartierd te Axel

10 september 1914

Het is druk in het Pensionaat van morgen. Om 4 uur is de reveille geblazen en ieder is druk in de weer, zijn uitrusting in orde te brengen, om zo dadelijk te kunnen vertrekken. Wij gaan ons Kantonnement verlaten. De broeders zijn allen druk bezig om ons laatste maal eten klaar te maken. Nu we nogmaals lekker gegeten hebben en verzadigd zijn, hangen we onze uitrusting om en stappen in de rijtuigen van de klaar staande tram. Het is in tussen half vijf en zijn tot vertrek gereed.

Alle broeders stonden gereed om ons vaarwel toe te roepen en zodra de tram zich in beweging stelde, ging als een mond vaarwel tot wederzien. Op Schoondijke kwam de 3e en 4e Sectie en sloten zich bij de Compagnie aan, die nu weer geheel voltallig was en werd door gereden naar Breskens, waar we om 6 uur uit stapten. Een boot lag daar gereed en toen alles aan boord waren voeren we naar Terneuzen waar we aan wal werden gezet. We werden in marscolonne geformeerd en marcheerden in de pas door Terneuzen naar de trein. Om een uur op de middag kwamen we in Axel aan en marcheerden naar de Markt en vervolgens gepresenteerd aan de Bataljon Commandant die ons inspecteerde. Na de inspectie vetrokken we naar ons Kantonnement.

De Openbare School werd ons aangewezen. Wat een verandering. In ieder lokaal lag het stro uitgespreid op de vloer en mochten dat innemen als slaapplaats.

Mijn ransel diende nu als hoofdpeluw.

Ik maakte mij dadelijk gewend en toen we ons middagmaal hadden gebruikt, genoot ik nog van een beetje rust. Want in tussen ben ik aangezegd voor een wachtje van 24 uur.

Om zes uur is het wachtparade. Deze wacht diende als Kantonnement wacht.

Van 10 tot en met 19 september 1914

In tussen heb ik drie kantonnements wachtjes er op zitten en enige dagen zijn voorbij gegaan, kan men ook meer schrijven. Als bijzonderheid mag gezegd worden, dat we slapen als zwijntjes in het stro en het eten is niet minder.

Toch is het middagmaal niet zo goed, dan in Sluis geen wonder, want als Jan Fuselier zijn groenten zelf moet schoon maken, gaat het precies als bij het jassen.

Sommigen onder ons zouden de rode en witte kool precies eender klaar maken als dat een boer, die mangelbieten stuk snijdt voor zijn beesten.

En als gevolg kan ieder onzer begrijpen, dat hij zelf de schuld heeft dat het niet zo aangenaam aanziet dan bij moeder thuis.

Op zekere morgen moesten we na het jassen, uien schoonmaken en toen ik mijn ogen opsloeg en de kring der manschappen gadesloeg, bemerkte ik dat allen schreiden, de tranen biggelden over ieder wangen.

De dagen die we niet op wacht kwamen, waren bestemd geweest voor uitrukkende diensten, bestaande uit marsen en patrouille diensten.

Er was steeds een aangename stemming onder de manschappen. Hoe kort we hier nog maar geweest zijn, waren we toch met de omgeving vertrouwd geraakt.

Alle dorpjes hadden we op mars al bezocht. Eenmaal waren we in de omgeving van Boschkapelle toen we rust kregen in de omtrek van een boerderij.

We kregen toestemming van onze Commandant de veldflessen te gaan vullen met water. Maar in plaats van water, kreeg ieder drie glazen zoete melk of bier. Dat die boer geprezen werd, laat zich begrijpen.

Op een volgende dag, hadden we een mars naar Koewacht, Clinge en Sint Jansteen op patrouillediensten, langs de grens Kapellebrug, Heikant, en de middag exercitie op een grote weide even buiten Axel, onder commando van Luitenant Peek.

Bij het terugkeren naar ons Kantonnement, commandeerde de bevelvoerende Officier “looppas” De voorste liepen zo hard, dat onmiddellijk” Halt “moest worden gehouden. En rechts omkeert werd gemaakt, terug naar de plaats waar we vandaan kwamen.

Drie secties kregen rust, maar de 2e Sectie moest straf marcheren, en ook wij mannen van de linkervleugel met de opsluitende Korporaal De Valk ( mijn kameraad ) die geen schuld hadden. Maar zo is het altijd, ook in de dienst. De goeden moeten het met den kwaden bekopen. Toen het zweet overal was doorgekomen, werd verzamelen geblazen en marcheerden we naar de school. Korporaal De Valk, die helemaal geen schuld trof, moest drie pas achter den troep aankomen. Later heb ik hem daarmee geplaagd.

De avonden brachten we door in het Tehuis, consistoriekamer van de Gereformeerde Kerk. Verschillende jongens van de Jongerenvereniging waren daar tegenwoordig om het ons op verschillende manieren, zo aangenaam mogelijk te maken.

We hebben dan hier in Axel meer avonden dan in Sluis gehad.

Een paar dagen geleden, is mijn geliefde jarig geweest en kon op mijn gemak in de hoofdwacht op den dag voor haar jaardag haar een grote brief schrijven.

God geven mijn lieve An, dat we dien dag nog dikwijls mogen samen beleven, maar dan in tijd van vrede, Laten we onze vertrouwen in Hem stellen in Jezus Christus. Hij zal ons niet begeven en verlaten, en die op Hem vertrouwen zullen niet beschaamd worden,

Bij het middageten zetten we onze tafel en banken buiten op straat en aten dan ons middagpotje in de buitenlucht.

Voordat dan de bidons op tafel kwamen, werd gezongen dat het een lust was, daarbij met lepel of vork getrommeld op onze eetketels en hadden de grootste pret.

Soldaten zijn precies te vergelijken met kinderen. Wat de een doet, moet een ander achterna doen. Lacht een soldaat, dan lacht heel de Compagnie.

Niet altijd zij de soldaten eender. Zo lang de stemming goed is, gaat alles naar wens.

Is dat andersom, dan kunnen er verschrikkelijke dingen gebeuren.

Toen een soldaat na de middag soldij ontvangen had en ’s avonds dronken thuis kwam, pakte hij een patroontas met 60 patronen en wierp die in een brandende vulkachel,

Wat een snelvuur hoorden men na enige ogenblikken, op een minimum tijd hadden, allen die kwamen, verlaten en zochten voor kleinen tijd beter veiliger schuilplaats.

Die man werd nog beter schuilplaats aangewezen, brandvrij en zonder licht.

Drie dingen waren uitstekend. De sluiting, slaapplaats en soep.

Het begon allemaal met een 8.

Als bijzonderheid wil ik nog melden van de schooljongens van Axel, die nu vrijheid van beweging genoten, nu wij de school hadden ingerekend. Dat ze precies aan de andere kant tegenover onze schildwachten, ook hun posten plaatsten.

Die daar twee uur achtereen schilderden met een houten geweer en houten bajonet of sabel. Trouw stonden ze van ’s morgens 6 tot ’s avonds zes uur op wacht en op tijd werden de posten afgelost.

Van middag ontvingen we een order dat de 2e  Sectie, zich klaar moet maken voor vertrek naar Hulst, ter versterking van de 4e Compagnie 2e Bataljon 142e Infanterie te Hulst.

19 september 1914

Om drie uur na middag stonden we aangetreden, met de 2e Sectie onder Commando van Luitenant Peek.

De gehele dag had het geregend en het viel lang niet mee om te verhuizen, doch in den militairen stand wordt met het weer geen rekening gehouden.

Onze Sectie commandant Sergeant Willemsen, geleidde ons naar den trein.

Toen we eenmaal in den trein gezeten waren, zagen we na een half uur sporen, die mooie wallen van het oude Historische stadje Hulst.

Vanaf station ging het in de pas door de Gentse Poort naar het Stadhuis, waar onze Sergeant onze Sectie presenteerde aan de Commandant van de 4e Compagnie, Kapitein Mothold de Jongh.

Na afloop hiervan werd onze slaapplaats aangewezen in de Gemeente School, juist achter het stadhuis. We liepen de trap op en ik de eerste kamer links werden onze slaapplaatsen aangewezen.

Het zag er wel iets netter uit, om reden, het stro dat op den grond lag uitgespreid, binnen manslengte, vanaf weerszijden opgesloten werd door een brede plank op zijn kant gespijkerd, op de vloer.

Er bleef in ieder geval een doorgang over, waar we onze schoenen konden uittrekken en neerzetten. We waren erg koud aangekomen en velen met mij maken plan te gaan maffen.

Korporaal De Valk heeft zijn plaatsje naast mij gekozen en zijn afgesproken dat we onze dekens samen gebruiken, dan hebben we dubbel deksel. Onze overjassen hebben we ook klaargelegd om over ons heen te leggen.

Allemaal roepen we man voor man wel te rusten toe en dromen dan nog over velen die we in lang niet meer gezien hebben.


6: Hulst, bombardement op Antwerpen

1 oktober 1914

Enige dagen zijn reeds verlopen, sedert ik mijn dagboek vervolg,

Den eerst wil ik iets schrijven omtrent mijn kantonnementsplaats.

Te midden van zijn buitengewoon hoge wallen, omzoomd met dikke bomen, wier kruinen zich statig omhoog verheffen, ligt het stille stadje Hulst.

Thans bewaakt door schildwacht aan zijn poorten.

Dubbel – Gentse en Begijnenpoort.

De Protestantse en Katholieke kerk is aan elkander gebouwd, onder een dak en vormt een prachtig geheel met zijn mooie toren, die te midden uit gebouw zich omhoog verheft.

Op het Oude Stadhuis is het bureau van de 4e Compagnie en zetelt de Kapitein met zijn bureaupersoneel. Onder de trappen van het Stadhuis is de hoofdwacht genesteld.

Van daar uit worden de posten om de 2 uur afgelost, die aan de poorten op schildwacht staan. De dienst is hier niet voor de poes.

Om de 24 uur moeten we op wacht, waar we 12 uur van op post staan.

De dag die we vrij van wacht zijn, moeten we patrouille diensten doen, langs de grens.

Die soms 4-5-6 uur aanlopen.

Om zes uur ’s morgens is het reveille, zeven uur appel bij de keuken.

Daarna ontving ieder zijn kuchje met boter en koffie.

Bij goed weer aten we ons brood op rondom de keuken ( die in de manege stond op de wallen, niet ver van de Begijnenpoort richting Dubbelpoort.

Na het ontbijt stelden we ons op in een grote kring, rond de aardappels, die in tussen gereed werden gelegd door de koks, en begonnen dan te jassen.

In tussen zonen we dan soldatenliederen, treurverzen, over moeder thuis, die nu zo oneindig ver weg scheen, maar bij ieder soldaat na aan het hart lag.

Om acht uur appel voor den dienst.

En maakten patrouillediensten langs de grens van Nieuw-Namen, Clinge, Kapellebrug, Sint Jansteen en Heikant tot Sint Andries.

Bij een zo’n patrouille zei ik tegen een kameraad, die naast mij in het gelid liep, terwijl een zwarte onweersbui een scheidingslijn vertoonde op de grens van België aan het firmament. Nu kun je goed zien waar België is. Met een onwetend gezicht zei hij dan daar altijd donker. Zo leerden we op ons duimpje het terrein mat zijn sparrenbossen en begroeide randen kennen. Overal passeerden we onze schildwachten die op grenswacht stonden te posten. Tevens het kanonnengebulder van uit de verte dat dag voor dag nader kwam in de richting van Antwerpen.

Om 2 uur waren we meestal weer thuis en konden dan uitrusten tot 5 uur.

Op dat uur werd middag appel gehouden en tevens den dienst uitgemaakt voor de volgende dag. Na het middageten werd wachtparade gehouden en op klokslag 6 uur kwamen we weer voor 24 uur op wacht.

De oude wacht rukte in, en de posten werden uitgezet.

De burgers zijn best voor de soldaten. Menig kopje koffie, thee, chocolade, tot zelfs soep wordt ons op post gebracht. De nachten zijn koud en wanneer dan alles in diepe rust ligt, horen we door het zachte ruisen van de bomen van de wallen en het kabbelende water uit de veste, nader komend gerommel en gedonder van het geschut der Duitsers die Antwerpen bezig zijn te omsingelen.

Zodra we afgelost worden, zitten of liggen we in de wacht en slapen onder onze overjassen op een bank of op de grond.

Overdag schijven we brieven naar huis en geliefden.

Nu de wacht weer geëindigd is, zitten we in het militairtehuis of in het Patronaat waar de dominee of kapelaan zich bezig houdt met de soldaten.

Sinds ik in Hulst ben, heb ik menigmaal de wallen rond gelopen, die er nog keurig en onderhoudend uitzien. Het is nu laat op den avond en verlang naar de school te gaan slapen.

14 oktober 1914

Het is op het ogenblik eigenlijk te druk om in mijn dagboek te schrijven, maar nu ik enige tijd heb, wil ik die niet voorbij laten gaan.

Veel hebben we meegemaakt, wat mij tot in mijn laatste levensdagen wel fris in het geheugen zal bij blijven.

Zoals ik reeds vooraf geschreven heb, waren de Duitsers sinds 10 oktober bezig de onneembare forten van Antwerpen te omsingelen. Iedere soldaat en burger voelde zich veilig in die stad. Dat bleek echter anders te zullen worden:

Fort voor fort viel in Duitse handen en kwam de vesting aan de beurt. Op 7 oktober begon men de stad te bombarderen, met zwaar geschut. Het was een oorverdovend leven en men voelde de grond onder de voeten dreunen. Die zelfde avond waren we met drie soldaten in de buurt van de toren en zagen dat een onzer officieren naar boven ging om van bovenuit de beschieting te kunnen gadeslaan. Stilletjes gingen we hem achterna ( want de deur was open gelaten ) en toen we bijna boven kwamen, stuurde hij ons terug. We waren niet voor een gat te vangen en bij het terug keren kwamen we bij een deur die toegang verschafte naar de kerkgoot, die een meter breed scheen. We liepen daar in en legden ons tegen het dak aan, waar we bleven liggen kijken tot dat de torenklok zijn elf doffe slagen deed horen. Toen hadden we op dat ene uur zoveel gezien en keerden naar de wacht terug. Wat we zagen? Een vuurmassa en dan grote cirkelbeschrijvingen van vuurmassa’s uit de dikke Bertha’s ( 42cm kanonnen ) die zodra ze de grond schenen te komen een uitbarsting ten gevolge had. Twee dagen achtereen duurde dat onophoudelijk voort, en toen moest de stad zich die inmiddels onder Engels beheer stond en op het laatste moment versterkt werd door 5000 Engelse matrozen, die veel te laat kwamen, zich aan de Duitsers overgeven. Stromen van Belgische vluchtelingen kwamen de grens over, tevens vele Engelse en Belgische militairen.

Allereerst iets over de vluchtelingen zelve,

We stonden, schrijf van de lichting 6 van Ovezande en mijn persoon, op dubbelpost aan de Gentse Poort, toen we een dichte massa mensen zagen naderen van de richting Clinge en Sint- Jansteen; de eerste linie waren ze reeds gepasseerd en nu naderden ze met stuk gelopen voeten het stadje Hulst. Blij dat ze hier werden binnen verwacht om liefderijk te worden ontvangen. We stonden beiden met tranen in de ogen en zagen de arme stumpers die alles hadden verlaten met het vege lijf aankomen. ( alles verlaten? Neen ) Moeders met zuigelingen, Vaders met knaapjes op de rug, oude mannen en vrouwen, jonge meisjes enzovoort. De een had een koetje, een ander een paard, sommigen hadden een hond en kat. En al slepende kwamen ze nader en dichter en toen ze ons zagen, ging daar bij sommigen nog een rilling door de leden en met schuwe blikken staarden ze ons aan. Onder hen waren er ook die onopgemerkt ons toe riepen met “Kaaskop” Probeerde je zo iemand te ontdekken, dan was alles stil.

Hun getal steeg naar schatting zo rond de 200.000 vluchtelingen, die deels in de stad bleven en ook anderen trokken steeds voort van het ene dorp naar het andere.

Nimmer gerust, want de schrik bleef er in.

In middels werd van militairen en burgers alles in het werk gesteld om de mensen zo goed ze konden te ontvangen. Grote voeren stro werd op het Marktplein en in de kerk gebracht. De muziektent werd volgepropt met oude mannen van 70-80 jaar, ik zie hen nog duidelijk voor mijn geest, op de vloer liggen.

Ze hadden alle lage klompjes aan met leren riemen er overheen gespijkerd. In een wijde boog met hun voeten naar het midden, lagen er ongeveer 70 stuks naast elkaar.

En allen waren blijde een veilig onderdak te hebben. Met grote zeilen omwonden we de muziektent, tegen koude en regen. Velen lagen er op het Marktplein in de open lucht. Mijn kameraad Manneke nam een knaapje van ongeveer 7 jaar, dood van een kruiwagen, terwijl ik sinds 2 vrouwen hielp ver transporteren naar het ziekenhuis, die te midden van grote ellende nieuwe wereldburgers tevoorschijn brachten.

Volgens er verteld werd, waren er dik twee dagen van de vlucht ongeveer 50 kraamvrouwen.

Geheel Antwerpen met de bewoners van de omliggende gemeenten hadden hun toevlucht gezocht op Hollands grondgebied.

Bij al die lieden, waren er brave mensen, maar ook minder brave.

Gevangenissen en Huizen van Ontucht waren opengezet en ook die mensen kwamen gelijk de anderen.

Ik met Valk waren altijd, wanneer we maar een ogenblik tijd hadden, bij elkaar en toen we naar de keuken gingen bikken, ontmoeten we twee vrouwen die toen ze ons zagen, begonnen te schreien. We vroegen iets voor hen te kunnen doen en hadden graag ons kuchje willen geven. Van dat alles moesten ze niets hebben, maar ze weenden omdat hun mannen in de oorlog waren en nu alleen stonden.

Wij probeerden hen op te beuren en toen dachten ze hun kans te wagen.

We vroegen hen mede te gaan naar de keuken, maar ze zeiden gaat met ons mede, wij hebben geen man.

Direct maakten we rechtsomkeert en dankten God, die onze schreden richtte, omdat we in gehoorzaamheid onzen weg volgde met een rein lichaam.

Ook onze kamers en gangen van de school waren volgepropt met vrouwen en kinderen. Ik kon niet aanzien, dat al die vrouwen en kinderen zo maar op de koude stenen en planken sliepen, haalde daarom al de dekens van onze soldaten en spreidde ze over die schaapjes heen, die anders in een warm bedje lagen.

Nu iets omtrent de militairen,

Zodra Antwerpen in Duitse handen was, begonnen de Belgische soldaten zich terug te trekken achter Den IJzer. Op dien terugtocht kwamen duizenden naar de Hollandse grenzen, waar ze door onze soldaten werden geïnterneerd. Hun wapens moesten ze overgeven en met grote transporten van 1000 tegelijk werden ze binnen de wallen van Hulst verzameld, waar ze tevens in de Nederlandse Hervormde Kerk een onderdak vonden, die inmiddels werd klaar gemaakt door de bezetting van Hulst.

Allereerst kwamen de Engelse matrozen, 2000 stuks, die rechtstreeks in gereedstaande trein bijeengebracht. Bij het binnenkomen kon men de angstige blikken gadeslaan op hunne aangezichten. Nu was dat bij velen ook weer dadelijk over, want zodra ze zich veilig waanden, hingen ze hun ransel af, stelden zich op in een kring en begonnen een boompje te kaarten. Aan Kapellebrug gaf een Kolonel zijn sabel over aan den op post staande schildwacht en met hem een gehele Brigade Infanterie. De geweren lagen gestrooid langs de grens. De Duitse Ilianen zaten hun na met machinegeweren en schoten zo hevig op de vluchtende Belgen, dat velen nog den dood vonden op enkele meters van onze posten, die met de Hollandse Driekleur het teken gaven, dat ze op met vuren ofschoon er toch veel kogels over onze hoofden waren gefloten. Verschillende wachten hadden dan ook loopgraven gemaakt en vuurdekkingen waar de manschappen dekking achter vonden en zochten.

Terwijl een onzer officieren in gesprek was met majoor Arnoldi een majoor der Belgen op de grensscheiding. Nam laatst genoemde zijn revolver tevoorschijn en schoot zich dood op de plaats waar hij stond. Een paar dagen later werd hij met militaire eer bij ons begraven. Ik maakte deel uit van het vuurpeloton.

Toen alle soldaten zich op die dag in Hulst verzameld hadden, werd ’s avonds 9 uur de Hollandse en Belgische Taptoes geblazen, op verschillende plaatsen binnen de stad.

Vriendschappelijke gesprekken werden gehouden met de Belgische soldaten.

Allerlei wapens bv. Lansiers,  Gides, Carrebeniers Kamzomen te voet en te paard  Piotten enzovoort. Als aandenken sneed ik bij velen de knopen van hun uniform, een veldfles en kwartiermuts kreeg ik tevens als aandenken. Bovendien had ik nog in bewaring gegeven bij een der burgers een Frans, Engels en Belgisch bajonet.

Den zelfden middag kwam ook het vaandel binnen van het 7e  linieregiment waarvoor we de wacht in het geweer kwamen om met gepresenteerde geweren eerbewijzen te doen.

Den zelfden nacht brachten we de Engelse matrozen, emmers bruine bonen, van uit de keuken. Terwijl ik met twee grote emmers bruine bonen in een coupe van de trein ging, waar 10 matrozen in lagen te slapen, riep ik jongens “Bonen: waarop alle gelijk hielpen, beun, beun, namen de baret van het hoofd en hielden om beurt bij.

In middels schepte ik met een grote lepel van uit de emmer in hun baretten.

En begonnen daarop te eten dat het een lust was aan te zien.

De jongens waren zo blij, dat ieder mij de hand drukte.

In tussen hadden we zware dienst. We waren in die tijd in 4 dagen en 3 nachten niet uit de schoenen geweest en moesten voortdurend op post staan. Twee uur op en twee uur af. Op den dag ging dat beter dan ’s nachts, dan waren we zo slaapdronken, dat we van de wacht naar post gearmd voort sukkelden en het is dan voorgekomen dat we de posten, in plaats van staande, in zittende of liggende houding vonden.

OP de dag hadden we nog meer dienst dan ’s nachts. Met die over grote drukte waren er Comités opgericht met verschillende gaarkeukens om de vluchtelingen van voedsel te voorzien. Ook daar moesten we op post staan, juist in den tijd dat we 2 uur vrij waren. Bij zo’n gelegenheid kreeg een schildwacht het kwaad met de Belgen, nam zijn geweer en stak een Belg met zijn bajonet, dwars door zijn arm aan de muur.

Die soldaat heette Leunis Olree, geboren te Ouwerkerk ( Zeeland ).

In die grote vlucht, hadden ook wij niets te bikken dan bruine bonen. Nu was dat geen bezwaar, want het is goed eten. Op den duur is brood beter om vol te houden.

Daar kwam ik op een eigenaardige manier aan. Ik werd gecommandeerd om Heerse ( geboren te Colijnsplaat van mijn lichting ), af te lossen, die post stond voor een bakkerswinkel. Men had daar de consignes de mensen van voor de deur te houden, opdat ze de zaak niet zouden leeg plunderen. Toen ik hem afloste vroeg hij, wat moet jij hier doen ( want hij stond pal tegen de muur, helemaal ingesloten, zonder een vin te kunnen verroeren en was daarbij, zo blij, dat hij werd afgelost. Ik zeg tegen hem” ben je daar zo groot van gegroeid, met een spruit in je handen?” Hij ging af en ik kwam op post. Trok den grendel open en stak 5 patronen in het magazijn van mijn geweer, keek een weinig nors en maande de mensen aan een beetje achter uit te gaan. In plaats van achteruit kwamen de achtersten en drongen de voorste op en daar er zo ongeveer 400 voor den winkel stonden, maanden hen nogmaals achteruit te gaan.

Ook dit hielp niet, nam daarop mijn geweer bij de bajonet en sloeg over de eersten heen, naar de achtersten met de kolf van mijn geweer. Direct kreeg ik vrijheid en nu had ik heel de stoep, om me heen en weer te lopen.

Gedurende die 2 uur had ik van niemand last. Enkele Belgen vroegen mij of ik voor hen een brood wou kopen, dan kon ik een rijksdaalder krijgen. Ik zei neen, die eerst komt die eerst maalt, en ook zij moesten hun beurt afwachten. Nu waren die mensen uit de winkel zelf niet erg prettig gestemd, tegenover ons soldaten, maar toch waren we goed genoeg hen te bewaken. Ik ging na afgelost te worden door Manneke, van Sint Maartensdijk het huis binnen, liep rechtstreeks naar de keuken en beval de vrouw des huizes mij 4 boterhammen te snijden met nog een schelletje kaas bovendien.

Ik plaatste daarbij de kolf van het geweer op den grond en zij keek mij een beetje vreesachtig aan, begon daarop direct aan mijn verzoek te voldoen, of goedschiks of kwaadschiks. Ik begon daarop lekker ( geweer tussen de knieën ) te bikken.

Na afloop zei ik haar, dat iedere aflossing hier kwam eten.

Of velen het nagevolgd hebben weet ik niet, een paar dagen later was het ook niet meer nodig.

Bij een volgende keer werd ik gevraagd naar het Hospitaal te komen, om een Engelsman een eindje te verleggen op zijn krib.

Daar lagen verschillende gewonden bijeen, Engelsen, Belgen ( en ook een Duitse Spion ) die door een schildwacht ( M. Aalbregtse , geb, Aardenburg ) van de Dubbelpoort was aangeschoten.

Aan al die drukte is ook weer een eind gekomen.

Gisteren en vandaag zijn de geïnterneerde Belgen vertrokken, om door gezonden te worden naar de Interneringskampen in Holland.

Ieder uur van den dag, vertrokken er 1000 tegelijk, zodat op 13 en 14 oktober alles vertrokken was, behalve de manschappen van de treinafdeling, bijvoorbeeld:

Compagnie karren, keukenwagens, foerage wagens, auto’s, enzovoort.

Die mensen hadden buiten de Bagijnpoort hun kamp op een grote weide, rechts van de weg.

Na het vertrek der soldaten, komen de vluchtelingen aan de beurt om verder naar alle oorden van Holland heen gezonden te worden. Zo zijn die dagen waar in we zoveel ellende gezien en gehoord hebben voorbij gegaan.

Aan Hem de eer en dank toegebracht, die ons versterkte en kracht schonk om te doen wat onze hand vond te doen.

Hij spaarde ons voor zulk een leven gelijk die arme Belgen, sinds enkele dagen hebben beleefd.

Ik houd er voor van avond mede op, want ik kom toch niet klaar met schrijven.

21 oktober 1914

Nu alle geïnterneerden en vluchtelingen vertrokken zijn, hebben we andere dienst gekregen.

De wacht gaat steeds door, maar de patrouillediensten zijn vervangen, door te werken aan de uitrusting van de Belgische soldaten. Duizenden en duizenden geweren zijn aangevoerd, van de grens en opgestapeld voor het Stadhuis.

Terwijl ik post voor het geweer was van de Hoofdwacht, liep ik tussen twee rijen geweren die rechts gericht waren opgestapeld, over een lengte van ongeveer 60 meter en hoog 2 meter.

Benevens dat lagen er hopen ransels en andere uitrustingsstukken. Terwijl op den hoek van stadhuis een grote hoeveelheid patronen op een hoop bij elkander lagen. Ook een aantal auto’s waren mede geïnterneerd, dit  ten spijt van mijn vriend Manneke.

Toen ik hen ’s nachts af ging lossen, was hij in een der auto’s gekropen ter bescherming van geen nat pak te krijgen, van de stromende regen. Een luitenant van Piket, beviel zulks niet en rapporteerde hem aan de Commandant, die hem voor dat fijt, 4 dagen provoost schonk.

Sinds men bezig was de geweren aan te voeren, werden die door ons ontladen.

Daar waren Belgische, Franse en Engelse geweren. Terwijl een soldaat van Sint Philipsland Neele, daar mede bezig was, hield hij het geweer in plaats van rechtshandig met tromp naar omlaag ( geweer / Kanonmondstuk ). Had 5 patronen uit een Engelse spuit gehaald, trok al met dat gevolg, dat een Belgische soldaat, door beide dijbenen door schoten werd en tevens den burger door een pink. In plaats dat er 5 patronen in het magazijn gaan, zoals bij onze geweren, zaten daar 10 patronen bij elkaar.

Toen alles van de grens binnen Hulst was aangevoerd, moest opnieuw alles worden opgeladen, om vervoerd te worden, naar Axelse Sassing, waar alles in gereed liggende schepen werd geborgen om doorgebracht te worden naar Delft. Waar alles weer gelost en bewaard werd. De patronen op den hoek van het Stadhuis heb ik met een schop helpen opladen op zogenaamde Brabantse karren.

Toen alles weg was, als ook de opgeslagen tenten op de Markt, hadden we weer ruim zicht.

Op zekeren nacht, het was omstreeks 2 uur, dat ik Machiel van de Hoek van Sint Maartensdijk afloste.

Voor Stadhuis; brak tijdens ik op schildwacht stond een zwaar onweder boven mijn hoofd los.

Ik had geen schilderhuisje en kroop voor de stromende regen, achter de muziektent. Grote zware donderslagen met bliksemstralen, losten elkander stelselmatig af. Het duurde ruim anderhalf uur lang en kon haast geen beschutting vinden, dan achter de muziektent, mijn bajonet had ik van mijn geweer afgenomen ( een gebruik dat toegestaan en op aangedrongen wordt ). Het was omstreeks half vier, toen ik iets hoorde naderen van om den hoek van stadhuis, maar kon niet onderscheiden bij licht van de brandende lantaarn wat het was.

Het schommelde en het bleek tevens een levend wezen. Ik riep Halt, wie daar ? waarop ik hoorde met zachte stem, Schildwacht, ik heb al dien tijd sinds je op post stond aan je gedacht en kwam je vragen of ik je dienen kan met een potje koffie? Het was een vrouw die aan beide zijden kreupel was. Ik zeg, als ’t u belieft moeder en maakte daarbij een opmerking dat ik van haar weder kreeg, zonde maakte om zo in zulk weer op dit ongewoon uur naar hier te zijn gekomen. Toch was ik dankbaar gestemd en terwijl ze heen ging, dronk ik mijn keteltje koffie uit, daarbij had ze mij nog een pakje boterhammen overhandigd met hoofdkaas er tussen gelegd en begon alles smakelijk te nuttigen. Wat mij wel het meest trof, was dit: ook niet vergeten te worden van de Nederlandse burger en dan in het bijzonder, een vrouw die aan beide zijden kreupel ging.

Toen ik weer vrij van wacht was. Op zekeren morgen werd ik gecommandeerd als geleider dienst te doen op een Belgische foerage wagen, ten einde etenswaren te halen op Walsoorden, met bestemming voor de vluchtelingen te Sint- Jansteen. Mijn Luitenant, gaf mij twee Walen mede en daar ik beiden niet kon verstaan, vroeg ik een Vlaming er bij om onderweg een praatje te maken.

Bij aankomst Waloorden melde ik mij, bij den Burgemeester en gaf hem een gesloten enveloppe over, waarop ik als antwoord ontving, dan moet je nog maar 2 uur wachten.

Onmiddellijk vroeg ik den Burgemeester om stalling voor de paarden en eten voor onszelf.

Een Marechaussee werd met de paarden belast en een ander bracht ons bij een vrouwtje waar we met z’n vieren juist rond den tafel konden plaats nemen.

We dronken eerst een heerlijk kopje koffie en het begon toen aan een groot zes ponder te snijden, waarvan ze elk sneetje smeerde met heerlijke boter. Tegelijkertijd begonnen wij te eten.

En toen ze er mede klaar had, waren ook wij bezig de laatste hapjes te nuttigen van de restanten. We hadden lekker gegeten.

Op aangewezen tijd 12 uur op den middag, stonden we aan de haven, waar we van uit een schip lande Hollandse brood en bakens spek mee kregen voor Sint- Jansteen.

Onderweg vroegen de Walen of ze een stukje spek mochten hebben, waarop ik toestemmend knikte, namen hun zakmes en begonnen een flinke reep rauw spek uit hun vuistje op te eten.

Omstreeks 6 uur melde ik mij bij den Burgemeester van Sint- Jansteen, waarvan ik als antwoord kreeg, begin maar te lossen. Ik zeg Burgemeester we hebben sinds van middag niets te bikken gehad en U zorgt dat we wat te eten krijgen. Bovendien nam ik drie burgers bij hun kraag en belaste hen onder toezicht van den Gemeenteveldwachter met het lossen.

De burgemeester bracht ons in de dorpsherberg, waar we aten en dronken naar genoegen.

Na afloop reden we naar huis en kwamen ’s avonds 9 uur in Hulst aan.

Een paar dagen later ontving ik opdracht van Kapitein Mothol de Jong als geleide plaats te nemen naast een Belgische chauffeur met achter in de auto twee Franse dames ten einde deze over te brengen aan de Commandant van de 3e Compagnie, 2e Bataljon 14e Infanterie, Kapitein van Dijk. Daar de weg van Hulst, Drie Schouwen naar Sas van Gent bijna recht is, begon de auto, hoe langer, hoe harder te rollen met zo’n snelheid dat hij niet harder of vlugger meer kon. Waar op tot mij de vraag kwam ”Kan het niet vlugger” waar op als antwoord kwam:

Neen vlugger kan het niet ”Dien Belgische Soldaat dacht mij bang te maken en daarop ik ze bij de eerste maal dat ik in een auto reed, op die wijze kneep ( bang was ) liet ik het hem niet merken. Heelhuids kwamen we in Sas van Gent bij Kapitein van Dijk.

En toen ik die dames overbracht, vroeg de Kapitein: Soldaat heb je al eten gehad? Waarop ik naar de keuken verwezen werd. Ik zeg tegen den Belgische Soldaat, vraag aan die dames om een warm maal in het café, waar ze zaten. Zo gezegd, zo gedaan en het liep alles mee.

We aten naar genoegen, want van uit de Soldatenkeuken, had ik al zo dikwijls en zullen we no zo menigmaal moeten eten. Na den maaltijd, nam ik plaats van achter in de auto en liet mij brengen naar Axel, bij mijn Compagnie Commandant Kaptein Gauwe 2-II-14 Regiment Infanterie, waar ik den chauffeurs auto overdroeg.

Verder werd mij vrij vervoer verstrekt op het bureau, per trein van Axel naar Hulst.

Waar ik mij ’s avonds melde op het bureau van de 4e Compagnie.

De laatste dagen ben ik oppasser van Luitenant Jeek. Maar mijn wacht moet ik waarnemen, overigens ben ik vrij van dienst. ’s Morgens 8 uur ga ik naar zijn Kwartier ( ingekwartierd bij den deurwaarder Poppe ), kom dan in den keuken, bij de 2 dienstmeisjes en vraagt dan na eerst vriendelijk “Goede Morgen” gezegd te hebben, of ze de schoenen van de Luitenant al gepoetst hebben en mogen ze pas aan de mijne beginnen.

Waren ze dan daar ook mede klaar, begonnen we gezamenlijk met ons drietjes een lekker bakje koffie of chocolademelk te drinken. We konden het uitstekend met elkander vinden.

Vooral als ik niets meer moest doen, dan knopen en sabel poetsen, dat was mijn werk, daarna ging ik een toertje rond de wallen lopen of ging naar mijn vriend ( Hendrik de Breuck ) even buiten de Dubbelpoort. Deze vriend leerde ik kennen sinds ik op post stond en waar ik menigmaal een genoeglijke avond heb doorgebracht in den huiselijke kring onder de heerlijke klanken van het orgelspel.

25 oktober 1914

Het is Zondag vandaag. Gisteravond ben ik voor 24 uur op wacht gekomen, zodat ik mijn uren weer op post en in de wacht moet doorbrengen.

Het is nu 10 uur in den voor middag en tijd om af te gaan lossen. ( Wij Ter Poorten uit Middelburg en mijn persoon ) gaan naar de Dubbelpoort op post.

Na 20 minuten heen en weer gelopen te hebben, ontdekte ik brand in een boerenschuur, ongeveer 100 meter van de Dubbel poort

Ik liet direct mijn nevenman naar de wacht gaan en gaf tegelijk aan een burger die op de fiets voorbij reed, order naar stadhuis te gaan om de brand te melden, in de nabijheid van de Dubbelpoort. In tussen was men op de hoeve al bezig het vee los te maken en uit de stallen te drijven. Zodra den brand in de wacht gerapporteerd was, hoorde ik den hoornblazer, verzamelen in de looppas blazen en op de appelplaats voor het Stadhuis present.

De brandweer mannen hadden slangen aangelegd over de wallen naar de veste, maar bleek te kort van lengte. Bovendien was het toestel ook nog defect.

Onmiddellijk werden Belgische auto’s,  met geïnterneerde chauffeurs aan den gang water aan te voeren en zag ik de soldaten, Hollandse en Belgische, in vollen gang met het bluswerk.

Verschillende manschappen zaten op dek en in de goot en gaven zo elkaar water aan.

Het was een lust om te zien, hoe al de jongens hun best deden. En de burgers? …deden niets.

Het gebouw zelf brandde geheel af. Doch de belendende gebouwen bleven gespaard.

Drie schuren branden af.

4 uur achtereen stond ik tijdens den brand op post. Ik heb het er lang genoeg van vandaag met al die grote drukte en ben blij dat ik kan gaan maffen.

29 oktober 1914

De laatste dagen hebben we gewone uitrukkende patrouillediensten gehad.

Ik zelf met nog enkele soldaten zijn noodtimmerman geweest en hebben gezamenlijk een ziekenbarak geplaatst op de wallen, rechts van de Bagijnpoort.

De stijlen waren van hout en het omhulsel van asbestplaten.

Heden middag kwamen we van patrouille op het marktplein aan gemarcheerd, onder leiding van Luitenant Peek. Beneden aan het stadhuis stond Sergeant Majoor Administrateur Kesteloo en riep mij uit het gelid, om op het bureau te komen. Ik zeg tegen mijn Luitenant, hoor hem roepen, maar ik liet hem roepen.

Toen links uit de flank gecommandeerd werd. Zet af het geweer, riep hij mij nogmaals te volgen, doch gaf geen gehoor en liet hem eerst behoorlijk naar mijn Luitenant te gaan.

Die toen daarop zei, Wandel uittreden. Ik volgde hem op de hielen, hij zij mij het mopperende voorgaande, kon ik mij beet voorstellen, wat volgen zou.

Daar alle manschappen van de 4e Compagnie met verlof hadden geweest. Kwam de beurt aan ons. Enkelen kregen na herhaalde verzoekjes de Kapitein te spreken ( welke verzoekjes allen door mij werden geschreven ) geen gehoor.

Nu schreef ik voor mijzelf een verzoek, maar kreeg ten antwoord, Zo, bent U die man, die altijd verzoekjes schrijft. Waarop door mij volgde, Jawel Kapitein.

Kapitein: Nu, je verzoek wordt niet ingewilligd, dank je wel. Een teken voor mij, dat ik gaan kon. Direct schreef ik een verzoek aan den Bataljon Commandant, Majoor Ring te Axel en vroeg een paar dagen verlof ( zonder rekening te houden met den hiërarchieheenweg ) dit nu was het geval, dat ik door Sergeant Majoor werd geroepen en hem volgde naar het Compagnie Bureau.

Bij aankomst:
Kapitein          U is Wandel, militair soldaat.
Soldaat           Jawel Kapitein
Kapitein          U hebt verlof gevraagd bij den Majoor, Waarom?
Soldaat           Omdat ik na herhaalde aanvragen van anderen en ook van mijn persoon, geen gehoor kreeg, Kapitein.
Kapitein          soldaat ik mag je straffen met 4 dagen provoost, is dat goed?
Soldaat           Best Kapitein, als u daar recht van heb.
Kapitein          Ik zal het ditmaal niet doen, vind je dat goed?
Soldaat           Goed Kapitein

Daarop kon ik vertrekken. Alle overige soldaten van onze Sectie stonden den uitslag af te wachten en vertelde hun mijn wedervaren bij den Kapitein.

Zie zo jongens, nu een eentje lappen en gaan dan meteen zien of Hare Majesteit onze Koningin niet meer op ons gesteld is.

Gezamenlijk maakte ik een telegram inhoudende 102 woorden ( Regeringstelegram dat koste ons te samen f 1,02 ( een gulden en twee cent )

Met vriendelijk verzoek of H.M. onze wens ( die na herhaalde aanvragen op het bureau, nimmer werd vervuld ) bij U Majesteit ingang moge vinden en ons alzo in de gelegenheid te stellen geliefde betrekkingen na 24 weken afwezigheid een bezoek te brengen.

Met ondertekening van 11 of 13 soldaten.

Wij waren immers onderdanen van Land en Koningin, die toch in tijd van elke omstandigheid ook hun recht mochten zoeken.

Wij gingen een wachtende tijd tegemoet. Het scheen op het Bureau al bekend te zijn.

Waarop heden avond:


7: Vertrek naar grenzen van de Prosperpolder

30 oktober 1914

Om 8 uur stonden we met veldtenue ( deken achter de klep van de ransel ) voor het Stadhuis aangetreden onder leiding van Sergeant Willemsen.

Na de inspectie van de Kapitein Mothold de Jong, vertrokken we naar de Prosperpolder, Gemeente Clinge, nog een uur achter Nieuw-Namen.

Het was een militaire wandeling van ruim drie uur gaans. We hadden zo ongeveer een uur gelopen, toen we wagens ontdekten, die dezelfde richting volgden, welke ook wij te gaan hadden. Wij riepen gezamenlijk zo hard we konden en bleven toen staan om op ons te wachten. Verschillende soldaten dachten eerst te komen, toen ze dwars een stuk bouwland overstaken. Wat hun echter niet lukte, wok waren hun nog voor en zaten al op de wagens toen zij nog over het land liepen. Het had ’s nachts geregend en daarom moeilijk begaanbaar.

We reden mede tot Nieuw- Namen, waar ze nog nagekomen geweren moesten opladen om naar Hulst te brengen. Het waren Belgische soldaten, die dat werk deden onder toezicht van onze soldaten. Van Nieuw- Namen marcheerden we verder naar de plaats van bestemming, waar we omstreeks 12 uur aankwamen.

Als onderdak werd ons een boerenschuur aangewezen, van boer Ferket uit de Prosperpolder.

De dorsvloer lag geheel met stro bedekt, meer nat, dan droog en reeds tien weken achtereen beslapen van vorige soldaten.

We vroegen vers stro, doch neen. We moesten het maar doen met wat op de grond lag.

Dat viel echter niet in de smaak en vele soldaten vervloekten dan ook het onaangename verblijf. Waar bovendien de wind vrij spel had door reten en gaten in de deur. Ook de in- en uitgang was niet aangenaam. Dan moest men altijd een koestal en mestputstraat passeren en dat in de tijd dat iedere dag regende.

In elk opzicht waren we bij Hulst vergeleken een heel stuk achteruit en waar de overheid met in ons best verversing van stro had kunnen geven, doch daarin ( om welke reden mij onbekend ) niet heeft voorzien.

Maar boven dat alles, mocht ik met J. Priem van Sint Maartensdijk en een Noord- Bevelands soldaat, die bij ervaring onzer Leidsman kenden. Hem onzer Heiland konden we danken, want zagen we op onze naburen: hoe vele stonden in de loopgraven.

In alle haast werd dan ook een keuken gebouwd, waar de koffie werd klaargemaakt om ons brood op te eten. Want middageten is nog niet gefoerageerd vanuit Hulst.

We hopen dat morgenochtend te ontvangen. Na het eten werden de wachten uitgemaakt.

Een voor de Prosperpolder en een voor de Hedwigepolder, juist op het hoekje van de Schelde.

Ik kom op wacht in de Prosper. We kregen hier als wachtlokaal de keet van boer Ferket.

Met acht man zijn we op wacht en hebben twee posten te betrekken.

Een dicht bij de wacht op een viersprong en de ander op een kwartier uur gaans, toegangsweg naar de grens tussen Prosper en Nieuw- Namen.

Onze schildenhuisjes zijn ruim groot en gemaakt van stro, ze zitten flink dicht in elkaar en ruim om met twee man er in te staan of te zitten op stoelen die we er in geplaatst hadden.

De opening is nauw en gaan er zijdeling uit. Drie uur achtereen stonden we op post, meestal met C. Steendijk van Stavenisse. We hebben den eersten nacht dan ook doorgebracht, zoals het was, maar niet aangenaam.

Het was omstreeks middernacht en waar we beiden zeer moei waren, eerst van den mars en dan in plaats van twee uur, nu drie uur op post en drie uur vrij.

Was Steendijk zo moei, dat ik zei, rust een weinig uit, dan zal ik uitkijken.

Ik ging op mijn stoel zitten. Diep in mijn overjas en keek zo veel ik kijken kon naar buiten, maar het was stik donkeren nacht en kon nauwelijks een geweerlengte voor mij uit zien.

Ik hoorde de Wacht commandant met een patrouille de wacht uit gaan om posten te controleren, maar meer niet. Het schijnt dat ook ik zonder willens en weten mijn ogen verscholen had, want toen ik iets hoorde, sprong ik op eens op en zag voor mij een patrouille onder commando van Luitenant Van Piket Fannuwa uit Nieuw- Namen, die juist van de wacht kwam en nu bij maneschijn duidelijk te herkennen waren ( intussen was het maantje opgekomen ). Opeens riep hij “Schildwacht waarom roep je ons niet dan?

Ik zeg: Ik zie wie jullie zijn. Waarop tot mij kwam. Ik wil hebben, dat je mij aanroept en riep. Halt wie daar? Luitenant van Piket nadert eng. Waar is je kameraad? Ik zeg in mijn schildershuisje en heeft pijn in zijn buik.

Steendijk zulks horende sprong overeind en zei bij navraag van de Luitenant, werkelijk buikpijn te hebben. Of Steendijk buikpijn had weet ik niet, maar wel weet ik dat het zaakje klopte. Nu ging de Luitenant in ons schilders huisje zitten, nam onze namen op en gaf me een standje op Luitenantswijs. Met een omhaal van woorden en we hoorden nog zoiets van je hebt geslapen, straffen, vijand en verder niets want je kon naar dat geraas ook niet blijven luisteren. We waren dan ook maar blij dat hij vertrok en wij werden afgelost.

Om twee uur waren we vrij van wacht en konden lopen naar verkiezen. We misten aan ons tehuis en moesten nu onderdak zoeken in een Estaminet, want nergens anders kon men een kop koffie of onderdak krijgen. Het ergste was, dat we van uit Hulst werden vergeten. Er was tot nog geen brood of middageten gebracht. Waarop wij dan allemaal ons noodrantsoen aanspraken en heb zelf mijn busje vlees opgegeten ( dit wordt zwaar gestraft ), maar dacht, die leeft die zorgt. Dan moeten ze maar zorg dragen, dat we op tijd eten krijgen. ( Naar jet schijnt zijn er nog velen voor gestraft, met 4 of 8 dagen provoost )

Van nacht moeten we slapen op de plaats waar onze kameraden van nacht geslapen hebben.

We zijn hier met 32 dienstdoende soldaten voor de wacht en daar zijn 16 slaapplaatsen voor.

Gelukkig hebben we dan nu ook elkanders deken en liggen nu onder twee in plaats van een deken. We hebben er wel 4 nodig om deze tijd van het jaar, iedere dag regen en overigens niets te wachten. Het dorpje ligt juist op Belgisch grondgebied en waar we ook niet mogen komen van de Overheid en blijkbaar ingerekend zou worden van de Duitsers.

6 November 1914

Enige dagen zijn voorbij, iedere dag gaan of komen we van wacht.

Een paar dagen geleden stond ik op post aan de wacht. Toen een kogel langs mijn oren floot, van uit een geweer van een Duitse patrouille, sterk 3 man, die terwijl ze drijfjacht op hazen hielden erg onvoorzichtig schenen te zijn. Af en toe zien we Duitse soldaten patrouilleren in de verte. Om beurten betrekken we de wacht in de Hedwigepolder. In die uren die we vrij zijn houden we ons bezig met roeien op de Schelde ( waar ik zelf een grote liefhebber en vriend van ben ). Een enkele maal kwam het voor dat we met halve wacht een heel eind met de stroom op Belgisch gebied waren gedreven en hadden moeite om met 2 man tegen stroom op te roeien. Ook voeren we langs mosselvissers van Bruinisse en overal uit Zeeland die op en af de Schelde voeren. Juist op de Scheldedijk, precies op de grensscheiding hadden we een schilderhuisje dat in plaats van rechtop staat, op de grond lag. We konden dan naast elkander liggen op stro en voor ons een bos stro waar ons geweer en wij met onze armen op konden liggen. In tussen lagen we lekker warm opgesteld en hadden een ruim vergezicht over de Scheldedijk, Schelde en bouwland. Om 5 uur toen ik gereed stond af te gaan lopen, kwam een reserve mannetje van de wacht met bericht dat Wandel zich nog dien zelfden avond moest melden in Hulst. Ik ging dan ook direct op stap, kwam om 6 uur in de Prosperpolder, waar ik van Sergeant Willemsen vernam dat een ordonnans ( hulpje van een officier te velde ) van uit Hulst naar de Prosperpolder bericht had gebracht dat verschillende manschappen zich dien zelfden avond nog in Hulst moesten present melden, te einde met verlof te gaan door Hare Majesteit aan ons op verzoek per telegram werd verleend.

Toen ik gegeten had, ging ik naar boer Ferket, vroeg diens fiets, die werd verschaft en reed naar Hulst, waar ik 8 uur in den avond aan kwam.

Onderweg werd ik enkele malen aangeroepen ( want ik reed zonder licht ) door Politie en Soldaten, maar telkens posteren na mij bekend gemaakt te hebben.

Bij aankomst melde ik mij op het bureau waar mij het vervoerbewijs ( verlof ) voor 2 dagen werd verleend. Met deze woorden er aan toegevoegd, Je zorgt dat je hier over 2 dagen terug bent. Morgen hoop ik verder te vertellen.

7 november 1914

Het is mistig weer van morgen en menig verlofganger vraagt zijn kameraad af. Zou de boot varen? Elk antwoord dat men hoort, is van dien aard, varen of niet varen we gaan naar huis.

We zijn met 8 manschappen, de andere 3 marcheren op het appel.

De stoomtram Hulst – Walsoorden staat gereed tot vertrekken en stappen dan ook zo vlug mogelijk in. Binnen een goed half uur staan we op den steiger te Walsoorden. De Provinciale boot is niet aanwezig en het zal nog lang duren voor we met hem naar de overkant kunnen varen. Wachten daar hadden we geen tijd voor en denken dan ook, ( op schildwacht staan hebben we al zo menigmaal gedaan ). We vroegen aan een schipper om ons over te steken, liefst niet te duur en daar er veel vluchtelingen waren, vroegen we hen mede te varen en waren zodoende minder armer als we aan Hansweert aan kwamen.

Ruim 3 uur hebben we gevaren en zagen eindelijk den vasten wal.

Toen naar Vlake per tram en konden binnen enkele minuten vertrekken per trein naar Bergen op Zoom. Daar aangekomen stappen we uit en met de looppas zat ik in de gereed staande trein naar Tholen. Alle anderen liepen in een tram voor Hoogerheide bestemd. En zonder mij nader te overtuigen stapte ik uit, dacht verkeerd te zijn geweest en voegde mij bij hen. Toen den tram zich in beweging stelde, ontdekte ik mijn fout, stapten uit en stonden den tram aan te gapen, die naar Tholen reed. Ik zeg tegen de jongens naar Vogelenzang met de looppas en toen we dat in een korte tijd bereikt hadden, konden we juist de gelegenheid te baat nemen. Van uit de verte den voortrollende Stoomtram een bocht te zien nemen om zich aan onze ogen te onttrekken naar Steenbergen. We waren toen nog met 4 manschappen voor Zierikzee en besloten naar Tholen te lopen, huurden daar een fiets en reden naar Zijpe, via Oud- en Nieuw Vosmeer naar Anna-Jacobapolder. Een veerman zette ons daar over naar Zijpe, waar om 8 uur ,s avonds nog een tram gereed stond naar Nieuwerkerk.

Onze fietsen stuurden we per tram terug naar Tholen. Omstreeks half negen stond den tram stil op ons dorpje, tegen over de Bewaarschool en stapte uit. Vele mensen stonden te kijken en hoorde ik den een tegen de ander, daar heb je Marien Wandel een bewijs voor mij, dat ieder op de hoogte was. Hoe vele malen ik al gemist werd. Ik was dan ook de laatsten van ons dorpje die voor het eerst werd thuis verwacht, doch niemand wist er iets van af thuis.

Zodra de mensen mijn naam uit riepen werd mijn zus Neeltje wakker geschud en in minder dan geen tijd, lag ze met beide armen om mijn hals. Na wederzijdse begroeting gaf ik haar opdracht naar huis te gaan en te vertellen met kalme woorden, dat ze eens raden moesten wie straks thuis kwam. Ik zou dan 5 minuten naar tante Johanna gaan en dan thuis komen.

Toen ik thuis kwam bemerkte ik dat ze haar boodschap kort gemaakt had, met te zeggen, zodra de deur geopend werd, uit riep ” Moeder, Marien is thuis”. Toen ik dan na enige ogenblikken thuis kwam, bemerkte ik nog, dat mijn Moeder in spanning was en minder dan geen tijd lag ik aan haar borst, blijde elkander weer te zien, drukte Vader de hand en groet broeders en zusters, op recht hartelijke wijs.

Wat een blijdschap na zo’n lange tijd weer in den huiselijke kring tegenwoordig te mogen zijn. Veel moest worden verteld en het duurde dan ook heel lang en het was al Zondagmorgen toen we pas onder de wol gingen, om eens lekker te slapen een heerlijk bed. Als slot voor van avond wil ik nog melden, dat ik feitelijk van morgen half zes op moest staan, ten einde te vertrekken. En zou op die manier maar juist een nacht thuis zijn geweest.

Toen ik van het Bureau af kwam zei de Sergeant Majoor wel, binnen 2 dagen zorg je hier terug te zijn, maar toen we op de Markt terug waren vanaf Bureau zei ik jongens, Hare Majesteit geeft 2 dagen om thuis te zijn en 2 dagen voor reizen en die nemen wij er bij. Zorg

Nu dat we maandagavond met de laatste gelegenheid hier in Hulst zijn en vertrekken dan na eerst gemaft te hebben in de School gezamenlijk naar de Prosperpolder terug.

Dat vond ieder goed en rekenden op elkaar.

8 november 1914

Den Zondag is op recht hartelijke wijze voorbij gegaan, te midden van huisgenoten, vrienden en bekenden. Zo’n dag gaat maar veel te vlug voorbij.

Alle huisgenoten zijn vroeg uit de veren om bij mijn vertrek present te zijn. In gezelschap van mijn oudste broer staan we gereed tot vertrek om per fiets te rijden naar Zierikzee en verder per boot naar Katseveer om dan naar Goes te gaan en daar enige uren te vertoeven bij haar die mij ook al 24 lange weken wachtende is, maar ook niets af weet van mijn komst.

Toen ik van allen afscheid had genomen bemerkte ik dat Moeder tranen in de ogen had, maar kon toch weer met blijmoedigheid vertrekken, hoe ernstig het geval ook was, wist ik mij veilig onder de hoede des Almachtige Vader.

In Goes nam ik afscheid van mijn broeder en tegelijk schelde ik aan bij mejuffrouw Marteijn in de Ganzepoortstraat, waar mijn Anna in betrekking was en in minder dan geen tijd stonden we voor elkaar. Blij elkander weer te zien. Toen haar juffrouw ons beiden zo gelukkig zag, kreeg ze vanaf tien uur voor middag tot namiddag twee uur en konden beiden in elkander nabijheid verheugen. We brachten ook nog een bezoek aan de familie Schipper, Rijkskantonnier te Kloetinge en het verdere van onzen tijd zaten we in de salon van mejuffrouw Marteijn, die mede verblijd scheen te zijn met de onverwachte ontmoeting.

Jammer dat zulke ogenblikken zo kort zijn. Om 2 uur vertrok ik van haar weg per trein naar Vlake. Met de hoop elkander weer vlug te mogen ontmoeten en begroeten.

Een laatste handwuiving vanuit den trein en voort ging het naar de plaat waar ik den trein verliet om verder per tram , boot en tram in Hulst te arriveren. Waar ik alle manschappen terug vond. ,s avonds kreeg ik te eten bij een bakker, waar ik meermalen op post gestaan had in de Begijnenstraat.

10 november 1914

Om 8 uur van morgen stonden we klaar te vertrekken naar de Prosperpolder. We hebben heerlijk in de school geslapen en hebben onze buik gevuld, bij de bakker waarvan ik gisteren avond sprak en marcheerde af naar onze grenswacht. In Nieuw- Namen ontmoeten we onze Wacht Commandant Sergeant Willemsen, op weg naar de wacht, waar we om 12 uur gezamenlijk aan kwamen. Niets was veranderd sinds we weg zijn geweest, alles nog het zelfde. We kropen dan ook maar weer op den dorsvloer in stro en kon een uur uitrusten, om straks om 1 uur met een wachtje te vertrekken naar de Hartwich of Hedwiges polder. Van 2-5 uur kwam ik met Steendijk op dubbelpost. De uren gingen vlug om, want we hadden elkaar veel te vertellen. Juist toen we afgelost werden, zag ik Fierens komen met bericht, dat hij mij kwam aflossen. Daar ik mij direct moest melden bij de Wacht Commandant Sergeant Willemsen in de Prosperpolder. Om 6 uur melde ik mij, waar ik order kreeg mij klaar te maken tot vertrekken naar Nieuw- Namen; veldtenue met rol en deken achter de klep van het ransel. Ik drukte allen de hand en vertrok door stik donkeren avond naar Nieuw- Namen.

Waar ik mij meldde bij Luitenant Tanuwa, die mij tegelijk opdracht gaf door te lopen naar Hulst. Ik gaf hem te kennen, wat ongeveer ik deze dag gedaan had en vroeg tegelijk hier te blijven maffen om dan morgen te vetrekken wat mij door de telefoon vanuit Hulst werd toegestaan.


8: Overplaatsing naar Willemstad

11 november 1914

Om zes uur van morgen stond ik gereed in te stappen in de diligence ( postkar ) naar Hulst. Mijn mede reizigers heer en dame spraken Frans doch ook Vlaams naar mijn denken waren het dan ook Vlamingen. Om 8 uur stond ik op het bureau te wachten en het duurde een uur voor ik mij kon melden, bij de sergeant majoor. Daar ontving ik een reiswijzer naar Willemstad om overgeplaatst te worden op verzoek naar Fort “De Hel”

In Roosendaal miste ik den tram naar Willemstad via Oud Gastel. Ik moest drie uur wachten en kwam pas 9 uur ,s avonds in Willemstad aan. Ik vroeg de weg naar den Fort, maar daar het stik donker en mij onbekend was nam ik de vrijheid in de vesting te blijven vroeg aan de schildwacht die op de Landpoort op post stond, of ze misschien Korporaal de Valk kenden?

Mijn kameraad, die ook overplaatsing was toegestaan en tevens waar hij lag. Een mannetje van de wacht bracht mij naar de kazerne en toen ik daar binnen kwam in veldtenue lag hij al onder de wol op eigen gemaakte kribben van dikke boomtakken aan elkander gespijkerd, voorzien van strozak en drie wollen dekens. Ze stonden vreemd te kijken, nauwelijks kende Valk mij of de begroeting was hartelijk. Toen ik mijn uitrusting afgehangen had, kreeg ik eerst een halve eetketel chocolademelk van hem die ik gretig uit dronk en kreeg plaats naast hem op een krib maar nu niet onder elkander dekens.

12 november 1914

Het ontwaken is niet vreemd, nu we weer als oude vrienden naast elkander geslapen hebben.

Na mij zelf gewassen te hebben en verzadigd te zijn, ging ik mijn uitrusting om en vertrok naar Fort “De Hel”. Koud is de morgen van 12 november. Evenwel had ik er weinig van, want ik liep een stevige pas. Overal passeerde ik schildwachten en met No. 5 mee tellende was ik de schildwacht genaderd, die voor de brug op post stond van het Fort’ de Hel” .

Een aardig gezicht zo’n fort; rond om in een gracht gelegen. Verheft hij zich als een eilandje uit het water. Toen ik op het fort was aangekomen, melde ik mij bij den 3e Commandant 1e Luitenant Inkelaar en werd zodoende gedetacheerd bij de 3e Compagnie IIIe Bataljon, 14e regiment infanterie. De Commandant maakte op mij een aangename indruk. En vroeg mij verschillende bijzonderheden van de grens. Zodra hij van een en ander op de hoogte gesteld was, werd mij mijn slaapplaats aangewezen en kon ik mijn uitrusting afhangen en opbergen.

Direct kreeg ik alle kanten soldaten rond mij waarmede ik kennis maken kon.

Ze zagen er allen zeer voldaan uit in tegenstelling met de plaats waar ik vandaan kwam.

Ze waren dan ook allen ten zeerste voldaan over de voeding en den dienst.

Toen ik mijn slaapplaats en de ondergrondse kelder had gezien, kon ik zeggen dat het er beter uitzag dan in de schuur bij boer Ferket in de Prosper.

Mijn krib stond boven op de krib van mijn plaatsje Willem Visser van Retranchement.

En voorzien van strozak met 3 dekens. Boven ons hoofd was een verwelf waar volgens de mannen mij zeiden, iedere morgen een laagje salpeter aan hing. Dus het was er vochtig, bovendien lagen we er met 24 manschappen in den kelder. Wanneer ik rechtop mijn krib zat, raakte mijn kruin tot aan het verwelf.

Daarna werd ik bij de foerier Geelhoed geroepen, die mij voorzag van 2- stel nieuw ondergoed, dat was dan ook hoog nodig, want het geen ik aan mijn body had, was met grote steken bij elkaar gehouden. Om er ten minste nog een beetje als soldaat uit te zien, zo ook mijn boven goed.

Ook zou hij zorg dragen, dat ik binnen 14 dagen mijn blauw uniform kon inleveren om dan van top tot teen in het grijsgroen gestoken te worden.

’s Middags werd ik ingedeeld om te werken op het fort. Zie daar mijn eerste avond ver van de Duitse patrouille, die wij nu niet rond de oren zouden schieten.

18 november 1914

Voor het eerst ben ik op wacht en wordt straks 2 uur afgelost. In totaal 6 uur, 3 x 2 uur op post gestaan, wel om vol te houden. Na de wacht mag ik met 2 x 24 uur verlof naar Nieuwerkerk en Goes. De bezetting is sterk 96 man, waaronder behoren; Infanterie, Genie en Vesting artillerie, bovendien staan er twee kanonnen van 8cm en 2 mitrailleurs.

We hebben hier een stil leven. Op den dag werken we op het fort. Bovendien jassen en wacht dat door een om de drie of vier dagen plaats vindt. Het eten is uitstekend ’s morgens bij het opstaan krijgen we ons kuchje met soep, zoveel we maar kunnen gebruiken. Meestal zet ik nog een eetketeltje weg om op den dag uit te drinken. De soep is dan ook zeer gewild onder ons militairen.

26 november 1914

Enige dagen zijn verstreken.

19 november sneeuwde het. 20 november kwam ik terug van verlof, het was vriezend weer.

21 november hadden we een militaire  wandeling van drie uur, door de stelling Willemstad en genoot van het heldere weer.

Meteen kon ik de gedane werkzaamheden ( verschansingen enzovoort, die de bezetting in de orde voor mogelijke aanvallen wanneer het oorlog moest worden, in ogenschouw nemen.

23 november kon men op het ijs lopen en zag men ook enkele schaatsrijders.

24-25 november stond ik op wacht, het regende toen verschrikkelijk hard. Na de wacht moest ik bij den Kapitein van de Genie komen in Willemstad. Die mij opdracht gaf een straatje te leggen op het fort van af de brug tot aan de trap.

26 november, Vandaag ben ik weer eens stratenmaker van de Genie. Ik kreeg opdracht het straatje uit te voeren zonder kantlaag ( zogenaamd paarde pad )’

Ik maakte den fort commandant wijs, dat zulks niet net was en gaf mij order het zo mooi mogelijk te maken, naar eigen goeddunken.

Van de Genie kreeg ik een uitbrander, maar het lag er keurig in tot genoegen van mijn fort commandant. Ik had 4 soldaten om stenen en zand aan te brengen.

Vanavond zit ik in Tehuis te Willemstad.

4 december 1914

Sinds 1 december ben ik met verlof naar huis geweest, waar ik genoeglijke dagen heb mogen doorbrengen. Het valt dan weer niet zo mee om weg te gaan. Maar wat hebben we veel reden om dankbaar gestemd te zijn, in tegenstelling met onze naburen en alle oorlog voerende  mogendheden. Mijn bede is dan ook Heere bewaar ons daarvoor en breng de anderen tot verzoening.

5- 6 december 1914

De dag is bijna ten einde. Om 2 uur na middag, 5 december kwam ik op wacht.

Den avond is zeer gezellig voorbij gegaan in de wacht. We hebben heerlijke chocolademelk gedronken, die ikzelf heb klaar gemaakt. We kregen als cadeau nog 5 sigaren en een pakje rooktabak van de fort commandant.

21 december 1914

Zo juist ben ik van verlof uit Utrecht in het fort gekomen. Mijn oom Kees en tante Marie

( C W Nederhand en echtgenote ) waren in hun schik dat ik die dagen bij hen heb doorgebracht. Voor mij zelf vond ik het nog prettiger en heb mij die dagen goed geamuseerd.

Ook bij de familie in de Boorstraat. Ik ben rijk teruggekeerd als Jan Fuselier met een kistje sigaren onder de enen en een grote zak zware pruimtabak onder den anderen arm.

Juist een precentje dat van pas komt. Ja, Oom weet als oud soldaat precies wat we nodig hebben om den tijd in te korten.

Bij mijn thuiskomst werden we allen voorzien bivakmuts gebreid van Hollandse vrouwen en meisjes. Zulks doet een soldaat goed, wanneer je weet hoe gering het ook is, dat er om ons gedacht wordt. Dat maakt een soldaat nog plichtsgetrouwer,

26 december 1914

Van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina ontving elk soldaat een kerstgroet van den na volgende inhoud

Kerstgroet.

Er is veel stof tot dankbaarheid in onzer groten doch moeilijke tijd. Een verheffende zin van eenheid en saamhorigheid treedt ons tegemoet, onderlinge waardering en samenwerking op velerlei gebied valt waar te nemen, als de nooddruft stijgt wordt de liefde overvloediger.

Krachtig doet de behoefte tot nadenken, tot gebed zich gevoelen; er wordt vurig gebeden.

Men kan zich geen groter tegenstelling denken dan de heilsbelofte Gods en leed en de smart waaronder thans de wereld gebukt gaat. Doch nooit schitterde ons het licht dier eeuwige ontfermde liefde helderder tegen dan op dit feest van onzen Heiland; immers ook om de ellende te dragen, waarvan wij op dit ogenblik getuige zijn, nam Hij onze gestaltenis aan.

Gelijk het landschap, door de zon met licht overgoten, zich baadt in de weelde van rust en van kalmte, zo straalt op het hart dat zich voor Hem ontsluit, vrede en blijdschap af zo Christus liefde het beschijnt. Hiervan jubelt het Engelenheir op Bethlehem ’s velden.

Het kindeke Jezus heeft ten allen tijde veel vertrouwen gevraagd, Het vraagt dit nog steeds. Aan ons de fiere moed Het dit te schenken. Laten wij met de Herders gaan in het gebed naar de kribbe, naast het kruis, met AL onze noden en vragen. Tot ten slotte ons gebed en geloof overgaan in aanbidding.

WILHELMINA,

Wat heerlijk zo iets te mogen ontvangen van onze Landvorstinne.

We mogen vernemen door bezegeling van haar handtekening dat onze Vorstin gaat naar Bethlehem ‘s kribbe om Jezus te zien en niet alleen zij zelf alleen maar brengt door liefde tot Hem al haar onderdanen, het gehele Nederlandse Volk naar Jezus toe en vraagt dan; Laten wij met de Herders gaan in het gebed naar de kribbe, maar het kruis met al onze noden en vragen.

Tot tenslotte ons vragen verstomt en ons gebed en geloof overgaan in aanbidding.

Heere Jezus ik bid U, bewaar onze Vorstin nog vele jaren om ons lief Nederland en het Nederlandse volk en dat velen haar voetstappen mogen navolgen, want het is heerlijk U Heiland te volgen.

We zitten niet als gewoonlijk bij den kerstboom of in den huislijke kring.

In het soldatenleven is dat anders, velen brengen den avond door op wacht, in de kantine of andere plaatsen. Persoonlijk zit ik te midden mijner kameraden in het Militair Tehuis in de Willemstad. En gedenken hier in alle stilte aan dat heerlijke feit, dat Jezus 1914 jaren geleden ook geboren is voor ons.

Velen hebben dan ook nog een woordje in te brengen over die Vrede Vorst.

We gevoelen dit nu des te beter wat Vrede is in een tijd van Oorlog.

Vrede den Eeuwige Vrede in Jezus alleen.

Door de Nederlandse Burgerij is een grote schat ingezameld om ieder soldaat een geschenk te kunnen geven.

Het was dan ook van groot belang te mogen ontvangen;

Een houten tabakspijp, 5 sigaren, doosje speculaas en een grote kop chocolademelk.

Hartelijk dank aan hen die aan ons dachten. Als we zoiets ervaren dan gevoelen we te meer wat de Liefde van Christus is, die ons wil verlossen van verderf en ondergang, en ons wil brengen in Zijn eeuwige Vredeswoning.

31 december 1914

Nog een enkel regeltje op oudejaarsavond. Met veel andere militairen zitten we de oudejaarsavondpreek te overdenken, die we voor het laatst van dit jaar gehoord hebben. Een ieder denkt dan ook over het voorbijgegane jaar en jaren. Vroeger bij moeder thuis, thans in dienst van Hare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin Wilhelmina.

Er komt stemming onder ons.

Een Vesting soldaat van Fort Sabina te Heiningen ( Schouten uit Rotterdam ) stelt ons voor

Schout is een rechtstreekse vertegenwoordiger van de heer der heerlijkheid,

het lief en leed van ons dagelijks zijn hier en den eeuwige Vrede van Christus daar boven.

Door zijn spreken is iedereen opgebeurd en opgeruimd van gemoed.

We geven alles in de handen van Hem onzer God en Vader.

Na het danken en zingen stapten we welgemoed naar de plaats onzer bestemming

Fort ’de Hel” .

We zijn;

  • M. Liefbroer van Colijnsplaat, lichting 1913.
  • Douw van Colijnsplaat, lichting 1913.
  • de Ridder van Retranchement, lichting 1910.

Aan wie ik inmiddels geestelijke banden heb gekregen, gedurende mijn verblijf op het fort.

Toen we op het fort in de kelder aan kwamen stond op ieder hoek van de ijzeren krib een kaars te branden en vierde ieder soldaat zijn oudejaarsavond, op zijn eigen manier.

En zo als die kaars uit brandde, zo gaat straks het jaar 1914 voorbij.

Wij danken U Vader voor de vele zegeningen, waarmede Gij ons tegen kwam boven bidden en danken.

-1915-

1 januari 1915

Een nieuw jaar is ingetreden, 1914 is gepasseerd met al zijn lief en leed en 1915 heeft een aanvang genomen.

Ieder vraagt zich af hoelang nog soldaat. Of zouden we dit jaar ook de oorlogsbrand op Hollandse bodem zien ontbranden, en zo meer dergelijke vragen komen ons te binnen en vragen elkander af, na wederzijdse heilwensen te hebben gedaan.

Niemand onzer kan als vanzelfsprekend geen afdoend antwoord daarop geven.

Maar dit weten wij; Hij zorgt voor ons. En we mogen die belofte aannemen.

Die op Hem vertrouwt, zullen niet beschaamd worden.

We ontvangen veel brieven van geliefde betrekkingen en hebben het ook de laatste dagen druk met schrijven gehad. Op het fort krijgt ieder Nieuwjaarsgeschenk. Het bestaat uit 10 sigaren, een fles bier en pakje tabak. Den avond zullen we weer in Tehuis doorbrengen.

8 januari 1915

In plaats van Vredesklanken, horen we dagen achtereen het gebulder van de kanonnen op het Westelijk front.

Het is guur weertje; de regen valt elke dag bij stromen neer. Ook in het fort is alles even nat. Het water loopt bij tijden langs de muren. Onze dekens zijn vochtig en het schijnt mij lang zo gezond niet toe als bij mijn eersten aanblik; toch mogen we niet klagen over zieke soldaten.

Maar door de vocht waren onze geweren in de loop zo roestig. Dat kwam op uit 3 januari, toen we inspectie hadden van den meester geweermaker. Gelukkig dat alle geweren een weinig geroest waren, met uitzondering van Klaas van Mook van Oosterhout, lichting 1913, die zag er keurig uit. We zouden anders gestraft zijn geworden. Luitenant Inklaar was wel wat uit zijn humeur doch de schuld was meest hem zelf, omreden twee noodzakelijke dingen op het fort mankeerden den wapenolie en invetstokken.

Van 4-5 januari stond ik op wacht. Den namiddag van wacht afkomende brachten onze tijd er in de kantine door. Diezelfde middag kwam de Sergeant Majoor wie van de manschappen groenten wilde schoon maken. Doch niemand stond op. Zij die op wacht gestaan hebben zijn vrij van dienst en stonden als vanzelfsprekend ook niet op. Hij was ineens zo boos dat hij commandeerde, binnen 15 minuten staan allen die hier zijn in veldtenue aangetreden.

Binnen dat kwartier uur moest alles in orde gebracht worden en stond alles in de houding.

De luitenant trad naar voren en bestrafte ons allemaal, ook die geen schuld hadden, gaf daarna het commando over aan de Sergeant Majoor, die ons liet inrukken. Dat viel mee, want we hadden op een mars gerekend. Toen allen afgehangen hadden, ging het beter met groenten schoonmaken.

,s Avonds ging ik met 3 x 24 uur verlof. Eerst naar mijn meisje en verder naar mijn ouders.

Op den avond van terugkeer,, kwam ik ’s nachts 12 uur 8-1-1914 binnen. Ze waren allen blij toen ze me weer in hun midden terug zagen. We mogen en ik kan onzen God dag na dag danken dat Hij ons nog in vrede bewaart.

12 januari 1915

Van 10-11 januari stond ik op wacht. Den gehele dag en nacht het zelfde.

Ook 9 januari hebben ze een vreselijke bombardement gehad, we konden het goed horen.

Het was verbazend koud en we hadden het druk met aanroepen op den Zondagavond meest militairen en burgers, die we aanriepen Halt—Wie daar?

’s Nachts was het minder aangenaam, dan moesten we ons rieten schilderhuis boven op de Sabinadijk, want het regende en de wind blies overal doorheen. Bij mooi weer op den dag heeft men van die plaats een prachtig vergezicht op het Hollands Diep met zij drukke scheepvaart.

’s Nachts zien we enkele lichten van schepen en gasboeien. We hebben iedere dag regen, het maakt alles nat en vochtig en bovendien moeilijk begaanbare wegen. Buiten onze wacht hebben we geen dienst. We slapen, eten en drinken, tabak roken, corvee dienst en 99% van de manschappen zitten te kaarten of brieven te schrijven voor tijdverdrijf.

Het is wel om vol te houden, maar saai. Ik heb intussen wel eens verlangt naar de grens terug te gaan om lief en leed te delen. ’s Middags na 4 uur ga ik naar Willemstad naar mijn vrienden Valk en Manneke, die intussen ook van IIe Bataljon naar IIIe bataljon is overgeplaatst op verzoek. We behoorden bij het in dienst komen in dezelfde sectie thuis.

We zijn nu op de avondschool gegaan bij de Hoofdonderwijzer van de Christelijke School.

Na afloop ga ik nog een half uurtje tippelen naar het fort.

16 januari 1915

Van 13-14 januari heb ik op wacht gestaan voor van Gastel uit Zierikzee, waar ik voor ontving  f 1,25 dat is wel om vol te houden, wanneer je maar 6 uur schilderen moet.

Vandaag is het juist een jaar geleden dat ik onder de wapens kwam. Wat in dien tussentijd is gebeurt heb ik zoveel mogelijk beschreven.

Mijn voortdurende dank zij Hem toegebracht. Op het gebied van de oorlog is geen verandering te bespeuren. Voortdurend loopgravengevechten op het Westelijk front.

26 januari 1915

Met den oorlog nog steeds het zelfde op Oostelijk front is geen verandering, op het Westelijk front een weinig. De Duitsers hebben de stad Soissons in Frankrijk bezet. De Vlamingen strijden nog altijd even moedig om hun laatste stukje grond. In de verlopen dagen was er nog een zeeslag tussen Duitsers en Engelsen, waarbij eerstgenoemde een schip moest prijs geven met 820 koppen aan boord.

Van 17-18 januari stond ik op wacht. Het stormde uit het Noord Westen, het water vloeide sterk en kwam daardoor heel hoog te staan. Die nacht spoelden er veel mijnen aan. Met het zoeken naar mijnen, zijn er op de Westerschelde 5 matrozen van onze Marine omgekomen.

Van 21-25 januari ging ik met A.W. Timmerman uit Zierikzee van de lichting 1911, ook soldaat op  “de Hel” met verlof naar huis. Hij wist me te overhalen een dag langer te blijven dan we gekregen hadden. En waar ik nu Zondagsavonds moest binnen zijn.

Maandagsavond terug te keren, daar ik gewoon was wanneer de Zondag in mijn verlof viel een dag vroeger terug te keren omdat het mijn geweten niet toe liet dat anderen voor mij moesten werken op den dag die we Hem behoren te wijden. Ik had mijn jawoord gegeven en keerde niet terug voor maandagavond. Die Zondag hadden ze niet veel aan mij thuis. Moeder had het goed gezien en vroeg mij dat nooit meer te doen, want ze begreep dat er iets niet in den haak was. Ik voelde het des te beter dat ik mijn Heiland bedroefde, die ik trouw beloofd had bij leven en bij sterven.

Toen ik dan die avond op het fort aankwam hoorde ik van allen dat Sergeant Valk mij gerapporteerd had, omreden ik op drie appels gemankeerd had. Nu had het dien nacht geregend en dan heb ik als corvee dienst. Het straatje wat ik zelf gemaakt heb, schoon te houden.

Hij bleef maar roepen; Wandel, Wandel net zolang dat de Sergeant Majoor en fort commandant beiden als uit een mond riepen, Wandel is al lang present. Als teken dat hij zijn mond houden moest. De fort commandant liet het meermalen, ja bijna allemaal bleven langer weg dan ze kregen en nooit werd iemand gestraft.

Nu was ik geen vriend van Sergeant Valk omdat ik liefst niet in zijn gezelschap verkeerde en dacht mij op die manier eens te nemen. Dit was echter een feit ik had mijn verdiende loon. En toen ik 12 uur op het rapport kwam en de Luitenant mij vroeg, waar ben je geweest, je hebt gemankeerd op 3 achtereenvolgende appel, zei ik hem rondweg. Ik wou ook eens een dag langer thuis blijven en die straf die ik mede verdiend heb, neem ik in allen dank aan. U geef mij maar wat ik verdien. De Luitenant zei; ik ben dat niet van je gewoon Wandel en omdat je zo rondweg zegt waarop het staat, zal ik je niet straffen, maar ga je vrijuit. Ik hoop dat het niet meer nodig zal zijn.” Voor mijzelf heb ik den straf gedragen, omdat ik Zijn

( mijn Heiland ) wil verzaakte.

30 januari 1915

Vandaag ben ik 21 jaar oud en van alle kanten ontvang ik brieven en gelukwensen. Het is bepaald aangenaam om te verjaren. Wat zal dit jaar dat voor mij openstaat brengen? God weet het. Ik mocht Hem danken, loven en prijzen die mij tot dit ogenblijk nabij waart.

Hem zij heel mij leven
En mijn kracht gewijd
Die mij elke stonde
Zoveel goede bereid
Hij wou mij verlossen

Van al mijn zonde en schuld
Hij heeft veler smaadheid
Ook voor mij geduld

Jezus trouwe Heiland
Geef mij kracht voortaan
Den goeden strijd te strijden
Mijn vijand te weerstaan
Den vijand die mijn harte

Wil verscheuren van uw land
En mij voorgoed wil brengen
In eindeloze smart

6 februari 1915

De laatste dagen heb ik onder de wol gelegen, met 2 x 2 x 24 uur kwartier ziek onder de wol, vanwege de verkoudheid. Gelukkig ben ik er weer boven op. De vorst die enkele dagen aan den gang was, is teneinde en hebben nu weer iedere dag regen en donker weer.

Vele manschappen zijn zwaar verkouden.

Italië en Roemenië zijn bezig hun troepen te organiseren, met het oog daar op denk ik dat ze ook aan den oorlog zullen deelnemen. Het is niet te hopen.

14 februari 1915

Op de gevechtsterreinen is weinig verandering te bespeuren. Alleen kost het veel mensenlevens.

Voor ons land  is de toestand nog even kritiek. Ook den handel gaat met vele moeilijkheden en gevaren gepaard.

Elke dag worden onze troepen meer oorlogsvaardig gemaakt, om wanneer de een of andere vijand moest opdagen, tegenweer te kunnen bieden.

Onze soldaten zijn dan ook even stoer, vastberaden en Vaderlands gezind.

Nog altijd stroomt Zeeuws- en Hollands bloed door de aderen. Maar onze bede is. Heer bestendig den Vrede over ons land en volk.

Van 8-10 februari ben ik met verlof naar Nieuwerkerk en Goes geweest.

Waar ik allen in goeden welstand heb mogen ontmoeten, begroeten en achterlaten.

Op 12 februari was het buitengewone oefening in de stelling ”Hollands Diep” en het Volkerak.

Overal zag men de soldaten in schijnbeweging hun stelling verdedigen.

Ook op het Fort kwamen allen in stelling.

De Genie moest bruggen laten springen en noodbruggen op slaan. De kanonniers in stelling achter de stukken. De Infanterie achter de verschansingen en in loopgraven.

De oefening duurde van ’s morgens 9 uur tot 3 uur namiddag met prachtig weer.

De Generaal Majoor Stelling Commandant was ook aanwezig. Geheel de oefening had een prachtig verloop.

Van 13-14 februari stond ik op wacht.

20 februari 1915

Van 15-16  februari stond ik weer op wacht. En toen ik van wacht kwam kon ik dadelijk met 3 x 24 uur verlof naar huis.

In goeden welstand ontmoeten we elkander weer. Den volgende dag ging ik met mijn vader mee straten op den Rolleklootsedijk te Nieuwerkerk. Tijdens mijn verlof hadden ze op het fort bezoek van Generaal C.J. Snijders commandant van Land en Zeemacht. Vandaag hebben we gewerkt aan de ijzeren draadversperringen rondom het fort de Hel.

Op het oostelijk front behaalden de Duitsers succes op de Russen. Op het Westelijk front geen verandering. Dezer dagen zijn in de buurt van Vlissingen bommen geworpen, die gelukkig geen schade hebben veroorzaakt. De laatste dagen komt het telkens voor dat Engelse vliegers het spoor bijster zijn en zo doende over Holland vliegen. De torpedoboot Zeemeeuw te Vlissingen schoot zo’n ongewenste gast neer. Het kanongebulder is op het ogenblik na de gehelen dag vreselijk aan de gang.

25 februari 1915

De laatste dagen hebben we voortdurend gewerkt aan ijzeren versperringen.

Overigens hebben we een rustig leven.

Op 24 februari is door geheel Nederland een bidstond gehouden in alle Gereformeerde Kerken. Ik heb die ook mogen bijwonen.

Het was voor mijn ziel een groot genot te toeven in het huis van God
In het huis waar het mij had neer gezet Om uit te storten mijn gebed
Een Gebed om in Europa ’s land te doven dezen oorlogsbrand
Den brand die zoveel offers vraagt en veel ellende met zich draagt.
En dit te brengen, aan Gods voet O, dat is wonder, wonderzoet
Wilt gij gerust door het leven gaan. Mijn ziel, blijf bij Uw Heiland staan.
Want met den Heiland aan uw zij, Leeft gij gelukkig, zalig, blij. 

Volgens officiële mededeling moet Rusland een tiende gedeelte van zijn staand legerkorps kwijt zijn, aan doden, gewonden en krijgsgevangenen. Ook van zijn Cavalerie moet weinig meer over zijn.

1 maart 1915

Elke eerste dag van de maand doet ons denken aan den dag, toen ons leger gemobiliseerd werd. Reeds 7 maanden mobilisatie. Nog steeds oorlog en strijd. De Europese mogendheden zien misschien niet in welk een rouw ze brengen in hun landen.

Het is en blijft oorlog en wat zal het einde zijn.

Die vraag klinkt telkens weer van ieder soldaat. Maar door al deze moeilijkheden te weten “God zorgt” maakt rustig.

Het kanongebulder is de laatste dagen minder. Men leest dan ook niet van grote veldslagen meer van loopgravengevechten. De luchtschepen en vliegmachines doen veel dienst. Het torpederen van handelsschepen neemt ook geen einde.

Sinds 18 februari heeft de Duitse marine 8 handelsschepen getorpedeerd. Ook neutrale landen verkeerden op die manier in grote gevaren. Alle schepen voeren hun naam met grote letters gegraveerd ( geschilderd ) op de beide wanden aan stuur- en bakboord, die bij nacht elektrisch verlicht zijn.

In ons land is alles stil en rustig, het gaat alles zijn gewone gang. Dienst doen we in de forten heel weinig. Vele soldaten zitten te kaarten van ’s morgens tot ’s avonds. Het schijnt dat dit bij het soldatenleven behoort. Het weer is niet aangenaam en die niet op post staan, blijven in de kantine. Regen, sneeuw en onweersbuien komen en gaan.

3 maart 1915

Van 2-3 maart een wachtje over genomen voor f 1,25. Het was regenachtig en koud weer. Den gehelen nacht hoorden we het kanongebulder.

Volgens officiële berichten, drijven vele mijnen in de Zeeuwse wateren. Door een ontploffing van aangespoelde mijn, zijn vier mensen in de omgeving bij Zierikzee ( schouwen ) om het leven gekomen. Op het oostelijk- en Westelijk front loopgravengevechten, kanonnades en bajonet aanvallen. De Engels- Franse vloot beschieten sedert enige dagen de forten aan de Dardanellen ( Turkije )

Op onze grenzen wordt veel gesmokkeld. Smokkelaars worden vaak door onze schildwachten aan- of doodgeschoten.

5-6 maart 1915

Van middag kwam ik op wacht en moet 8 uur schilderen van de 24 uur.

Veel regen stroomde uit de op een gepakte wolken. Van wacht afkomende ging ik met 3 x 24 uur verlof in gezelschap van A.W. Timmermans, via Steenbergen naar Nieuwerkerk, waar ik zo juist aankwam 11 uur in den avond en allen in gezondheid ontmoette.

6-9 maart 1915

Mijn verlof heb ik thuis doorgebracht te midden van Ouders, broeders en zusters, die dagen zijn dan ook weer even vlug voorbij. Om half zes na middag nam ik van allen afscheid, vertrok per tram via Zijpe – Steenbergen – Oud-Gastel. Waar we 2 uur moesten wachten.

Het was reeds 11 uur en nog was geen conducteur geweest om te waarschuwen en begrepen dat de tram is weggereden zonder waarschuwing. Bleven op die manier met zes soldaten op Gastel. Vroegen de Stationschef bewijs dat we op tijd het Fort niet konden bereiken.

Gingen daarna naar de Koekfabriek. Vroeg de Sergeant van de wacht een bewijs dat we daar zouden geslapen hebben bij eventuele navraag en legde me neer in stro.

Met den overjas over mij heen geslagen om eens heerlijk te maffen.

10 maart 1915

Na een broodje en kop koffie gedronken te hebben, stapten we in den tram, die 7,30 uur vertrok naar Willemstad aan de Stadsedijk stapten we uit.

Ik ging naar fort “de Hel” en H. Krabbe van Nieuwerkerk, vesting artillerist van de lichting 1914 naar fort “Sabina Henrica”. Bij aankomst trok ik vlug mijn werkpakje aan en kon direct een nieuwe strozak vullen. ’s Middags op fort werken en ’s avonds naar Willemstad ter kerk.

Dominee sprak over den Geestelijken oorlog. Bij het uit gaan werden Vaderlandse liederen gezongen. Het was een goeden avond geweest.

16 maart 1915

Sinds 10 maart horen we dag en nacht met tussenpozen het kanongebulder in de verte.

Van 11-12 maart was ik op wacht en 15-16 maart idem het zelfde, met dit verschil dat we 12 uur op post moesten staan schilderen. Deze verandering houdt verband met de verlofregeling en gaan nu in plaats van de 18 dagen, voortaan na 14 dagen met 3 x 24 uur verlof. Buiten den dienst hebben we corvee, aardappelen jassen enzovoort, allemaal dingen die we op het gemak kunnen waarnemen. Overigens leeft men bij den dag en worden de meeste uren van de soldaat in de kantine doorgebracht.  Vandaag mocht ik weer 3 brieven van mijn geliefden ontvangen.

Op 13 maart is door de Duitse marine een Zweeds stoomschip getorpedeerd.

Overigens van de fronten loopgraven nemen en hernemen.

In Duitsland wordt alles gerantsoeneerd. Het begint te nijpen.

Zouden we in den tijd leven van de komst van de Heere Jezus Christus.

Onze bede is, open ons aller oog voor Uwe Liefde die Gij aan ons geschenk baar hebt op Geloof aan het kruis en Zijn voortgang vindt aan de rechterhand des Vaders Heere ontferm U onzer.

18 maart 1915

Van morgen hadden we een mars naar Dinteloord. Om 8 uur rukken we uit en waren 12 uur op het fort terug. het was prachtig weer.

19 maart 1915

Het was van morgen een witte wereld. Af en toe kwamen sneeuwbuien hun last naar beneden zenden.

De stad Premysl in Oostenrijk, die 4½ maand door de Russen belegerd werd, moest zich vandaag overgeven.

Deze vesting die omringd was door 20 forten, telde 50.000 inwoners. Grote veldslagen vinden plaats op het Oostenrijks front. Nu eens wint de Rus en dan weer de Duitsers.

Op het Westelijk front loopgraven gevechten. Tijdens een gevecht van de Geallieerden tegen de Duitsers bij Capelle in België werden 300 Duitsers krankzinnig.

20 maart 1915

Ook van morgen een witte wereld. Toen de zon zijn middaghoogte had bereikt was alles gesmolten. Vandaag hadden we oefening polsstokspringen, waar Luitenant Inklaar een groot liefhebber van is. Ook voor mij een aangename sport. In mijn vrije tijd studeer ik in de Franse taal.

21-22 maart 1915

Er zit weer een wachtje op van 24 uur, waarvan ik 9 uur op post stond.

Bij het mooie weer zongen we wel 2 uur achtereen, toen we van nacht op post stond.

23 maart 1915

Vandaag hadden we een mars naar Fijnaard over Oudenmolen.

25 maart 1915

Om 8 uur stond ik bij de boot te Willemstad om te reizen via Numans dorp – Zijpe – Nieuwerkerk, waar ik mijn geliefden alles in gezondheid mocht ontmoeten en begroeten en was om 11.30 uur thuis. Den anderen dag bracht ik door bij familie en vrienden.

26 maart 1915

Van morgen was ik reeds vroeg in Zierikzee. Ik heb Vader naar de boot gebracht, die naar Zuid-Beveland mijn broer Johannes een bezoek bracht, die op de Rijkswegen werkzaam was.

Daarna ging ik naar de moeder van A.W. Timmermans ( militair soldaat op het fort “de Hel”)

Meteen haar de groeten overbrengende van haar zoon.

27 maart 1915

Na wederzijds groeten vertrok ik om 5 uur van huis en kwam om 8.30 uur op fort “de Hel “aan.

30 maart 1915

Van morgen om tien uur moest de bezetting aantreden.

Onze Commandant Luitenant Inklaar gaat ons verlaten om op het fort Prins Frederik te Ooltgensplaat, Goeree-Overflakkee zijn dienst te gaan verrichten.

De Sergeant Majoor liet ons aantreden en houding aannemen. Daarna trad de Luitenant naar voren en sprak ons toe als volgt:

Mannen
De tijd is gekomen, dat ik u allen ga verlaten om mijn plicht op een ander fort te gaan vervullen. Het doet mij leed van u te moeten scheiden.
Acht maanden zijn we nu hier en gedurende de mobilisatietijd hebben we als kameraden omgegaan. We hebben elkaar leren kennen. Ik …U en Gij …. Mij.
Kameraden. Nu ik van hier ga, dank ik U allen, voor de broederschap die we elkaar hebben betoond.
Ik hoop en wens voor U allen dat er spoedig een demobilisatie zal intreden en gij allen weer naar Uwe haardsteden zult kunnen terug keren.
Ik wens het voor U allen, voor mij blijft het toch hetzelfde en voor het laatst.
Kader en soldaten ik dank u allen voor uw trouw en ijver, die gij mij in al dien tijd hebt betoond.
Voorts hoop ik, dat gij uw plicht ook voor uwen nieuwen Commandant Luitenant Harts, met trouw zult vervullen.

Toen gaf hij het commando over aan Luitenant Harts, onzen nieuwen commandant. Waarop wij weer de houding aannamen.

Deze sprak ons aan als volgt;

Soldaten
Het is het eerste ogenblik dat ik in uw midden ben. Zojuist heb ik het commando overgenomen van uw oude commandant Luitenant Inklaar en blijde stemde het mij te horen, dat hij allen met hem als kameraden hebt omgegaan.
Ik hoop ook dat gij met mij en ik met U als kameraden kunnen omgaan.

 Daarop gaf hij de Luitenant Inklaar de hand, hem de navolgende woorden toevoegend;

Gij zult op het nieuwe fort ook kameraden vinden. Ik heb daar met Zeeuwen omgegaan, die echte kameraden voor mij zijn geweest en die warme moed bezitten voor het Vaderland.

De plechtigheid was afgelopen en konden inrukken.

Met droefheid keken we onzer Luitenant Inklaar achterna, draaide zich eenmaal om maar keerde zich weer vlug in het fort terug.

Inmiddels naar de op post staande schildwachten om hem zijn laatste groet te brengen.

Droef te moede vertrok hij uit ons midden, die daar al dien tijd een echte wapenbroeder voor ons geweest was.

5 april 1915

Het is nu 6 uur in de avond van den 2e Paasdag.

Als naar gewoonte ben ik gevlucht naar het rustige militair tehuis, waar ik den avond in gemeenschap van andere kameraden gezellig tracht door te brengen.

Het is omstreeks een dag of 5-6 geleden, dat ik in mij dagboek geschreven heb.

Dat komt ook al met de wacht en de paasdagen.

Onze nieuwe commandant is nu een week op het fort.

Voor ons soldaten is het een grote verandering

Want op den voorgrond staat bij hem “Model dienst “

Het is gewoon weer het oude kazerne leven, verschillende appels enzovoort enz.

Wat de persoon zelf betreft dan mag ik zeggen, dat wij een goede, beste commandant hebben,

Den Goeden Vrijdag was ik vrij van dienst en kon op die manier naar kerk.

Van 3-4 april moest ik op wacht. De beide Paasdagen hadden we vrij van dienst. Zondag namiddag van wacht komende ging ik ter kerk en zat ’s avonds in het tehuis voor militairen.

Van morgen ter kerk en van middag in gezelschap van Manneke en Cats, laatst genoemde van de lichting 1914 van mijn geboorteplaats, gingen we wandelen. Onderweg ontmoeten we onzen vriend Valk met zijn meisje zo ook dezen Oom Leendert, die den verdere middag in ons midden bleef. Om 5 uur verlieten we hen en ging zelf met Manneke en Cats mee naar de kazerne, hun kuchje opeten. Zo ging den dag voorbij.

In de laatste 14 dagen zijn 4 Nederlandse schepen door de Duitse duikboten getorpedeerd.

11 april 1915

In den avond van 6 april kwam ik 10 uur ’s avonds bij mijn ouders op Nieuwerkerk aan, die ik in goeden welstand mocht ontmoeten en begroeten.

Op 7 april reed ik per fiets via Zierikzee, Katseveer naar Nieuw en Sint Joostland waar mijn broer Johannes aan het straten was, dicht aan de Sloedam. Toen ik mijn boodschap van hier had overgebracht, hem tevens de hand reikend, reed ik naar mijn Anna, die ik in acht weken niet gezien had. Ook dat was weer een gelukkig wederzien. Den anderen middag was ze vrij en konden we uit wandelen gaan en genoten oprecht hartelijke wijze van in elkanders bij zijn.

Maar aan alles komt een eind en dan een tot weerziens, lieve An.

’s Avonds ging ik naar de familie Schipper en bleef daar slapen om bij het ontwaken in gezelschap van mijn broer Leen den terugreis naar huis te aanvaarden.

Waar we 11 voor middag aankwamen. Na middag 5 uur keerde ik naar het fort terug, waar ik 8 uur aankwam. Prettige dagen zijn weer achter den rug in gezelschap van geliefde betrekkingen.

Vandaag heb ik plaats corvee, een baantje dat gelukkig niet iedere dag voorkomt. Van middag op wacht.

11-12 april 1915

We hebben er een aangename wacht op zitten. Prachtig weer.

Het kanongebulder konden we goed horen. Voor mijzelf moet ik 8 uur schilderen en heb voor A. de Witte van Biggekerke vannacht van 11.30 tot 1.30 uur op post gestaan.

Om reden hij niet erg in orde was.

16-17 april 1915

We hebben de laatste dagen prachtig weer en zijn een loopgraaf aan het maken, beneden aan den voet rondom het fort.

Gisterenmiddag ben ik op wacht gekomen waar ik ruim 8 uur van op schilderwacht stond.

Den laatste tijd komen we drukker op wacht, omdat velen onzer kameraden met 14 dagen landbouwverlof zijn. Dus moeten wij vanzelf hun wachten betrekken.

Overal in Nederland en in den laatste tijd vooral in Zeeland, wordt er veel gewerkt aan loopgraven en verschansingen, vooral in de buurt van Sloedam en Kruiningen.

Vele troepen trekken naar Zeeland. Op 13 april is te Goes door een compagnie soldaten, die daar een oefening hielden, een Duitse vliegtuig neer geschoten. De inzittenden, een officier en soldaat werden geïnterneerd. Voornoemd vliegtuig zweefde een helen poos boven Zeeland ter verkenning. De toestand op de verschillende posten is van dien aard, dat er hardnekkig gevochten wordt. Deze week werd het S.S. Katwijk geladen met graan voor de Nederlandse regering, getorpedeerd. En dit alles gaat door. Elke morgen vragen we elkander, wat het worden zal. Maar een die onze voorvaderen heeft bijgestaan is machtig ons ter zijde te staan, en zullen ons verdedigen onder Zijne bescherming als het moet.

Hem de eer. Leve Nederland en vooral het Oranjehuis.

19 april 1915

Van morgen hebben we gewerkt aan de loopgraaf en hebben den verdere dag vrij van dienst in verband met de verjaring van Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden.

21 april 1915

Gisteravond hadden wij plan gemaakt om van morgen 2.30 uur op te staan. In tussen hadden we een mannetje van de wacht gevraagd, mijn persoon en Timmermans te wekken.

Gingen daarop gerust slapen. Om 4 uur werden we pas gewekt en konden de 1e gelegenheid van Steenbergen niet meer halen. We gingen toen om 5 uur uit Willemstad per tram naar Oud Gastel. Daar aan gekomen moesten we 1½ uur wachten op verbinding en besloten daarom maar te lopen naar Steenbergen via Gastelveer en Kruisland, waar we na 2½ uur getippeld te hebben aan kwam.

Daar aangekomen hadden tijd tot 10 uur. Gingen naar een barbier om te laten scheren en genoten daar een heerlijk kopje thee, wat ons goed deed smaken.

Toen we in den tram kwamen, ontmoete ik 5 kameraden van Stavenisse, die ik sinds augustus niet meer gezien had. Wat een blijdschap als oudgedienden elkaar ontmoet.

Om 12 uur middag kwam ik bij Moeder thuis en mocht ik den verdere dag in de huislijke kring doorbrengen.

23 april 1915

De verlofdagen zitten er weer op, zo zeggen de soldaten die terugkeren naar hun afdeling, waar ze gestationeerd zijn. Ook voor mij is het zo. Na allen een tot weerzien te hebben gegroet, stapte ik van avond om half negen uur het ouderlijke huis uit, waar ik weer aangename uren heb doorgebracht. Mijn oudste zusters Maria en Helena Hendrika vergezelden mij naar den tram. In den tram ontmoete ik Timmermans uit Zierikzee en voort ging het naar Steenbergen, waar we ’s avonds 11 uur aan kwamen.

In station dronken we eerst een kopje koffie. Daarna marcheerden we af naar het fort “de Hel” via Dinteloord het was precies 11 uur toen we buiten de stad waren en voortging het door de maneschijn over de rechte grindweg naar Dintel en verder tot we na elf kwartier gelopen te hebben bij den schildwacht van de brug van het fort, die ons toeriep “Halt, Wie daar?” zodra we ons kenbaar maakten, mochten we passeren en lagen dan ook vlug onder de wo

24-25 april 1915

Het ging van ’s morgens alweer zij gewone gang. Bij elk signaal wisten we wat we te doen hadden. Van morgen af heb ik aan de draadversperring gewerkt. ’s Middags half twee uur kwam ik op wacht. Het was koud weer op post. Van nacht moesten we om 2 uur achtereen in ons schilderhuisje staan, omreden het zo vreselijk hard regende. De wacht is bijna afgelopen, hoewel de uren van op post staan voorbij zijn. Den avond bracht ik door bij mijn vrienden in het militair tehuis.

26 april 1915

Van morgen hadden we al vroeg reveille. Bij het aantreden werd ons bekend gemaakt dat we vereerd werden door een bezoek van Hare Majesteit. Onze geëerbiedigde Koningin Wilhelmina. Bij den op post staande schildwacht van Hair van Terneuzen van de lichting 1909, die op twee pas rechts van zijn schilderhuisje met gepresenteerd geweer, eerbewijs deed. Wij allen waren jaloers dat wij daar niet stonden en ik het meest van allen.

De fort commandant begeleidde Haar in het fort. Ze moest overal kijken en toen zij alles gezien had, ging ze voldaan weg. Ook wij waren voldaan over haar bezoek. Toen ze al knikkende weg reed. Bestormden wij op commando een der wallen en begroeten Haar met een driewerf Hoera. We hadden gewoon ons werkpakje met klompen aan.

Na de plechtigheid gingen we gewoon met ons werk door.

30 april t/m 1 mei 1915

Dit is weer een dag, die ik niet onbeschreven mag laten voorbijgaan.

Wij denken vandaag aan de verjaardag van H.K.H. Prinses Juliana die vandaag 6 jaar oud wordt. De jaardag van ons Prinsesje wordt niet gevierd als gewoon. Toch genieten die niet op wacht komen, een halve vrijen dag. Van voor middag hebben we aan de loopgraaf gewerkt en zijn na 12 uur vrij. De loopgraaf moest ik op eigen houtje uitvoeren en had daar veel hulp van Klaas van Mook uit Oosterhout en Ludue uit Middelburg.

Van middag mocht ik hem aan den Fort Commandant geheel afgewerkt afleveren.

Om half twee kom ik op wacht voor 24 uur. Op wacht dan van 30 april tot 1 mei.

Den nacht op wacht ging als gewoonlijk kalm voorbij, het was prachtig weer.

Bij het morgenkrieken konden we zeggen. Mei, de maand mei, doet zijn tijd eer aan. Het is nu de 10e  maand van Mobilisatie.

Welk een voorrecht dat we nog steeds gemobiliseerd zijn.

We hadden ook gesneuveld kunnen zijn, als zo velen onzer naburen, of in kommer en ellende leven. En nu volgt nog vrede en kalmte rondom ons. Welk een tegenstelling, als we dan horen het kanongebulder uit de verte, dat nimmer schijnt op te houden, daarom kunnen we nooit onzen dank genoeg brengen aan onzen Hemelse Vader, die ons Zijn zegeningen niet onthoudt.

Om half twee werden we afgelost. ’s Avonds bracht ik mijn tijd door in de Willemstad, te midden mijner kameraden in het Militair Tehuis.

4-5 mei 1915

Terwijl ik op post kwamen een fotograaf op het fort om de nieuwe loopgraaf op een plaatje te zetten.

Onmiddellijk werd ik voor een tijd afgelost en in vereniging van den fort commandant

  1. Harte en Sergeant Majoor Instructeur Van Dijk en Ludue militair soldaat werden we met de nieuwe loopgraaf op een plaatje gezet. Het is nu 9 uur op den avond en ben bezig mijn pantalon te herstellen, ook heb ik nog een paar sokken te stoppen. De wacht is ten einde en wordt onder het vallen van een zwaar onweder en stromen regens afgelost.

6 mei 1915

Het is van morgen al vroeg op staan, nog maar pas half twee uur.

Wij, Timmermans en mijn persoon gaan met verlof.

Na eerst ons zelven gewassen en inwendig versterkt te hebben, marcheerden wij om 2 uur

15 minuten van het Fort af naar Steenbergen om den tram te halen, die om 5.30 uur naar

Zeeland vertrekt. Om 4 uur 50 minuten waren we reeds te Steenbergen, en na 40 minuten

gewacht te hebben, konden we instappen en naar Nieuwerkerk reizen, waar ik reeds half acht

uur  in den morgen aankwam en mijn Moeder, broers en zusters weer in goeden welstand

mocht wederzien. Om half twaalf was ik weer al in Zierikzee, van waar ik per spoorboot

vertrok naar Katseveer en verder naar Goes, waar ik mijn geliefde Anna na enkele weken

mocht wederzien en in haar nabijheid den verdere dag doorbracht.

Het was prachtig weer, maar waar ik anders niets gedaan had dan gereisd en den vorige dag

op wacht was geweest, duurde het niet lang ’s avonds of ik lag in mijn kwartier bij Moeder

Wanne Schipper op Kloetinge onder de wol.

7 mei 1915

Om half zeven uur stapte ik op mijn ijzeren paard en reed naar Middelburg, waar mijn Vader

en broer Johan aan het werk waren. Om half acht uur was ik al bij hen, ook bezocht ik de

huisvader en moeder Lucas te Middelburg. Dat was een gezellig wederzien. Om half twee uur

reed ik weer terug naar Goes, waar ik de rest van de dag op een geen onbekende plaats

doorbracht en wier nabijheid ik nog dikwerf ( vaak ) hoop te vertoeven.

8 mei 1915

Van morgen moest ik Kloetinge en Goes weer al vroeg verlaten, want mijn verlofdagen zijn

bijna om. Ik nam toen van alle bekende afscheid en zette mijn reis voort naar huis, waar ik

half twaalf uur aankwam. ’s Avonds 5 uur vertrok ik weer van mijn Moeder en boers en

zusjes over Zijpe per boot naar Numans dorp – Willemstad.

Om half negen stappen we in de kantine op het fort en werden door alle aanwezigen begroet

met “Hoerae, hoerae”dat enige minuten door alle aanwezigen. Bleef duren.

Dit alles voor Timmermans, bijgenaamd “Koen “ op het fort “de Hel”, die eens had verteld in

zuiver Zierikzeesch dialect.

Wanneer er een schip ’t oot komt roepe ze oelemaele “Oerae.

Dit vond bij menigeen ingang. Nu gaf Koen er helemaal niet om wat ze tegen hem zeiden en

toen ze bij ons terug keren, zo hard riepen was Koen zelf den ergste.

Ik lag al spoedig onder de wol, want de schilderwacht aan de Brug, vertelde mij. Dat ik

morgen op wacht moest.

9-10 mei 1915

Om half twee uur werden we hedenmiddag van wacht afgelost. Het was prachtig weer en

aangenaam om op post te staan.

11 mei 1915

Ik heb vandaag kamerwacht; in den goeden zin des woord “kelderwacht”

Het is nog vroeg in den voormiddag en mijn werk is reeds gedaan.

Ook heb ik de Soldatencourant al gelezen en vernomen dat de Russen met grote snelheid

terug trekken. De Oostenrijkers en Duitsers behalen daar grote successen.

Vele Russische soldaten worden krijgsgevangen gemaakt.

Op het Westelijk front gaan de Duitsers zachtjes aan vooruit. Laatstleden 7 mei is een Engels

S.S. ( stoomschip ) met 1978 passagiers aan boord door een Duitse duikboot, zonder

voorafgaande waarschuwing getorpedeerd. Weinig mensen werden gered. Onder de

passagiers van verschillende nationaliteiten, waren ook Hollanders.

Ook Italië wil oorlog tegen Oostenrijk.

De mensenslachting neemt steeds een groter omvang in Europa. En voor ons land blijft er nog

steeds voor bewaard. Dank aan God, die ons Land en Volk tot hiertoe heeft bewaard voor de

verschrikkingen van den Oorlog.

Toch merkt men weinig tevredenheid onder medemensen, maar bemerken meer opstand tegen

den God onzer Vaderen. Dat aller ogen mogen open gaan voor Hem alleen, opdat wij waren

krijgsknechten mogen worden voor Jezus Christus en Oranje.

Heb God voor Koningin en Vaderland is voortdurend mijn wachtwoord.

15 mei 1915

De laatste dagen doet het voortdurend regenen. Op 13 mei jongs leden was het Hemelvaartdag.

Voor middag ging ik naar Willemstad  ter kerk, na middag was ik vrij van dienst, maar kon het fort niet verlaten van de stromende regen.

Heden 15 mei is de oudste Landweerlichting ( Militie 1899 ) af gepresenteerd.

De laatste dagen had ik het ziekencahier om voor den dokter te gaan naar Willemstad.

Ik vroeg aan Timmermans of hij mee wilde naar Willemstad en moest hem dan ook maar

even opgeven aan den Sergeant van de week. Ik zeg tegen hem; wat moet je mankeren en riep

terug ook maar kiespijn. Maar een ogenblik later stapten we met een ziekendrager naar

Willemstad. Ik was voor Timmermans om een kies te laten trekken en toen was hij aan de

beurt. Dokter vroeg wat voor tand hij er uit halen moest, waarop Timmermans zei, je haalt er

maar een uit, ze zijn toch allemaal slecht. Het is te begrijpen dat Dokter vreemd opkeek en het

overige personeel en ik het meest nog van allemaal grinnikten van plezier, temeer nog waar

Koen met zijn lief gezichtje, zulke pijnlijke trekken vertoonde, zijn handen krampachtig aan

de sporten van zijn stoel vastklemde en een ziekendrager zijn hoofdje in een houding bracht

die verre van aangenaam zijn. Alle voorzorgsmaatregelen waren genomen en toen kwam den

dokter met zijn tang ( die het in de gaten scheen te hebben ) en hem wel een beetje meer pijn

veroorzaakte dan nodig was. Na afloop zie Timmermans ik ga nooit meer met je naar den

Paardendokter.

Van middag hadden we dienst aan de ijzeren prikkeldraadversperring op het fort.

17 mei 1915

Gisteren middag om half twee ben weer voor 24 uur op wacht gekomen, dus van 16-17 mei. We hebben voortdurend den gehelen nacht regen gehad en moesten terwijl we op post stonden, voortdurend in ons schilderhuisje staan. In zulk weer wordt veel kou geleden en verlangen dan te meer om aflossing van de wacht.

20 mei 1915

De laatste dagen hebben we druk aan de prikkeldraadversperring gewerkt en aan onze handen is het goed te zien, iedereen loopt met verwonde vingers over het fort.

Gistermiddag hadden we een alarmoefening met theorie er bij, tevens in praktijk ( schijn beweging ) uitgevoerd. Zodra de Generale Mars geblazen werd, kwam alles in stelling, de gehelen dag was er mede gemoeid.

Van middag kwam de fotograaf om de gehele bezetting uit te fotograferen. We zaten met de Fort Commandant in het midden tegen een helling van een verschansing.

Ik zat aan den enen kant naast Luitenant Harte en Willen Rijn, van de lichting 1910 uit Goes aan de anderen kant, en zo werden we op een plaatje gezet. Deze kleine foto diende om een grote te maken en daarna gezamenlijk te sturen aan onzen vorige Commandant Luitenant Inklaar. Na afloop bestelde iedereen een kaart voor eigen rekening. Van middag kreeg ik ook die foto van de loopgraaf van mijn Luitenant.

22 mei 1915

Het is nog een dag voor Pinksteren en enkelen met mij deelden in het voorrecht om die dagen in den kring van geliefde te mogen doorbrengen.

Van morgen vertrok ik via Willemstad met de boot naar Zijpe en verder per tram, om dan 11.30 uur mijn geliefden te ontmoeten en begroeten.

Den verdere middag bezocht ik familie en ’s avonds was ik onder mijn vrienden, genaamd:

Adriaan C. van de Berg, wagenmaker, Cornelis van Westen uit Zierikzee, timmerman en Jacob Heijboer uit Zierikzee, landbouwer. Geen van drieën droeg de militaire broek.

24 mei 1915

Gisteren, Zondag, zaten we met het gehele huisgezin onder het gehoor van Ds. Van de Linde te Nieuwerkerk. En mochten we de blijde boodschap vernemen op deze schonen Pinksterdag.

Dat we blijvende leden blijven van Zijn Gemeenschap.

Heilige Geest werk in ons midden.

  • Geef nieuw leven meer en meer
  • O, vervul mij met Uw liefde
  • Die slechts op U hopen Heer
  • O Heilige Geest, o Kom
  • Want op U is mijn vertrouwen
  • Leer mij steeds op U te bouwen
  • Doop mij met Uw Heilig vuur
  • Daal neer, o Heer
  • Doop ons met uw heilig vuur.

Vandaag gingen we als kameraden een rondje fietsen naar Zierikzee en vernamen we dat heden nacht, dus van 23-24 mei, Italië den oorlog verklaard heeft aan Oostenrijk, Hongarije.

Weer maar opnieuw een mensenslachterij.

God geve dat er een einde aan moge komen.

Den verdere dag genoot ik bij Moeder thuis, in het bijzijn van ouders, broeders en zusters.

25 mei 1915

Van morgen was ik om 4 uur al van onder de wol. Ik zou mijn Vader helpen straten aan den Provincialen weg Zierikzee-Zijpe, in de buurt van Bruinisse.

Ik werkte tot den middag, mijn handen stonden vol blaren en mijn knieën deden mij veel pijn.

ik kon merken dat het geen alledaags arbeid meer was.

Na den middag reed ik nog even naar mijn familie op Bruinisse en ’s avonds 5 uur vertrok ik na afscheid genomen te hebben met nog anderen kameraden naar Willemstad, waar ik 9 uur aan kwam.

26 mei 1915

Het is weer morgen en alles gaat zijn gewone gang als altijd. Om 8 uur bij het appel werd ik ingedeeld bij de ijzerdraadversperring, waar ik tot middag 12 uur aan werkte.

Op den middag werd de wacht bekend gemaakt en werd mede ingedeeld.

Kwam om half twee uur op wachtparade en betrok de wacht van 26-27 mei 1915.

28 mei 1915

Gisteren middag half twee uur, kwam de wacht, na mooi weer te hebben gehad, af.

En lagen al spoedig op den strozak om een paar uurtjes te maffen.

Vandaag hadden we grote schoonmaak op en in het fort.

Er werd geschrobd, gezwabberd en muren gewit, enzovoort.

Iedere dag hebben we ons bezigheid, maar het is een dood leven en verlangen naar den dag, die een eind maakt aan Oorlog en Mobilisatie.

Dagen van vrede; nog nooit hebben we dat woord vrede zo goed horen klinken als in dezen tijd. En toch bezitten we geen Wereldvrede.

En toch is er vrede, vrede bij onzen Heiland.

Gelukkige mensen, die de vrede in Christus kennen aan hun harten, die hebben geen vrees, maar zijn geborgen voor tijd en eeuwigheid; geen granaat, kogel of bom kan hen scheiden van de liefde Gods. Dat we dan steeds nader komen tot Hem, die ons in Christus verlost van alle zonden.

1 juni 1915

Gisteren middag kwam ik op wacht en heden middag half twee uur, werden we afgelost.

Toen ik van morgen van 3.30 uur op post kwam, hoorde ik van uit Zuid West richting, zwaar kanongedonder van het Westelijk front.

Dagen waren er voorbij gegaan dat we het niet eens hoorden.

De laatste dagen gaan we na den dienst, bij boeren werken, die rondom het fort wonen.

Krijgen dan 15 cent per uur en hebben dan zaterdags dubbel soldij verdiend.

Die niet op wacht komt, gaat naar boer Punt, Danker of bij Maris van Hellewijk of bij Koos van de Hil.

Op het Oostelijk front, waar de Duitsers de grote stad  Premysl ( Tsjechië ) moesten verlaten, schijnen ze ( de Duitsers ) nu weer omsingeld te hebben.

En staat de vesting op nieuw aan een kanonnade bloot. Volgens de Soldatencourant zou Oostenrijk en Servië onderhandelingen met elkaar hebben om een afzonderlijke vrede te sluiten.

8 juni 1915

Enige dagen zijn reeds voorbij zonder iets te hebben genoteerd in mijn dagboek.

Door het zware onweder en de vele regens, kunnen we niet op het land arbeiden.

Van 5-7 juni ben ik met verlof geweest naar het ouderlijk huis en ook naar mijn geliefde Anna. Het waren aangename dagen om bij zulk gezelschap, dat zo na aan het harte ligt te mogen doorbrengen. In den avond van 7 juni reisde ik met nog vele kameraden naar Willemstad.

Ook was mijn neef Willem van de Berg met de tram in ons gezelschap, op weg naar Hellevoetsluis. Om half negen uur, kwam ik op het fort ”de Hel” aan. Klopte nog even bij den fort commandant aan en vroeg voor den volgende morgen een dag verlof naar Breda, die wij werd toegestaan teneinde inlichtingen te gaan nemen bij den opzichter van de Rijkswaterstaat voor een bestratingswerkje op de havendam van Willemstad, dat aan staande 16 juni wordt aanbesteed. Om 8.30 uur kreeg ik mijn verlofpas voor een dag naar Breda.

Trof mooi weer en genoot van de heerlijke reis.

9-10 juni 1915

Gisteren middag half twee uur kwam de wacht op in tegenstelling met voorgaande malen.

We beschikten nu over een dubbele wacht, waarbij een Luitenant Sergeant, 2 korporaals en 24 soldaten moesten de wacht betrekken in een loopgraaf aan de uiterste linie van onze stelling.

En kwamen dan ook met twee man op post aan de uiterste grens ( dubbel posten genaamd ),

met het oog op de vele spionnen, die rondlopen en die verwacht werden met nog veel verschillende volksstammen, die daar moesten passeren van uit Brabant naar Numans dorp, waar Paardenmarkt werd gehouden.

Het spijt me echter dat ik geen uitvoerige beschrijving meer kan geven, wat dien nacht voorviel ( hoe men op wacht den nacht doorbrengt ).

Dit alleen is nog bij gebleven, dat toen allen diep in slaap lagen ( dat wil zeggen, die uitrusten mochten ) en ik bezig was, enige aantekeningen te houden, bij het licht van een kaarsje.

Soldaat Izaäk de Lange van de lichting 1913 uit Middelburg overeind sprong, de loopgraaf uit liep en zich 30 meter onderlangs den dijk neerwierp; en doorsliep.

Ik was hem direct achtervolgt en had moeite hem wakker te maken, keek vreemd op en kon niet begrijpen hoe daar gekomen te zijn.

Het was een vreemd geval. Overigens verliep de nacht en dag rustig.

14 juni 1915

Van middag van wacht gekomen, het was schraal weer in den nacht van 13-14 juni.

15 juni 1915

Van morgen ben ik aangesteld als schrijver op het bureau.

Na herhaalde aanvragen van den fort Commandant en foerier, heb ik eindelijk toegestemd.

Ik was niet erg gestemd op het uiterlijk van Kees de foerier of liever gezegd foerier Geelhoed, die voor mij toch zoals later bleek goed was. Bij de manschappen stond hij overwegend niet goed aangeschreven.

16 juni 1915

Reeds vroeg was ik op stap met 3 dagen verlof naar Nieuwerkerk.

11 uur 30 voor middag kwam ik thuis aan en ging ’s middags straten.

De andere verlofdagen heb ik gestraat op de hoeve van Boer van Langeraard te Viane, Gemeente Ouwerkerk op Schouwen- Duiveland. En ben van avond 9 uur op 18 juni op het fort aangekomen, hoop spoedig op den strozak te liggen, want morgen moet ik op wacht.

19-20 juni 1915

Het is zondagmiddag en zijn om 12 uur van wacht gekomen. Het was prachtig weer.

Gisterochtend had ik het druk met vervoersbewijzen schrijven, omreden vele kameraden met verlof gingen.

Luitenant zegt tegen mij, je mag geen passen uit delen, dan na een uur. Want je weet dat bij de Stelling Commandant niet best in de pas staan.

En als Kapitein Seijn adjudant van de genie, Majoor onze mannen ziet, krijg ik zelf een bon.

Meteen zegt de Luitenant, geef die verlofpassen maar aan mij, dan weet ik zeker dat niemand voor tijd weg gaat.

Hij nam ze mee naar zijn kwartier, buiten het fort bij Jaap den Fortwachter.

De jongens stonden naar mij te zien en vertelde, het gesprek zo juist gehad met de Luitenant.

Maar zeg ik, ik zal ze trachten te bemachtigen, ging 11 uur voor middag naar zijn kwartier, begon met hem een praatje over het weer en wist na lang praten op zijn plaats te zijn gekomen. Kreeg tussen de bedrijven door gelegenheid de tafellade te openen, de passen te bemachtigen, weg te steken achter mijn rug en uit zijn omgeving weg te komen,

deelde vlug de passen uit en zou het in dien nodig wel voor eigen verantwoording op mij nemen.

Voor twaalf uur waren ze allemaal vertrokken.

Om half een kwam de Luitenant op het fort en gaf mij opdracht, soldaat Rijn te zoeken.

Rijn was met verlof en zei de het hem meteen dat hij weg was, want dat ik de passen had uitgedeeld.

Maar dat kan niet, zei de hij en vertelde op welke manier ik ze had weten te bemachtigen en uitgedeeld aan mijn kameraden.

Jongen, jongen, Wandeltje, je weet hoe we staan bij den Stelling Commandant en meer bezwaren. Je had zulks niet moeten doen, enzovoort.

Ik zeg Luitenant, ik kon dat niet laten. U heb ook een meisje en ik ook en wanneer ik daar een eer vroeger bij kan zijn, zal ik het niet laten en ik mag veronderstellen dat U ze ook graag ziet.

Hij begon daarop te lachen en zei; Wandeltje, Wandeltje.

22 juni 1915

Om 9 uur moesten we aantreden en gingen onder commando van Luitenant Harts naar het Hollands Diep zwemmen; dat behoort ook bij den dienst.

Bij terugkeren moest ik vervoersbewijzen schrijven en na den middag administratiewerk bij den foerier.

Dezer dagen kwam er een order van de Stelling Commandant, dat een zeker aantal soldaten beschikbaar moet worden gesteld, voor het maken van een vier kilometer lengte loopgraaf in de stelling van Willemstad.

Ook na den dienst gaan we zwemmen.

Van avond waren we, J. Donze van de lichting 1912 uit Terneuzen en mijn persoon uit gegaan.

Toen ik een eindweegs was weg gezwommen. Sprong Jaap in het water en toen ik hem voor de 3e maal onder zag gaan, riep ik een ander soldaat toe ( van uit Willemstad , die ook kwamen zwemmen,) pak hem beet. Tegelijkertijd pakte hij Jaap Donze bij zijn zwarte krullenbol en trok hem boven water. Dat we weer vlug aangekleed stonden laat zich begrijpen en vertelde hem meteen nooit meer met hem te gaan zwemmen.

23 juni 1915

We hebben grote oefening gehad door de gehele stelling.

Van uit zuidwesten richting rukten O Regimenten Infanterie tegen ons op. Alles lag in Stelling. Om 11 uur voor middag begonnen de kanonnen te schieten en om 12 uur namen we de vijand onder vuur met mitrailleurs en geweervuur. Vele soldaten vielen neer, nog voor ze aan de draadversperringen waren. Ziekendragers hadden handen vol werk de gewonden op berries naar de Rode Kruis ambulance te vervoeren.

Om 3 uur moest de vijand na een hardnekkige tegenstand retireren ( bedrijvig zijn zonder veel te presteren) en wij behielden de stelling met verlies van enkele manschappen, die buiten gevecht werden gesteld.

27 juni 1915

Zo juist terug gekeerd van uit Willemstad waar ik den middag ter kerk geweest ben.

Ds. sprak  over Vrede met God.

Ook ernstige vermaningen werden ons toegesproken.

Spreker bracht naar voren dat er zoveel gevloekt wordt onder de soldaten en dat degenen die den Heiland kennen en liefhebben hun kameraden daar voor moeten waarschuwen, zulks niet te doen.

Van 25-26 juni ben ik op wacht geweest en hadden nu 8 uur te schilderen.

We hebben nu 3 enkel posten en een dubbelpost. Op den middag van 25 juni hadden we bij de wachtparade zwaar onweder met stortregen.

Overigens hadden we een kalme wacht en goed weer, dat stemt een schildwacht aangenaam.

30 juni 1915

Bij den familie Schipper op Kloetinge zal ik nog even de pen ter hand nemen en enige regels schrijven. Met liefde wordt ik hier ( terwijl ik mijn verlofdagen bij mijn meisje kom doorbrengen ) in het gezellige huisgezin opgenomen. Wanneer de baas na het avondeten God dankt voor de liefde gewen. Genoten op den dag die bijna weer verstreken is, dan dankt hij ook weer tot hem mocht komen en dat onze Hemelse Vader mij voor zoveel ellende heeft bewaard en draag mij weer op van den troon der Genade, om waardig gebonden te worden Hem te belijden in het midden.. mijner kameraden. Wat heeft mij zulk een bidden veel kracht gegeven om staande te blijven in Christus Jezus.

En wat een liefde ik altijd mag ondervinden van zijn teerbeminde vrouw, als zij mijn moeder ware en Rika niet te vergeten, de tweede dochter, een meisje van dertien jaar. Het is of ik haar broer ben en moet haar altijd vertellen van uit mijn dienst.

Nog even deel ik mede dat ik om half negen per boot van Willemstad naar Zijpe voer en reeds om half twaalf bij mijn moeder aan tafel zat.

Mijn verlof was nu niet enkel voor thuis, want om 3 uur stond ik al weer op de spoorboot te Zierikzee en na een uur gevaren te hebben, stond ik op de Katseveer. Ik zat nog maar nauwelijks 5 minuten op de fiets en zag uit de verte mijn Anna aan komen. Hoe de ontmoeting was laat ik een ander bedenken. Mijn dag en tijd was voor haar bestemd en genoten dan weer na een lange afwezigheid van elkanders bijzijn.

1 juli 1915

Aan een wacht van 24 uur komt een eind. Maar ook om bij mijn meisje te blijven.

Toen ik om 7 uur er voor klaar was, reed ik per fiets naar mijn broer Johannes, die op den Rijksweg tussen Goes – ’s Heerarendkerke aan straten was. Brachten hem ook bij het wederzien de hartelijke groeten van huis. Om 11 uur voor middag zat ik weer aan de koffie bij Mejuffrouw Marteijn, die zich mede verblijdt met Anna, wanneer ik tegenwoordig ben.

De ontvangst is dan ook altijd even hartelijk en loopt altijd in mijn voordeel uit.

Reeds nu weet ik dat we 3 uur fietsen kunnen gaan.

Van 2.30 uur tot 7 uur mochten we in elkanders bijzijn die middag door brengen met fietsen, totdat het tijd werd, aan boord te stappen en was het laatste nu tot weerziens lieve An.

Den zelfden avond kwam ik 8.30 uur thuis.

2 juli 1915

Vroeg stond ik op Viane.

Van morgen heb daar eerst mijn Vader helpen straten tot van middag half een uur.

Kwam een uur thuis om te eten en bleef tot 5 uur in den huiselijke kring om daarna, na allen afscheid genomen te hebben ( met zuster Helena, die mij naar den tram bracht op de Ring van Nieuwerkerk ) mijn reis voort te zetten naar het fort “de Hel”.

Ook stapte met mij den tram in, Pieter Cats van mijn lichting en samen gingen we met nieuwe moed ons dienst waarnemen.

3-4 juli 1915

Op 3 juli stond de wachtparade aangetreden en moesten we met 3 man eerst op post.

De Korporaal van aflossing commandeerde “Geeft Acht, Presenteer geweer, magazijn vullen, haanpal om. In plaats dat mijn nevenman den haanpal omlegd, trekt hij aan den trekker en gaat er een schot af. Gelukkig liep alles goed af. Dit was nu de 2e maal dat zulks naast mij gebeurde. Eerst had W. Rijn het ongeluk en nu militair soldaat Burchart de Vos van de lichting 1913 uit Vlissingen, die altijd stond te schreien, wanneer hij op enkel post moest staan, en anders den gehelen dag alles vervloeken, dat gaat bijna altijd door, als je met zulke klanten te doen hebt. Zulke jongens vertrouw ik niet, dat zijn mannen die, wanneer het er op aankomt, hun eigen kameraden zouden overgeven aan den vijand. Die men ook zouden kunnen noemen, landverraders op zijn zachtst uitgedrukt. Gelukkig hadden we er zo maar een op het fort, de anderen waren, van zesje klaar.

Om twaalf uur kwamen we van wacht en hadden maar 7½ uur op post gestaan. Het is nu zondagmiddag, het was prachtig weer op wacht en hoop den verdere dag in Willemstad door te brengen, bij mijn kameraden in Tehuis.

7-8 juli 1915

De wacht is weer ten einde. We troffen slecht weer, want het stormde ontzettend.

Om half twaalf uur kwam ik op post bij een onderaardse schuilplaats, waar oorlogsmaterieel in opgeborgen lag. En waar we als consignes hadden, dat niets daaruit weg gehaald mocht worden.

Het stormde ontzettend en het was aardedonker, ik liep boven op den Stadsendijk, diep in mijn overjas met kraag recht op, het geweer aan den schouder, nu en dan een blik werpend naar de hoge bomen, in de hoop dat ze maar staan bleven.

Terwijl ik zo heen en weer liep, zag ik van af Willemstad door de dreef een lichtje naderen.

Dat steeds nader kwam en op 100 meter van mij af passeerde naar mijn kameraad, die op post stond op den Sabinadijk en die ik door al dat weer op ongeveer 300 meter. “Halt” hoorde roepen.

Ik dacht zou dat nu dien Luitenant van Piket zijn ( Bormaar genaamd ) van uit Willemstad.

Die nooit aan onze wacht gecommandeerd was en van wier menige schildwacht een rapport kreeg, dat soms op straf uit liep.

Ik had hoop en had het reeds zo dikwijls gewenst hem op post te ontmoeten.

Mijn verlangen werd vervuld, want voor mij zag ik hem aankomen.

Ging daarop recht op hem af en draaide mij, toen ik hem had genaderd, rechtsomkeert                  ( zonder hem aan te roepen ).

Ik mocht iemand aanroepen, maar het was niet nodig, ik had maar te zorgen dat ze niets ontvreemden.

Meteen hoorde ik, Schildwacht,.. Schildwacht.

Ik zeg, wat wil je van mij.

Hij sprong van zijn fiets en vraagt mij; Weet je wel, wier ik ben?

Ik zeg ja; Ik geloof dat U, Luitenant is.

Hij meteen zijn revolver met tas naar voren schuivende. Kijk nu eens goed.

Ik zeg; Het schijnt dat U Luitenant van Piket ben.

En vroeg daarop naar mijn consignes.

Waarop ik antwoordde hem, die niet te zeggen.

Reden bovendien dat hij niet aan onze wacht gecommandeerd was.

En al was ik gecommandeerd aan jullie wacht?

Dan zei ik het U nog niet.

Ik gelast je mij de consignes te zeggen

Nooit van een Luitenant, of mijn wachtcommandant of Korporaal van aflossing moet mij zulks gelasten.

Hij vroeg, wie ik was en waar ik bij behoorde.

Zegde hem mijn naam als volgt:

Wandel M. militair soldaat bij 14e Regiment, II Bataljon, 2e Compagnie.

Dat kan niet zei hij, ik zeg ja Luitenant.

Ik ben gedetacheerd bij 3-II-14 op fort “de Hel”

Dus zei hij weer; je komt van de grens; heb je wel eens geschoten?

Ik zeg; Luitenant, daar ben ik niet bang voor, als het nodig mocht zijn.

Dus schildwacht, je zegt je consignes niet.

Daar behoef je mij niet meer naar te vragen.

Waarop hij zei, ik zal je Fort Commandant er over spreken.

Bleef nog een ogenblik bij mij staan en zei mij eer hij vertrok 3 maal goeden avond, Schildwacht.

Om half twee uur kwam de aflossing en vertelde wat was voorgevallen op post.

Toen ik in de wacht kwam, vertelde ik het aan den Wachtcommandant, die het geval rapporteerde aan den Fortcommandant.

Toen de wacht in het geweer kwam en geïnspecteerd werd. Moest ik daarop bij mijn Commandant komen en verzocht mij, het gehele geval te vertellen.

Ik vroeg eerst, Luitenant. Is een schildwacht verplicht zijn consignes te zeggen aan een Luitenant van Piket, ja of neen?

Hij zei, feitelijk, feitelijk;

Ik zeg, Luitenant zeg maar neen, want het hoeft niet. Bovendien moet hij nog een oranje sjerp aan hebben, als het volgens den dienst behoort uitgevoerd te worden.

Toen zei hij neen, het geen wat je gedaan hebt is goed volgens de Garnizoensdienst.

Ik begon daarop mijn vertelling, zoals reeds omschreven en vertelde hem dat hij vandaag op het fort kwam voor nader onderzoek. Want ons Luitenant van Piket voelde zich beledigd.

De Fort Commandant zei; je heb je kranig gehouden en flink je dienst gedaan.

En kon daarop naar de wacht terug keren.

De jongens zaten meer met het geval in dan ik zelf en waren bang voor mij dat ik daar niet heelhuids van af zou komen.

Ik zeg, laat dat maar aan mij over.

Ik meende toch mijn dienst te kennen en als het erop aan komt, ga ik al was het mijn recht zoeken bij Hare Majesteit, onze geliefde Koningin.

Den uitslag als volgt;

De zogenaamde Luitenant van Piket, kwam op het Fort.

En werd door mijn Commandant uitgelachen.

Was daarover zo uit zijn humeur, waarop hij zich beklaagde en rapport uit bracht bij den Generaal Majoor Stelling Commandant van het Hollands Diep en Volkerak.

Dat liep voor hem nog minder goed af en kreeg een geducht standje, omdat hij niet goed had gehandeld tegenover den op post staande schildwacht.

Den avond van 6 juli, heb ik een scheepje grind helpen lossen ( waar een paar cent mee te verdienen viel ) voor een aannemer uit Willemstad.

17 juli 1915

Enige dagen zijn voorbij gegaan.

Op 13 juli ging ik met 5 dagen verlof, waaronder 2 extra dagen, die ik van mijn Commandant cadeau kreeg. Om 12 uur middag kwam ik thuis en vernam van Moeder dat mijn Vader en oudste broeder aan straten waren op den Provinciale weg Zierikzee- Zijpe.

Ik ging direct mijzelf verkleden en na het middageten gebruikt te hebben, reed ik naar het werk. Loste mijn Vader af en zei, ga er nu maar eens 4 dagen uit, dan zal ik weer eens met Johannes na lange afwezigheid samen werken.

Die dagen gingen dan ook vlug om. Overdag op het werk en ’s avonds in de huiselijke kring.

Maar ook zij gingen als de anderen voorbij, in dien tijd ontmoette ik veel oude wapenbroeders, waarmede ik aan de grens had gestaan, ook met enkele dagen verlof thuis.

Op den laatste dag van mijn verlof, nam ik weer van allen afscheid en maakte mijn reis via Zijpe – Numans dorp-haven – Willemstad en kwam om 9 uur ’s avonds in het fort aan.

Mijn kameraden blij mij weer te zien.

20 juli 1915

Op 18 juli was het Zondag en daar ik de gehele dag vrij was, ging ik naar Willemstad ter Kerk, waar ik weer onder de klanken aan zat van het heerlijke Evangelie van Jezus Christus.

Van middag ben ik van wacht gekomen, dus van 19-20 juli. De wacht is kalm voorbij gegaan.

Het kanongebulder konden we goed waarnemen.

Op het Oostelijk front worden de Russen met grote verliezen terug geslagen.

Op het Westelijk front kleine aanvallen, even zo op de andere fronten.

In Holland gaat alles zijn gewone gang. Grote oefeningen worden gehouden, maar overigens is alles rustig.

Bij een ieder is een groot verlangen naar vrede.

Niet alleen bij ons is zulks het geval. Mijn slaapje Willem Visser van de Lichting 1907 uit Retranchement, spreekt nogal eens Duitse Wachten en ook zij zullen blijde zijn, wanneer het vredes uur is aangebroken, want zij allen verlangen naar hun haardsteden, waar geliefde betrekkingen op hen zitten te wachten.

Op het fort gaat alles rustig.

De manschappen, die overcompleet zijn gaan aan de loopgraaf werken, die den naam gekregen heeft van den IJzer en waar ze enkele nieuwe batterijen plaatsen aan de Zeedijk, tussen de beide forten Sabrina-Hendrika en de “Hel” wordt genoemd de Dardanellen.

Ik zelf ben buiten de wacht, schrijver op het bureau.

23-24 juli 1915

We hadden een aangename wacht met wachtcommandant; bovendien prachtig weer voor den schildwacht. In het wachtlokaal vermaakten wij ons met dominospel, dammen, weer anderen zaten te kaarten, te lezen of te schrijven.

De Russen worden steeds achteruit geslagen en op dezen voortgang zal het niet lang duren of Warschau zal moeten vallen in de handen der Centralen.

31 juli 1915

In den morgen van 28 juli ging ik met 3 dagen verlof naar Goes.

Reisde van Willemstad via Oud Gastel, Steenbergen, Nieuwerkerk.

Om 11.30 uur kwam ik bij Moeder thuis en ’s middags vergezelde mijn zus Helena mij, naar de boot, bestemd voor Katseveer.

Stapte om 4 uur na middag in huis bij de ouders van mijn meisje en bracht 2 dagen bij haar door. Om 9 uur ’s morgens op 30 juli nam ik weer afscheid van haar en kwam om elf uur weer bij mijn Moeder thuis op Nieuwerkerk.

Die zelfde middag ging ik mijn Vader helpen straten en maakte het onderhoudsbestek op die middag af. Om 5 uur vertrok ik weer van allen afscheid genomen te hebben naar het fort terug en kwam half twaalf uur in het fort aan en ging tegelijkertijd onder de wol.

Om 7 uur voor middag ging ik met mijn gewone werkzaamheden weer aanvangen.

Het is nu 4 uur op den middag en mijn gedachten gang verplaatst zich naar den dag van het vorig jaar. Veel is daarop gebeurd, duizenden jonge levens zijn weg gemaaid op de slagvelden van Europa en daar buiten en wij zijn nog die we zijn.

Onze dank stijgt op tot den God onze Vaderen en onze ogen blijven op Hem gevestigd.

Hij bestuurd ons lot. En Hij alleen weet wat wij behoeven.

Op 23 juli heeft Nederland het wetsontwerp aangenomen tot oproeping van de jongste lichtingen van den Landstorm, zodat verwacht mag worden, spoedig een aanvang zal worden gemaakt met de africhting der jongste manschappen.

1-2 augustus 1915

Om half twee kwam ik van wacht en genoten bijzonder mooi weer.

Den verdere dag ben ik vrij als altijd.

Ook de vorige manschappen zijn vrij van dienst, van na een uur na middag met de verjaring van de Koningin Moeder.

God schenk haar nog een gezegende ouderdom.

Op het Oostelijk Front gaat de gedachte van de Rus zelf dat de val van Warchau aanstaande is.

6-7 augustus 1915

Gisteren middag kwam ik voor 24 uur op wacht. We hadden prachtig weer.

Dezer dagen is ons wachtlokaal vergroot. Het vorige noemden we onderzeeër, omdat het lang en smal was en dit krijgt den naam van Torpedo. Het is vrij wat aangenamer.

Op 6 augustus hebben de Duitsers Warschau ( de hoofdstad van Polen ) ingenomen.

De Russen trokken terug met weinig verliezen.

11 augustus 1915

Heden avond 9 uur ben ik van verlof op het Fort terug gekeerd.

Sinds 9 augustus heb ik mijn verlof in de Ouderlijke woning mogen doorbrengen.

Mijn Vader en broeders waren op Walcheren en Zuid-Beveland aan het straten.

Tijdens mijn verlof bracht ik een bezoek bij familie en vrienden en mocht ook nog uit passagieren met mijn neef Willem van de Berg ( matroos Torpedist ) op een van de C/I gestationeerd te Vlissingen op een Torpedojager, die ook in zijn ouderlijke woning op Bruinisse met verlof was. Ook mijn oud slaapje Goedegebuure van Nieuwerkerk mocht ik ontmoeten en tevens de groeten mede geven naar mijn oudere kameraden van de 2e Compagnie II Bataljon.

12 augustus 1915

Met 40 Infanteristen hebben we een snelheidsmars gemaakt van uit Fort “de Hel”

We stonden vroeg op en waren gereed tot vertrek dat onzer Fort commandant ons toesprak.

Jongens, laat nu eens zien dat de jongens van “den Hel” kunnen lopen, opdat we bij den Stelling Commandant, waar we niet best staan aangeschreven in een goed blaadje komen staan.

We kregen daarop allemaal een stukje Kwatta en beloofden hem om uiterste te beproeven.

Om 7 uur ging er een ploeg weg van het 6e Regiment Infanterie

Om 7.30 uur vertrok er een afdeling van de vesting Willemstad en van Fort Bovensluis, terwijl wij ”de Hel” met “Sabina- Henrica” vertrokken om 9.30 uur.

We hadden een afstand af te leggen van 24 kilometer met aan het eind 200 meter looppas.

We marcheerden over Heiningen, Nieuwe Molen, Fijnaard, de Klundert, Nieuwe Schans, Het Fort, Boven Sluis en zo naar Willemstad, door de Landpoort naar de haven, waar we aankwamen en na 200 meter looppas op twee gelederen, Halt en front maakten voor den Stelling commandant, ( De eregroet door de individuele gewapende militair )

zodra hij wist dat Fort de Hel er bij was, marcheerde er wat aan die soldaat kepie of pantalon of stond die niet recht genoeg en dan gaat je als een kip die pip heeft.

Dan denk je bij je zelf, wat zijn we dwaas geweest, zo hard te lopen, maar we hielden veel van onzen Commandant Luitenant J.J. Harts en we hadden het ook gewonnen.

Fort den Hel in 4 uur 32 minuten zonder uitvallers, maar we hadden het taai, ik zelf ook, en hielpen elkander dragen en slepen.

Het 1e uur liepen we 9 kilometer, maar hoe verder we kwamen hoe langzamer we tippelden.

Willemstad had 4.35 uur gelopen en had op Klundert nog 800 meter afgesneden.

6e Regiment in 4.40 uur afgelegd. Sabina- Hendrica had uitvallers.

Te Willemstad kregen we een uur rust en daar we zo’n grote dorst hadden, bestelden we een kruik bier, die er evenwel zo koud inviel dat ik hem liever nooit gezien had. Dat had mijn hachje kunnen kosten, want ik lag te kruipen op de grond, maar kwam toch later bij.

En na een uur rust marcheerden we met ons clubje naar fort “de Hel “, waar de Fortcommandant en andere manschappen ons stonden op te wachten.

Aan het zingende kwamen wij aan en toen we de mededeling deden dat we 1e prijs hadden.

Sprak de Luitenant ons aan en bedankte ons allemaal voor den moed die we hadden betoond.

We kregen van uit zijn portemonnee een flesje limonade en 3 sigaren en de fonograaf die we met de bezetting hadden aangekocht, gaf een extra nummer ten beste van,

“Waarom ligt de zee aan Scheveningen? Waarom niet bij Amsterdam? Op Rembrandtplein de pier, daar had je veel plezier enz. enz. enz.

Met een 3 maal hoera, rukten we in.

13 augustus 1915

Bij het opstaan van ons wolletje, voelden we ons allemaal stijf.

Maar op het gewone uur ging ieder zijn dienst waarnemen.

Ik had het druk met vervoerbewijzen schrijven omdat ik zelf een uur na middag met verlof mocht gaan. Nog maar pas ben ik van verlof teruggekeerd en nu weer met verlof?

Dat komt, omdat we nu met 3 dagen verlof gaan om de 14 dagen en bof er nu bij met het ingaan van de nieuwe verlofregeling. Mijn reis maakte ik over Oud Gastel, Steenbergen en zo naar huis, waar ze vreemd op keken mij weer te zien, maar toch zal ik van nacht in het ouderlijk huis slapen.

16 augustus 1915

Mijn verlofdagen zijn weer ten einde. Het waren gezellige dagen thuis. Alle familieleden waren tegenwoordig en gezamenlijk mochten we mede op gaan naar den Tempel en aanzitten onder het gehoor van onzer dorps predikant P van de Linde, die de blijde boodschap weer verkondigde van het heerlijke rijke Evangelie.

Het was lang geleden dat ik op Zondag thuis mocht zijn, maar nu mocht ik delen en die grote vreugde om in elkanders nabijheid te verkeren van ouders, broeders en zusters op zondagavond.

Om 5 uur van avond naar ik van allen afscheid en kwam via Steenbergen, Oud Gastel om half twaalf in het fort aan en onmiddellijk na het lezen van een paar brieven die mijn slaapje voor mij in bewaring genomen had, ging ik spoedig naar mijn krib boven mijn slaapje om heerlijk te maffen.

17-18 augustus 1915

Gistermiddag kwam ik om 12 uur op wacht, in tegenstelling met voorgaande malen, hebben nu 3 enkel posten te betrekken en moeten nu 8 uur op post staan.

Met 9 soldaten kwamen we op wacht. We hadden een gezellige wacht van 10-12 uur. Gisteravond had ik het druk met aanroepen. “Halt, wie daar?” en dan hoorde men “Militair”, waarop dan mij werd terug geroepen “Passeert” Van middag gingen we na wacht te zijn afgelost, zwemmen.

23-24 augustus 1915

Het is avond van 24 augustus, zojuist zijn we van uit Willemstad op het Fort aangekomen.

Na den dienst waren we naar stad gegaan om ons haar te laten kappen en daarna naar het Tehuis waar we tot 9 uur bleven praten met enkele vrienden, als “ De Valk” Manneke, Cats en J. Boogerd. Laatst genoemde van de lichting 1914 van Oosterland.

Van middag 12 uur kwamen we van wacht en hadden prachtig weer om op post te staan.

Op den middag van 23 augustus omstreeks 5 uur ontdekte de schildwacht, die aan de brug op post stond een vliegtuig. Men kwam tot de ontdekking dat het een Hollander was, kenbaar aan 4 oranje cirkels.

Dagelijks werken de soldaten aan de loopgraaf ( IJzer ) en aan de Batterijen ( Dardanellen ) genaamd.

31 augustus 1915

We genieten vandaag van een vrije dag, uitgezonderd de wacht.

Onze geëerbiedigde Koningin Wilhelmina wordt vandaag 35 jaar. God schenk haar nog lang leven voor haar Huis en Vaderland?

Sinds 28 augustus geniet ik verlof.

Op den avond van 27 augustus kwam ik thuis en mocht ze voor zover ze aanwezig waren ontmoeten en begroeten.

De volgende dag 28 augustus reed ik naar Middelburg, bezocht daar Vader en Moeder Lucas in het Militair Tehuis en waren van weerskanten blijde elkaar te mogen weerzien na zo’n lange tijd. En dan in zo’n rusteloze langen tijd, waar we iedere dag te wachten sta, dat ook hier oorlog kan worden.

Dien zelfden middag bracht ik een bezoek bij mijn broeders, die op Nieuw en Sint Joostland aan straten waren, bleef ik enige tijd bij hen en reed tegen de avond naar mijn Anna in Goes.

Blijde elkander weer te zien, bleef bij haar tot in den morgen van 30 augustus.

Was tijdelijk ingekwartierd bij de familie Schipper op Kloetinge en reed samen met mijn broer Johannes naar Middelburg. Vandaar reed ik naar Vlissingen en toen ik aan de Buitenhaven kwam, kreeg ik nog juist tijd, mijn neef W. van de Berg, van af de wegvarende torpedoboot te begroeten. We hadden beiden veel spijt, doch het hielp niets.

Ging daarna naar de kazerne Willem II, bezocht daar enige dorpsgenoten en gebruikte een paar broodjes in de kantine.

Daarna reed ik weg naar Katseveer, verder per boot naar Zierikzee en kwam ’s avonds 8 uur weer bij moeder thuis.

Vandaag bleef ik bij mijn ouders, broeders en zusters tot van avond 5 uur.

Vertrok na afscheid genomen te hebben en kwam zoeven om 9 uur op het fort aan.

3 september 1915

De laatste dagen is het druk met schrijven op het bureau. Sinds ik met verlof was is er een order gekomen, dat het Vesting Bataljon of III Bataljon 14e Regiment gelegerd in de stelling Willemstad en of Ooltgensplaat  over gaan naar het veldleger in Zeeland.

Ook dat vraagt veel schrijfwerk.

Vandaag ben ik begonnen een stuk bestrating te maken op de Helse Haven, wat ik had aangenomen van Vosters, een aannemer uit Willemstad. Van Hair, van de lichting 1909 uit Terneuzen, is mijn opperman en moeten zulks waarnemen in onze vrije uren.

Op het Oostelijk front gaan de Duits- Oostenrijkse troepen steeds voort groter terrein met steden en dorpen in te nemen.

Op het Westelijk front blijft het steeds het zelfde, kleine aanvallen.

5 september 1915

Het is zondagavond 8 uur, met z’n tweeën zitten we op het bureau, waar ik nog even enkele aantekeningen zal maken. Van middag 12 uur kwam ik van wacht. We hadden best weer gisteravond, toen ik van 8-10 uur op post stond, kreeg ik een lekkere kop koffie van een burger, niet ver van mijn post. Zo’n bakje troost smaakte den schildwacht.

Van 2-4 uur s ’nachts,  toen ik weer op post stond, kwamen zware onweerswolken opzetten, die ook spoedig weer weg dreven.

Ik ga nog even de wacht verzoeken, mij morgenochtend 4 uur te wekken, want ik zou graag gaan straten van 4-7 uur.

8 september 1915

We hebben een uur vroeger reveille dan andere dagen.

De ene helft van de manschappen moest gaan schieten, terwijl de andere helft een scheepje planken moest lossen in Willemstad, voor een nieuwe kantine, die hier op het fort moet worden geplaatst. Ik behoorde bij de laatste afdeling.

Om 11 uur waren we daarmede klaar en gingen onder leiding van een Sergeant naar het Schietterrein, van waar het wachtpersoneel en corvees om 12 uur afmarcheerde naar het fort.

Om 2 uur zat ik weer te schrijven op het bureau en na den dienst, ging ik weer straten.

De Duitsers hebben Grodno aan de Memel ingenomen, dagelijks worden daar grote veldslagen geleverd

Van middag was het mijn beurt om op wacht te komen, maar een soldaat die morgenmiddag om 5 uur met verlof moest, vroeg of hij voor mij op wacht mocht, dan kon hij, in plaats van 5 uur nu na de aflossing der wacht 12 uur vertrekken.

Soldaten kunnen goed rekenen als ze er wel bij varen.

Nu was hij vrij van dienst na 12 uur. Om elkander te helpen wordt alles gedaan en stemde er vanzelf volkomen mee in.

15 september 1915

Enige dagen zijn reeds verlopen, sinds ik mijn dagboek vervolgde. Reden daarvan zijn deze, dat ik het den laatste tijd te druk heb en mijn vrije uren helemaal moet besteden aan mijn bestratingswerk.

Van 12 tot 14 september had ik verlof, waarvan ik een dag thuis was en de rest voor mijn werk gebruikte om te straten.

Van morgen werd het bekend dat we aan staande 30 september vertrekken naar het Veldleger naar Yerseke ( Zeeland ).

Onder de manschappen wordt er druk over gesproken. De een blijft liever hier en een ander gaat er liever eens uit.

Zo vrij als het op het fort is, zal het niet zijn, maar wat het gezellige leven betreft, zullen we winnen.

19 september 1915

Het is Zondagmiddag 1 uur, om 12 uur ben ik op wacht gekomen voor 24 uur.

Van morgen heb ik onder het gehoor gezeten van den Predikant uit Willemstad.

Het is weer enige dagen geleden dat ik op wacht geweest ben, tussen deze en de laatste wacht, had ik er twee moeten doen, waarvan ze er een hadden overgenomen en bij de andere keer dat ik op moest, was ik in verlof.

De laatste dagen is het inspectie van de manschappen hadden vergeten op te geven, dat hun verbandpakje zoek was, waarvoor ieder 2 nachtjes Politiekamer voor kregen.

Een paar andere waren met toestemming van hun Sectiecommandant bij de boeren gaan werken, zonder dat de Fortcommandant er iets van wist.

Die beiden kregen 10 dagen provoost en de Sergeant 14 dagen arrest.

Zo valt er hier de laatste tijd veel straf.

Houben, soldaat uit Tilburg, zoon van een rijken lakenfabrikant, welks vader een telegram zond, hoe het met zijn zoon ging, stuurde zijn vader het volgende bericht.

Een jongen, die slecht oppaste, reeds 3 straflijsten vol had met arrest, Politiekamer, Provoost, Cachot en op punt van naar de klas gezonden te worden,

die heden avond te laat op het fort kwam met P. Martens van uit Kwadendamme, die heden avond in Dinteloord, bij pachters van boerderijen van zijn vader, geld hadden opgelicht en aan het boemelen geraakt.

Toen hem zijn vader vroeg, hoe zit het, telegrafeerde hij terug, Papa, het zit goed.

Martens kreeg 4 nachtjes politiekamer en Houben 21 nachten.

De eerste omdat hij nog nooit gestraft was geweest. Zo valt er nog al eens straf.

Mijn werkzaamheden met straten zijn afgelopen.

Ook is er een scheepje keien aangekomen te Willemstad, wat mijn Vader had aangenomen.

Op 17 september kwam mijn vader naar die keien kijken.

Ik kreeg in den voor middag een paar uur vrij en zo konden we samen het werk opnemen.

Gisteravond hebben we met z’n drieën H.H. Liefbroer, P. de Ridder en mij persoon den avond doorgebracht bij Burgers, onder de Oude Molen woonachtig.

20 september 1915

Van middag om twaalf uur kwam ik van wacht, den nacht was koud en niet aangenaam om te schilderen.

Na de middag heb ik mijn uitrusting eens nagezien en opgepoetst en daar het nu 9 uur op den avond is, verlang ik te gaan maffen op mijn strozak.

Ik heb den gehelen avond nog aan het schrijven geweest bij den foerier, kreeg van hem een fijne sigaar, een paar koppen chocolademelk, dat houd een mens staande, want na de wacht voel je zelf niet zo fris meer.

21 september 1915

Op het ogenblik zit in het Militair Tehuis in Willemstad, onder mijn vrienden en het is bepaald al aangenaam om met elkander samen te zijn.

23 september 1915

Niet als gewoonte zit ik op het fort, maar op mijn zolderkamertje in de ouderlijke woning.

Af en toe word ik van mijn vijf zusters met vragen overladen en als ik dan geen uitweg meer zie, roep ik, “Moeder, de meisen willen nie nae bed”en dan hoor je weer van alle kanten,

“Jongen zwiegt, Merien au je monde”en nog meer van die lieve uitdrukkingen.

Maar als slot van mijn uitroep is alles stil en krijg ik nog even gelegenheid mijn wetenswaardigheden te vereeuwigen op papier.

Gisteravond ben ik thuis gekomen voor 3 dagen met mijn laatste verlof uit fort “de Hel”.

Ik ben een dag vroeger thuis dan de verlofregeling voorgaf.

Mijn verlof ging in vrijdagmorgen met een reisdag vooraf, dus donderdag en eindigde zondagavond.

Ik ging daarop naar mijn Commandant en verzocht hem een dag vroeger te vertrekken en een dag vroeger terug te keren. De Commandant vroeg waarom en vertelde hem daarop dat ik het zondagreizen in strijd achtte met mijn beginsel.

Kreeg toestemming om van woensdag tot zaterdagavond te vertrekken. ’s Morgens had ik dienst op het bureau. Omstreeks 11 uur ontdekte de schildwacht, die post voor het geweer was, een vliegmachine boven de Stelling.

Onmiddellijk werd de Commandant verwittigd en ontdekte door zijn kijker, dat het een Duitse tweedekker was. Het toestel was te hoog om op te schieten, de uitwerking daarvan zou vruchteloos zijn.

Na de middag ging ik op stap nar fort Sabina Hendrica, liet mij overzetten naar Ooltgensplaat door torpedisten en voer op den Rotterdamse tramboot naar Zijpe en verder per tram naar Nieuwerkerk, waar ik 2 minuten later in de ouderlijke woning aankwam, blijde mij altijd weer te zien. Wat is het heerlijk van tijd tot tijd naar geliefde betrekkingen te kunnen weerkeren.

Ach hoe vele mijner lotgenoten, die ook met de wapens ter hand hun plicht gingen vervullen in de gelederen van hun Vaderland, liggen nu O, oorlogsgruwel onder de groene zoden op soldaten kerkhoven, slagvelden van het met bloed gedrenkte Europa.

Dan is daar een stem in mijn hart, die zegt “Heer wie zijn wij, dat Gij onze gedenkt”.

Wat grote voorrechten schenkt onze Heiland, als we dat alles dan gade slaan, dat we nog ongestoord bij onzen mogen vertoeven. Maar straks moeten we weer scheiden voor hoe lang?

God weet het. We zijn geen uur zeker van ons leven en dat gevoel ik altijd diep aan mijn hart.

Scheiden doet pijn en al zitten we bij het heen gaan nog zo opgeruimd. Soldatengezicht…Scheiden…doet  pijn.

Maar heerlijk is het voor den Christen soldaat dat, wanneer hij alle aardse betrekkingen heeft vaarwel gezegd, hij niet alleen staat, maar met Jezus mede gaat, die voor hem is een Leidsman, Helper, Verlosser, Borg en Zaligmaker.

Dan mag er oorlog komen en al wat gruwelijk is, maar dan weten we, dat we veilig zijn en kunnen te allen tijde mede instemmen met dat heerlijke lied uit den Bundel van Johan de Heer, lied 650: 1.2.3.4.

Ik eindig en kruip vlug onder de wol, want het is in tussen stil en laat geworden.

26 september 1915

Het is zondagavond en zijn juist present bij het avondappel.

Na telling zijn we met nog ruim 20 manschappen op het anders 90 man sterke fort.

De overige manschappen zijn allemaal nog eens met verlof naar huis.

Gisteravond ben ik weer op het fort aangekomen tot blijdschap van mijn kameraden, men ziet elkaar graag met verlof gaan, maar ook weer met even veel genoegen weerkeren, om lief en leed saam te delen.

Om 8 uur van morgen was het eten en om 9 uur marcheerden we naar kerk in Willemstad.

Daar kregen we teerkost voor onzen levensweg. Ds. sprak over de rijke jongeling uit het Marcus hoofdstuk. Het was een schone roepstem voor ons allen, om al het wezenloze vaarwel te zeggen en Hem onzen Heiland te volgen.

29 september 1915

Het is voor den laatste avond, dat ik nog even de pen zal opnemen in het fort “de Hel”.

De laatste dagen hadden we druk dienst met schrijven en ook met de inspecties voor het aanstaand vertrek. Het valt vreemd te denken, dat we morgen hier niet meer zijn.

Maar toch ben ik blij, dat we naar Zeeland gaan.

Nog wil ik iets neerschrijven wat ik liever niet had willen doen, maar mijn werkelijke levensgeschiedenis zou te kort aankomen, wanneer het geweest is, weet ik niet, maar het is voorgevallen op het fort “de Hel”.

Op zekeren morgen, terwijl ik op post werd afgelost, door Korporaal van aflossing ( we stonden op wacht voor 24 uur )

Dat het niet naar den haak was, begreep ik, mijn anders vriendelijke Luitenant Harts aanzag ( zijn gefronste wenkbrauwen bewezen dat ) kreeg zelfs geen tijd, goede morgen te zeggen, wat ik altijd gewoon was, maar gelastte mij naast hem plaats te nemen, keek mij daarbij recht in de ogen en zei: ( Nu geen Wandeltje.) Wandel, daar is geld gestolen, hoe komt dat?

( Je staat vanzelf vreemd te kijken, maar als je dan van niets weet, dan geef je er ten slotte niet om wat ze zeggen, te meer wanneer je eerlijk in het rond mag en kan blikken )

Ik keek hem in de ogen en vroeg wat bedoel je daarmee Luitenant.

Toen zei hij weer met dezelfde woorden. Wandel daar is geld weg van het bureau. Waarop ik vroeg: Heb U het dan Luitenant? Toen begreep hij dat hij mis geweest was en zijn ogen stonden weer als altijd en zei, Wandeltje, wat denk je van die beweging? Waarop ik precies hetzelfde vroeg en zei, je mag denken wat je wilt, maar je mag het niet zeggen.

Toen vroeg hij, wat denk je dan.

Ik zeg Luitenant op Uw woord van eer, wanneer het tussen mij en U blijft, zal ik het zeggen wat ik denk. Na zijn belofte, zei ik; de foerier draagt de sleutels van de geldkist, meer kon ik niet zeggen, kon vertrekken en ging naar de wacht. Daar aangekomen bemerkte ik dat de manschappen het niet naar den zin hadden en vroeg hun naar de oorzaak.

Vertelden mij daarop, dat heel de bezetting was aangetreden geweest en dat de Luitenant hun voor ploerten en zo had uitgemaakt en als je dan een eerlijke soldaat ben, valt dat niet mee.

Ik ging daarop terug naar het bureau en sprak met Luitenant daar over, dat soldaat Goedegebuure van de lichting 1908 met nog een soldaat een onderhoud wenste over dat geval, waar voor U de manschappen zo onverdiend had toegesproken.

Het slot van de zaak was dat ze bij hem moesten komen, man voor man en ieder zijn gedachten in vertrouwen hem bekend maakte en hij ieder soldaat weer zijn uitgesproken woorden ( ploerten ) terug nam.

Bekennende onrechtvaardig op lelijke wijze toegesproken te hebben.

Dit zij nog vermeld, dat iedereen mijn woorden heeft gebruikt:

De foerier draagt de sleutels van de geldkist.

De foerier werd onderhoord en met tranen in de ogen bekende hij het den Sergeant Majoor, geleend te hebben.

Op die manier is er een eind aangekomen en wat verder besproken is geworden is mij onbekend gebleven.

Ik ga nu mijn wolletje opzoeken om voor het laatst te gaan maffen in fort “de Hel”

God schenk mij het eind van mijn leven een betere naam. In de ware werkelijkheid moge dit dan zijn: Hemel het huis met zijn vele woningen.


9: Ingekwartierd te Yerseke

30 september 1915

Met 6 man infanterie liggen we op het ogenblik ingekwartierd bij D. Weststrate, Spruitstraat No 51. Eer we binnen kwamen, wisten we al, dat de vrouw des huizes een bijnaam had. “Katje” en het spookt het ook, vertelden ze mij, toen ik aan een voorbijganger vroeg ( terwijl ik van mijn inkwartier uitgebeiteld het adres op las, waar woont D. Weststrate.

Zo zijn we dan om 3 uur na middag in Yerseke aangekomen.

Om 6 uur van morgen blies de hoornblazer de reveille en allen waren intijds van onder de wol. Om 7 uur hadden we al gegeten en half acht uur stond de bezetting wat betreft de Infanterie aangetreden ( veldtenue met rol, deken achter de klep van het ransel ).

De commandant sprak ons nog enige woorden toe van dank en hoopte dat, wanneer we straks bij het Veldleger gekomen waren, wij ook mannen zullen zijn, waarop gerekend mag worden.

De wacht bestond nu uit Vesting artilleristen, die nu ook met afdeling Genie klaar stonden ons te begroeten. Met een driewerf Hoera ( een voor Jaap den Fortwachter, Vannimwegen genaamd ) vertrokken wij naar het fort “Sabina “ waar de rest van de compagnie bijeen aangetreden stond, gedeeltelijk uit Fort Sabina Henrica en van Fort Prins Frederik van Ooltgensplaat. Zo doende kwam heel de 3e compagnie bij elkaar.

Met twee boten voeren we door de Zeeuwse stromen, via Zijpe, Mastgat, Keeten over de Oosterschelde naar Wemeldinge, waar wij om half twee aan wal stapten.

Om twee uur marcheerden we naar Yerseke en kwamen daar om drie uur aan.

Bij aankomst ontvingen we ons bewijs van inkwartiering.

Mijn persoon, Jaap Tollenaar van Kloetinge, lichting ’13; Piet de Jong uit Vlissingen, lichting ’10; Louis Vermeer uit Tilburg, lichting ’11; Arie de Jong van Ridderkerk, lichting ’11; en een korporaal Kok genaamd; dikke Piet van de Laan, een vijftiger van jaren.

We zitten gezellig in ons kwartier over een kopje thee. De kostbaas en vrouw zijn de 60 reeds gepasseerd en hebben nog een zoon en dochter ( Neeltje ) thuis van ongeveer 21 en 20 jaar oud.

Onze slaapplaats is al aangewezen en liggen naast elkaar op een strozak op den zolder.

4 oktober 1915

Het veldleger valt voor menig soldaat, die in de forten gelegen heeft niet mee.

Deze dagen gaat het nog wel, omdat we nog maar inspectie gehad hebben.

Gisteren was het zondag en vandaag hebben we de loopgraven tussen Yerseke en Kruiningen een bezoek gebracht.

Morgen hebben we een oefening en zullen trachten met het IIIe Bataljon Terneuzen in te nemen.

5 oktober 1915

Van morgen om half negen stonden wij met de 3e Compagnie aangetreden onder commando van 1e Luitenant De Bruijn Compagnies Commandant.

We hadden in plaats van een hele, nu een halve kuch ontvangen vanuit de keuken en moesten het daarmede schikken.

Alles was reeds opgegeten en mochten ook niets mede nemen op mars.

Om 9 uur marcheerden we af naar Hansweert via de Postbrug, de drie andere compagnieën waren ons reeds voor.

Daar aangekomen werden we aan boord gedaan van de Marine. Wij werden overgezet met een zeeboot, die niet aan wal kon komen en daarom genoodzaakt was sloepen buiten boord te zetten om ons aan wal te brengen. Ik bleef tot den laatste man aan boord en had intussen een mooi gezicht op de bedrijvigheid van onze vlugge Jantjes, die met diep geladen sloepen Infanteristen van boord naar den wal voerden.

Toen allen aan wal kwamen, stelden we ons in het gelid en marcheerden van Walsoorden weg in Westelijke richting, niet wetende waar we zouden aanlanden.

We passeerden het dorp Groenendijk, Hengstdijk, Rapenburg, Boschkapelle en kwamen ’s avonds zes uur in Zaamslag aan.

Den gehelen dag gemarcheerd zonder eten, de manschappen waren op mars niet erg prettig gestemd, temeer toen het na den middag ging en ons niet werd aangezegd, waar we zouden aankomen. Daar werd voortduren gemopperd en af en toe hoorde men roepen “honger”.

We kwamen in de buurt van Rapenburg, voorbij een grote hofstede, waar juist een boer bezig was appels te trekken in zijn boomgaard.

De baas hield een paar appels omhoog en toen vloog een halve compagnie, den boomgaard in.

Direct werd halt gecommandeerd en kreeg Luitenant Hendrika opdracht de manschappen op te schrijven, die zonder verlof daartoe uit het gelid waren gelopen.

Ongeveer 50 manschappen werden opgetekend, en kregen als cadeau kwartierarrest.

Blijde dat we te Zaamslag waren aangekomen, stond de foerier met de inkwartieringsbiljetten gereed en kregen wij een biljet voor inkwartiering met tien man, waarop stond:

C.F. Michielsen, landbouwer, Oranje Hoeve.

Na een kwartier uurs gedaan te hebben, kwamen we bij de familie aan.

We ontlasten ons van onze uitrustingen en na ons zelf wat opgefrist te hebben, kwamen we in de keet, waar de baas met vrouw en negen grote kinderen aan tafel zaten.

Ze waren juist bezig hun Paternoster te lezen en toen die uit was, na een half uurtje, kregen we brood en koffie. Daarna werden we nog een sigaar gepresenteerd en toen die was opgerookt, kreeg ieder zin in zijn wolletje.

We dachten nu eens lekker op een bed te slapen, maar o schrik, met tien man moesten we den baas, die  intussen zijn stallantaarn had aangestoken maar volgen naar de schuur.

Klom de trap op en werden op de piezel gestoken.

We hadden tijd om ons wolletje dat uit stro en dekens bestond even te zien en de baas ging weg met zijn lantaarn in de hand.

Gekleed, vielen we maar neer en sliepen weldra in. Al spoedig sliepen we den soldatenslaap na zo’n vermoeiende dag.

6 oktober 1915

Om 6 uur van morgen kropen we als varkens van onder het stro, maar waren toch heerlijk uitgerust en toen we gewassen en gegeten hadden, waren we weer “fris man.”

Om half negen stonden we weer aangetreden, maar nu met brood en koffie in onze broodzak en zo marcheerden we op in de richting Terneuzen, onderweg overgaande met veiligheidsmaatregelingen. Van alle kanten zagen we nu infanteristen in gesloten colonnes oprukken, overgaande in verspreide linie, naderden ze de vesting Terneuzen.

Achter ons rukten ook de reserves op en tegen 12 uur gingen we in tirailleurslinie ( Kenmerk van de tiraillerende soldaten is hun gespreide gevechtsopstelling, dus niet in gesloten formaties, zoals de reguliere troepen meestal stonden. Doel van deze meestal lichtbewapende, vóór de troepen uit strijdende soldaten was het verstoren van de vijandelijke linies.) tot den aanval over.

Niet alleen wij vuurden, maar ook van de Vesting ging het er warm toe.

De artillerie met kanonnen en mitrailleurs en infanterie men kon bemerken dat ze niet op hun strozak lagen. Toch schrokken we niet terug en na twee uur marcheerden we door de stad, die we belegerd en ingenomen hadden.

Om 3 uur gingen we weer aan boord van de Marine vaartuigen, die ons brachten naar Hansweert, waar we weer met sloepen aan wal gezet werden, om reden de oorlogsbodems niet aan wal konden komen, maar genoodzaakt waren op de rede te blijven liggen.

Om 5 uur marcheerden we af en kwamen te 7 uur weer in ons kwartier aan.

8 oktober 1915

Gezellige avonden die we bij de burgers en in ons kwartier mogen doorbrengen.

Gisterenavond ben ik even bij de familie Schipper geweest op Kloetinge, waar mijn broer Johannes werkzaam is. Vooral nu ik mijn fiets ben toegestuurd van huis, is het een klein snapje.

Vandaag hadden we velddienst in de richting Kruiningen.

Den dienst wordt iedere dag zwaarder, maar het leven is gezelliger dan in de forten.

10 oktober 1915

Het is zondag en in tegenwoordigheid van mijn Anna mag ik een x 24 uur verlof in Goes doorbrengen.

11 oktober 1915

Met het begin van een nieuwe week, rukten we van morgen weer uit om velddienst te doen in de richting Kruiningen.

Van middag exerceren.

12 oktober 1915

Van morgen hadden we weer velddienst in de richting Kruiningen.

En van 8 tot 10.30 uur avondvelddienst.

Het is nu 8 uur en zojuist is bekend gemaakt dat de avonddienst niet doorgaat met het oog op een grote oefening van morgen.

We zullen dan maar in ons kwartier blijven en achter de kachel een pijpje tabak opsteken.

13 oktober 1915

Om 7 uur stonden we aangetreden.  Met het gehele 14e Regiment hadden we oefening.

Het IIIe Bataljon moest in stelling in de loopgraven aan de Landdijk, tussen Yerseke en Kruiningen. De twee andere Bataljons moesten ons aanvallen.

Ik werd geplaatst als uitkijkpost en geef de waarnemingen over aan een sergeant, die met een Telephone in de hand zit.

Het is 9 uur en kijkt in het voorterrein:

  • 15uur 40 man cavalerie eigen partij in het voorterrein om verkenning te doen.
  • 40uur 3 cavaleristen en 2 wielrijders patrouilleren op 2000 meter van onze                                             stelling.
  • 45uur een wielrijder komt bericht brengen van uit het voorterrein.
  • 10uur 4 gevechtspatrouilles eigen partij gaan het voorterrein in om de                                                                  voorposten van den vijand te overvallen.
  • 15uur 2 patrouilles, eigen partij en vijand bevuren elkander in de richting                       Kruiningen. Onze manschappen worden levendig in de loopgraven.
  • 55uur De vijand nadert in gesloten colonnes.
  • 00uur Vijand ligt in tirailleurslinie op 1000 meter afstand. ( wij blijven kalm                  of dat er niets gaande is )
  • 30uur De vijand rukt op. Een hevige beschieting van onze kant. Ook de                          gevechtspatrouilles op de flanken houden moedig stand. Onze artillerie                 en mitrailleurs nemen deel aan de beschieting.
  • 40uur De vijand stelt zich verdekt op en bevuurt onze stelling op 700 meter                    afstand.
  • 50uur Alles is stil, geen schot wordt gehoord, geheel alleen zit ik op mijn post               verdekt opgesteld. Op 100 meter afstand links liggen mijn kameraden,                  rechts van mij staan mitrailleurs opgesteld.
  • 00uur Nog alles stil. Onze hoofden laten we niet zien, anders hebben we kans                niets over te houden.
  • 15uur Vijand trekt 500 meter terug. Een hevige beschieting uit onze                                loopgraven.
  • 20uur De vijand stelt zich verdekt op.
  • 30uur Totaal niets te zien van den vijand. Ik heb honger en zal er tot overgaan               mijn kuch op te eten.
  • 40uur Mijn kuch smaakt goed. In het voorterrein springt nu en dan een                           patrouille op en dekt zich weer onmiddellijk. Ik denk dat het onze                         mannen zijn, die den vijand willen verkennen.
  • 45uur Vijand ontdekt onze patrouille en bevuurt hen.
  • 50uur De vijand nadert weer zachtjes aan. De patrouilles worden steeds                          beschoten, maar houden moedig stand en trekken steeds in de flank                      terug, tussen beide beschieten wij heen van voren maar dekken zich dan                       onmiddellijk.
  • 55uur Matrozen komen onze loopgraven versterken. Het is een leuk gezicht                   onze Jantjes tussen onze soldaten, al waren het ook Infanteristen.
  • 00uur De vijand krijgt ook versterking. Steeds rukken de reserves in gesloten                 colonnes op om op te rukken in hun verdedigingslinie. Wij blijven kalm              
  • 10uur Grote reserves rukken op in de verdedigingslinie van den vijand. Die re                reserves worden beschoten van onze artillerie en oorlogsbodem die op d              de rede liggen aan Hansweert op de Westerschelde. De vijand blijft                      kalm, maar vult zijn linie aan.
  • 20uur De vijand rukt op in tirailleurslinie. Op het ogenblik wanneer ze                            oprukken volgt een hevige beschieting van geweer en mitrailleurvuur.                  Onze batterijen blijven niet achterwege en menige strijder valt ter aarde.
  • 30uur Ook onze loopgraven worden nog meer versterkt met matrozen.
  • 40uur De vijand nadert steeds. Nog steeds ben ik aan het schrijven geweest. Ik              zal mijn geweer nemen om deel te nemen aan de beschieting, het gaat er                   warmpjes naar toe. Het is een onophoudelijke beschieting weerzijden.              Op eens moet den vijand den aftocht blazen om terug te trekken.
  • 00uur Het is nu 2 uur geworden en wij blijven onze loopgraven behouden.                     Ook is nu de oefening afgelopen. Ik ben blij want ik heb 5 uur alleen in               de loopgraaf gezeten.

Nu marcheren wij naar huis en om 3 uur kwam ik in mijn kwartier aan. Wij zijn nu vrij en zal even naar mijn broer gaan, die op Kloetinge aan het straten is.

14 oktober 1915

Om half zes uur van morgen beschoot de politiewacht van het kantonnement Yerseke een luchtschip, doch zonder resultaat.

In den voor middag hadden we voorpostendienst tussen Kruiningen en Krannendijke, van na middag van 2 tot 4 uur exerceren op den Postweg, tussen de Yerseksendam en het kanaal van Zuid- Beveland.

15 oktober 1915

Van morgen 8 uur stond de 3e compagnie aangetreden, om een mars te maken naar Wemeldinge.

Het was een gezellige militaire wandeling. Dit was echter jammer dat het mistig weer was, anders hadden we een mooi gezicht gehad op de Zeeuwse stromen en eilanden.

Om 12 uur waren we weer terug in ons kwartier.

Om 2 uur kwamen we met een Luitenant, twee Sergeants, twee Korporaals en vierendertig soldaten op de Politiewacht te Yerseke.

De eerste uren dat ik op post stond was op een hofstede, bij een militaire keuken,

’s avonds van 6-8 uur. Daar was het altijd goed voor iedere schildwacht.

Ik stond nauwelijks een half uur op post, toen de boerin mij een grote kop chocolademelk presenteerde, wat naderhand nog eens herhaald werd.

De uren waren vlug om en toen de aflossing kwam, ging ik met de korporaal van aflossing mee naar de wacht, waar ons koffie en thee gebracht werden van de burgers van Yerseke. ’s Avonds 10 uur kwamen ze uit een café assistentie vragen aan de wacht. En toen de Luitenant vrijwilligers vroeg, gingen we met zes soldaten en een onderofficier naar dat café, waar alles weer rustig was, toen ze ons zagen aankomen.

Van 4-6 uur kwam ik van morgen op post, die ingetrokken werd, toen ik werd afgelost en mocht tegelijk ook inrukken naar mijn kwartier.

Om 12 uur kreeg ik mijn verlofpas voor 24 uur naar Goes.

17 oktober 1915

Gezellig heb ik mijn 24 uur permissie bij mijn meisje mogen doorbrengen.

Om een uur zaterdagmiddag zat ik reeds bij moeder Wanne op Kloetinge en ’s middags bij mijn lief.

Zondag, dus van morgen, ging ik met Schipper naar de kerk en zat onder het gehoor van Ds. van Leussen van de Vrije Evangelische Gemeente te Goes.

Van ’s middags was Anna uit haar dienst, en gingen na Zondagschool, waar ze onderwijzeres was een eindje omlopen, en ’s avonds naar de samenkomst.

Het was ruim elf uur toen ik in mijn kwartier op Yerseke aankwam.

Toen ik de deur opende, kwam ik terecht in een vierkante ruimte van 1 x 1 meter, waar nog een regenbak met gemetselde keel op stond, een zogenaamd “klompenkotje” op zijn Zeeuws uitgedrukt.

Wanneer men dat hokje had opengedaan, kwam men eigenlijk aan de buitendeur, die toegang verschafte naar de gang. Maar wat was nu het geval? Toen ik de deur opende, lag daar iemand in het hokje en toen ik driemaal achtereen aan zijn been had getrokken en vroeg, ben je dood of levens? Hoorde ik kreunen, en jawel, het was Louis Vermeer uit Tilburg smoordronken. Pakte hem bij zijn tuniek en met behulp van een zacht woord zei ik; Louis, vat gij nu de trap, een los trapje of ladder genaamd, die ik in tussen had recht gezet. Louis riep maar ja ja  ja ja toen zette ik mijn schouder onder zijn achterste en duwde hem naar boven; alles stik donker en tot overmaat van smart moest hij nog kotsen en greep een helm van mijn kameraad Piet de Jong uit Ridderkerk, hield hem toen bij en smeet hem daarna door het dakraam naar buiten op de bleek.

Louis sliep ogenblikkelijk in en snorkte als een mager varken.

De andere jongens waren aan het maffen omdat ze werden wakker gemaakt en smeten Louis, die intussen door sliep nog enkele verwensingen toe.

18 oktober 1915

Bij het morgenontbijt zat Louis aan tafel, zijn geld te tellen en toen ik over zijn schouder keek en zag hoeveel geld hij nog bezat, zei ik, houd maar op, je kunt geen 11 stuivers meer halen. Vertelde hem de geschiedenis van gisteravond en wees hem de helm aan naar buiten wijzend, die nog steeds in afwachtende houding lag om door Louis schoongemaakt te worden.

Van morgen moest ik mij melden als schrijver op het bureau.

Ik had een goed baantje. Moest alle kwartieren inspecteren of ze voldeden aan de eisen van de militairen dienst. ’s Middags  4 uur kreeg ik mijn verlofpas voor 3 dagen naar huis. Begaf mij nog even naar mijn kwartier en reed per fiets nog naar de familie Schipper op Kloetinge, waar ik den avond en nacht hoop door te brengen.

19 oktober 1915

Van morgen stond ik om 7 uur op. Reed, na te zijn uitgelaten van de vrouw des huizes, die altijd zolang staan bleef en toewuifde, totdat ik niet meer te zien was.

Om 8 uur via Goes, waar ik niet kon laten even mijn Anna goede morgen te gaan zeggen. Naar Katseveer, stapte aan boord en voer met nog enkele oude wapenbroeders van mijn oude compagnie naar Zierikzee.

Daar aangekomen, gingen onze wegen uiteen en reed ik naar Nieuwerkerk, waar alle huisgenoten rond den tafel zaten. Ging bij het binnenkomen recht op mijn lieve Moeder aan en wenste haar na de begroeting, geluk met haar jaardag.

Ook Vader met broeders en zusters mede begroet en gelukgewenst.

Geve God dat we nog vele jaren, dien dag moge herdenken, maar dan niet in tijden zoals we nu beleven. Maar in tijden van Vrede.

20 oktober 1915

Van morgen ging ik straten bij J.Lievense van de Noordhoeve, gemeente Nieuwerkerk.

Mijn broer Leen was mij behulpzaam met het aanbrengen van zand en steen.

21 oktober 1915

Zo juist terug gekeerd van mijn verlof en in goeden welstand in het kwartier aangekomen. Die verlofdagen zijn altijd vlug voorbij.

22 oktober 1915

Om 8 uur melde ik mij op het bureau, ontving schrijfwerk voor den gehele voor middag en moest dat in mijn kwartier in orde maken.

De andere soldaten hadden velddienst.

In de namiddag hadden we alarm, waarop alle manschappen zich onmiddellijk naar de appelplaats begaven. Daar aangekomen moesten we exerceren met volledige wapenrusting. Het is nu avond en ben juist teruggekeerd van uit het militair Tehuis, waar ik op mijn gemak een paar brieven heb geschreven.

23 oktober 1915

Het is zaterdag en hebben dan altijd een goeden dienst. Na het appel hebben we reparaties inleveren. Wasgoed ontvangen en inleveren. Daarna is het uitdelen van traktement. Ik kreeg deze week 7 x 23 cent f 1,61 soldij en drie dagen menagegeld  ( huishoudgeld) 3 x 35 cent f 1,05 maakt samen f 1,61 + 1,05 = f 2,66.

Twee gulden en zesenzestig cent, dat is een handvol voor een soldaat.

Na den middag 12 uur is den dienst afgelopen en krijgt ieder die verlof heeft aangevraagd zijn verlofpas voor 24 uur. Van middag om 2 uur kwam ik op wacht aan de Zanddijk, tussen Yerseke en Kruiningen.

Mijn eerste uren die ik op post stond was een kwartier van de wacht bij de zo genaamde oesterputten. Het was koud om op post te staan. In de wacht is het vrij wat beter en zitten gezellig rond den brandende kachel.

24 oktober 1915

Om elf uur kwam ik gisterenavond weer op post tot vannacht een uur.

Het was mistig en dat maakt het voor den schildwacht koud.

Van 5-7 uur voor middag kwam ik weer op en van 11- 1 uur nogmaals.

Om 3 uur werd de wacht afgelost en om 5 uur zat ik al op Kloetinge en om half zes uur in tegenwoordigheid van mijn Anna onder het gehoor van P. Tabak in den Evangelische Kerk te Goes, die veel werkt onder de soldaten in Noord-Brabant en Limburg. Na kerktijd stapten we nog een eindje op en ging na afscheid naar Yerseke en kwam laat in mijn kwartier aan.

25 oktober 1915

Van morgen kwam ik bij den dienst. Met het gehele Bataljon rukten wij met volle muziek uit, van Yerseke naar de Postbrug, langs het kanaal naar Vlake en zo over de Randdijk naar ons kantonnement, waar we bij aankomst Compagniesschool hadden te doen. Van middag zijn we vrij en hebben van avond 8 uur velddienst in de richting Schore.

26 oktober 1915

Om kwart over elf kwamen we gisteravond van de avondvelddienst in ons kwartier aan. Na aankomst gingen we vlug onder de wol en stonden van morgen om 8 uur in veldtenue aangetreden om een mars te maken. Waar heen onbekend.

Om 8 uur marcheerden we met het IIIe  Bataljon infanterie naar de Postbrug. Daar aangekomen, stond nog een Bataljon Infanterie, dus in totaal 2000 man Infanterie en een Batterij Veldartillerie.

Marcheerden vervolgens naar Kapelle, Kloetinge, waar ik nog even mijn Vader en de familie Schipper de hand reikte en tevens vele bekenden uit de omgeving mocht begroeten en kwamen om een uur op den middag te ’s Gravenpolder aan, waar we halt hielden. Het geweer aan rotten plaatsen en uitrusting aftuigen. We kregen 40 minuten rust en konden intussen onze kuch op eten.

In tussen liep ik nog een eindje op tussen de manschappen, die zaten of lagen in kringetjes aan den weg.

Om kwart voor twee stonden we weer bij de geweren, want het commando omhangen was reeds gedaan en stonden intussen te wachten op het commando van onze Sectie commandant, die ons zou toeroepen, “neemt geweer”.

Na dat commando werden we op twee gelederen geplaatst en Compagnies gewijze werd door den bevel voerende officier gecommandeerd 3e Compagnie “geeft acht” .

Met vieren rechts uit de flank mars.

Nauwelijks aan het marcheren of de militaire muziek ving aan met lustige mars en met frisse moed liepen we er lustig op los, in de richting Schore.

Onder weg zongen we een lustig lied en al pratende en rokende, want na het commando in het gelid vrij, mag er zachtjes gekankerd worden.

Kwamen we langs Schore en Vlake gepasseerd te zijn, doodvermoeid om 5 uur te Yerseke aan.

Zodra ik in mijn kwartier aankwam en mijn uitrusting had opgeborgen, trok ik schoenen en kousen uit en begon lekker mijn voeten te wassen, smeerde ze daarna in met groene zeep en bleef mijn avond in het kwartier doorbrengen over een heerlijke kop thee.

27 oktober 1915

Van morgen exerceren en in den namiddag baden.

Den avond door gebracht bij familie van mijn kostbaas.

28 oktober 1915

Met twee Bataljons Infanterie rukten we voor middag 7 uur uit op mars naar Goes.

Toen we door de Bergpad in de speeltuin van Goes halt hielden, kwam er een commando, in de looppas rechtsomkeert, want we hadden een oefening in het terugtrekken. Kregen geen tijd om ons kuchje met rust te nuttigen, maar moesten dat maar dien sinds we terug trokken.

De weg naar Kattendijke hielden we bezet vanaf de Rijksweg, voorbij het houten tobbeltje genaamd. Om drie uur middag kwamen we weer in ons Kantonnement aan.

We hadden intussen gemarcheerd vanaf Kattendijke, Wemeldinge en terug naar Yerseke.

Onze voeten deden veel pijn. De mars was 38 kilometer en die van 26 oktober 37 kilometer lang.

2 november 1915

Er zijn enige dagen verlopen en had weinig zin in mijn dagboek te schrijven.

Het is nu bijna twaalf uur middernacht en terwijl ik op wacht ben zal ik alles zo’n beetje beschrijven wat ik gedaan heb.

De laatste dagen hadden we een goeden dienst, ’s morgens velddienst en na middag exerceren.

Van 30-31 oktober ben ik met 24 uur verlof geweest naar Kloetinge en Goes.

Van middag ben ik op wacht gekomen ( politiewacht ).

Het valt heus niet mee voor den laatste nacht op Yerseke.

Morgen wordt het gehele Bataljon verplaatst naar Kruiningen.

Ik heb zoeven twee uur op post gestaan. Het was koud en de regen noodzaakte mij in mijn schilderhuisje te blijven staan.

In de wacht zelf levert het geheel een aardig schouwspel.

Wanneer ik zo in het rond kijk, dan vormt alles een rare gedaante. Rond de kachel zitten vier soldaten een pijptabak te smoken, verder zitten er vier stuks te kaarten, een paar te eten en op post staan zes manschappen.

3 november 1915

Het is gelukkig avond en zit over een heerlijke kop thee in mijn kwartier te Kruiningen.

Van middag drie uur werd de wacht te Yerseke ingetrokken, stond om half vier reeds op Kruiningen, ( want ik had de fiets bij me ) op het bureau van de 3e compagnie en kreeg een bewijs voor inkwartiering. ( Dat wil zeggen naar een half uur wachten, dan komt men van wacht ) en bij navraag werd ik van het kastje naar de muur gezonden, want de straat was niet op mijn inkwartieringsbiljet vermeld en het was reeds half vijf uur, dat ik mijn uitrusting kon afhangen.

We zitten hier met 4 man in een klein huisje.

Ik heb slaap en ga maffen.


10: Overplaatsing naar Kruiningen

4 november 1915

Van  morgen hadden we inspectie en vroeg tevens verandering van kwartier, wat mij vergunt werd.

Nu ben ik met Jacob Tollenaar van de lichting 1913 uit Kloetinge ingekwartierd bij Joost Nieuwenhuijze op het Mooleinde.

Mijn wolletje staat me best aan. We hebben een ijzeren ledikant met springveren- matras. Man en vrouw zijn ongeveer 40 jaar, 3 jongens Jaap, kees en Ko, respectievelijk 12, 11 en 5 jaar en 2 meisjes een van 7 en eentje van 6 maanden, vormt het gezin.

Van middag hebben we geëxerceerd voor de Compagnie Commandant.

Na de dienst moesten we jassen, dat viel ons tegen.

Op Yerseke deden dit vrouwen, waarvoor ieder een dubbeltje per week moest inschieten bij het uitbetalen der soldij.

Het is nu avond en zit ik in het militair Tehuis op mijn gemak een paar brieven te schrijven.

5-6 november 1915

Toen we vanmorgen terug keerden van een velddienst, passeerde ons IIe  Bataljon 14e Regiment. Het waren allen oude wapenbroeders waar ik 10 maanden te samen mee had gediend. Zodra ze mij zagen, hoorde men anders niet dan “dag Wandeltje marien” allemaal, ook mijn Sectie Commandant Willemsen en meer onderofficieren en soldaten van de andere compagnieën. Wat had ik weer graag mee gedaan, want hoewel ik het best naar den zin heb, vergeet men zijn oude kameraden nooit, waar we lief en leed aan de grens meegemaakt hebben.

De jongens hadden een zware mars, hadden den afstand af te leggen van Vlissingen naar Rilland- Bath en men kon het hun aanzien dat ze vermoeid waren.

Om 2 uur kwam ik op wacht aan de Zanddijk. Het was koud weer om boven op den dijk onder de hoge bomen met de voeten in slik en modder op post te staan.

Toen ik vannacht van 2-4 uur op post stond, hoorde ik steeds het gebulder der kanonnen. Ook het zoeklicht van de kust was in volle gang. Ik denk dat ze te Vlissingen grote oefeningen hebben met de Marine.

Wanneer we van post in de wacht teruggekeerd waren, zaten we rond de kachel een pijp tabak te roken en vertelden om beurt uit zijn soldatentijd, wat ieder zoal had meegemaakt.

Zo ging den nacht voorbij en toen ik mijn uren had geschilderd, vroeg ik aan de wachtcommandant te vertrekken, wat ons tweeën werd toegestaan. Ging daarom 12 uur de wacht uit naar ons kwartier en begaven ons met 24 uren verlof naar Kloetinge, waar ik om 2 uur bij de familie Schipper in huis stapte.

8 november 1915

Gezellig heb ik mijn 24 uur in vereniging van mijn Anna en bij de familie Schipper mogen doorbrengen.

Om 7 uur van morgen kwam ik in mijn kwartier te Kruiningen terug.

Om half negen moest ik mij melden bij den foerier, waar ik schrijfwerk ontving en had een gemakkelijke dienst. En ik moest dan vandaag ook niet op wacht.

Om 4 uur was mijn dienst afgelopen en ging om 5 uur op stap naar Schore, waar ik een avondje zou doorbrengen bij C. Schipper een broer van Schipper van Kloetinge. Hierin werd ik verhinderd.

Op weg naar Schore ontmoette ik foerier Geelhoed, die mij opdracht gaf mijn koppel en tassen te poetsen om morgenochtend in vereniging met Sergeant Oranje, uit Middelburg en soldaat Arie van Loo van de lichting 1913 uit Zierikzee, een soldaat genaamd C. Barten van de lichting 1913 uit Vlissingen naar Hoorn over te brengen in de militaire tuchtklasse.

Ging daarop naar mijn kwartier en blijf voor vanavond thuis.

9 november 1915

Om half zeven stonden we met de hierboven omschreven manschappen op het bureau van de 3e compagnie gereed tot vertrek.

Met 5 patronen in het magazijn van het geweer en nog tien stuks in de patroontas vertrokken wij met den arrestant tussen ons in onder commando van Sergeant Oranje naar Vlake.

Het was onaangenaam om op die manier een kameraad weg te brengen, of dat het een moordenaar was. Maar zo is nu eenmaal de dienst en moet volgens de voorschriften worden uitgevoerd.

Zodra we in den trein een plaats hadden ingenomen, legden we onze spruit op den bagagedrager en hingen koppel en tassen af.

Reisden gezellig met elkander en niemand in de trein kon denken dat we een gevangene moesten overbrengen naar de strafcommandant te Hoorn.

We reisden van Vlake naar Roosendaal, Den Bosch, Utrecht tot Amsterdam, waar we een uur moesten wachten en in tussentijd kregen ons kuchje te gebruiken.

Op station en in dat station ging alles model onder de ogen van een Militaire Station chef, dat een Groot Majoor bleek te zijn.

Van af station Amsterdam reisden we langs Zaandam, waar wij een prachtig gezicht kregen op houtzaagmolens en het waterland.

Om 2 uur kwamen we in Hoorn en na tien minuten gingen we door de poort van de kazerne van de Strafcompagnie en den soldaat overleverden aan de Commandant.

Voor de poort stond er een schildwacht en op de binnenplaats stonden er drie stuks.

Het waren jongens van het 9e Regiment Infanterie, wat hoofdzakelijk uit Friezen bestaat en mij meedeelde dat ze zwaar dienst hadden.

wilden ze zelf niet gestraft worden.

Een der schildwachten vertelde mij dat een Klassiaan ( Klassiaan was iemand die in de strafklasse geplaatst was ) om een pruimtabak had gevraagd en zodra hij die had gegeven, ging hij het vertellen tegen den wachtcommandant, waardoor die schildwacht zelf gestraft werd met Provoost.

Je behoeft geen medelijden mee te hebben, anders wordt jezelf de sigaar.

In tussen kregen we juist nog gelegenheid een compagnie te zien binnen komen.

Men zag een Huzaar naast een Infanterist staan. Gele rijder ( De Rijdende Artillerie ) naast een Artillerist.

Genie soldaat naast Jager, Grenadier ( een soldaat die gespecialiseerd was in het werpen van handgranaten) met Vestingsoldaat en zo was het een mengelmoes door elkaar.

Ze zagen er dooreen niet aardig uit en men kon zien dat ze nergens om gaven, omdat de commando’s slecht werden uitgevoerd.

Maar toch werden ze gekregen want ze mochten nooit de kazerne verlaten en hadden anders niets dan een blikje per dag ( waarde 4 cent ) waarvoor in de kantine wat voor gekocht kon worden.

Toen we zo van het een en ander op de hoogte waren, kregen we 2 uur tijd en gingen de stad eens bezoeken, tevens een kijkje nemen aan de Zuiderzee.

Water waar wij Zeeuwen maar moeilijk buiten kunnen en waardoor we te allen tijde in vervoering gebracht worden.

Om 4.30 uur vertrokken we vanuit Hoorn en kwamen 10.00 uur in Vlake aan en hadden nog een uur te lopen voor we in ons kwartier waren.

Zojuist schoon goed aan getrokken, want we zijn doornat aangekomen.

Het is nu 12 uur middernacht en verlang naar mijn wolletje.

10 november 1915

Juist om half negen kwam ik op het bureau aan en als mijn kostvrouw mij niet had geroepen voor de 3e maal sliep ik nog, want ik was na dat vermoeiende reizen van gisteren, niet wakker te maken, wat mij dan ook niemand kwalijk nam, toen ik het hun vertelde.

Op het bureau had ik gewoon dienst. Na den middag kreeg ik mijn verlofpas voor 3 dagen en hoop morgenochtend te vertrekken. 

13 november 1915

De laatste 3 dagen heb ik met verlof geweest naar de ouderlijke woning.

De thuiskomst was hartelijk. Ik was genoodzaakt thuis te blijven door het slechte weer, want het regende en stormt al 3 dagen lang.

En alhoewel ik nog een vrijen dag heb, ben ik besloten te vertrekken naar mijn Kantonnement Kruiningen, want morgen is het Zondag en wil die mijn Heiland besteden.

Wat de oorzaak nu eigenlijk was van mij Vader waarom hij zo boos was, weet ik niet, want zei hij, je kunt morgen ook nog vertrekken, dit toch in strijd met zijn levensopvatting, want we zijn ten allen tijde voorgehouden, den Zondag te wijden als Rustdag tot eer van onze Heiland.

Was het misschien omdat hij bang was voor het noodweer ( want het stormde vreselijk, waarom ik dan ook mijn reis niet over Goes gemaakt heb, maar per tram over Bergen op Zoom, dit om het gevaar van de mijnen die bij zulk weer rond drijven door de Zeeuwse wateren )

Of was het dat hij dacht; morgen zit je toch ook niet op Kruiningen, maar bij je meisje in Goes. Ik weet het niet, maar hij wilde mij thuis houden.

En waar ik groten eerbied gevoel voor mijn ouders, viel zulks niet mee, maar er kwam een stem die mij zei; Men moet God meer gehoorzamen dan mensen. Nam daarop van allen afscheid en vertrok zoals reeds is omschreven naar mijn kwartier, waar ik zojuist half twaalf uur na middag ben aangekomen.

14 november 1915

Het was Zondag vandaag. Van middag ben ik naar Schore gegaan, bij de familie C.  Schipper, brugwachter van de Schorebrug, bij wie ik den dag door bracht.

Om 2 uur gingen we naar de kerk, waar Ds. sprak naar aanleiding van Openbaring 3, vers 15 en 16.

Bij thuiskomst hadden we veel te bespreken, over de diepgaande woorden van de Predikant. Het was een gezellige dag, maar het stormde nog altijd de gehele dag door.

15 november 1915

Zoals ik de laatste dagen gewoon was, ging ik naar het bureau, ontving schrijfwerk en moest het verder in mijn kwartier in orde maken.

16  november 1915

Den gehele dag heb ik druk zitten schrijven in mijn kwartier.

Ik mocht van mijn moeder een brief ontvangen, in houdende een zachte vermaning,

vlug naar mijn meisje te schrijven, die mij zaterdag over Goes verwacht had, waar ik tot op heden nog niets van mij deed horen, kon dus daarom niet begrijpen en dacht dat er iets was gebeurt met het stormweer van zaterdag.

Ik ben dan ook dadelijk aan het schrijven gegaan en mijn Anna gerustgesteld, dat ik goed op Kruiningen ben aangekomen en in mijn kwartier zit in de hoop elkander vlug weer te zien.

Ik had ook met dat geval van zaterdag thuis geen lust naar Goes te gaan, omdat ik niet behoefden te denken. Goes is nader dan thuis.

Enfin, op die manier bracht ik mijn meisje in ongerustheid.

We zullen hopen dat mijn gedachten verkeerd zijn geweest, maar in ieder geval zet ik op het papier, wat ik gedacht heb.

Mijn liefde voor thuis blijft als voorheen en ik hoop dat ze er minder van gedacht hebben dan ikzelf. Aangenaam is het niet geweest.

17 november 1915

Toen ik van morgen op het bureau zat te schrijven, vroeg ik een dag verlof om te gaan straten op Kloetinge.

Mijn verzoek werd toegestaan. Stapte 5 uur op den trein te Vlake naar Goes, ging eerst naar mijn An en vervolgens naar de familie Schipper. 

18 november 1915

Den gehele dag slecht weer, we treffen het slecht om te straten.

Van avond moet ik mij weer naar mijn Kantonnement begeven om op tijd precent te zijn.

19 november 1915

Het was vandaag een grote oefening in de stelling van de Zanddijk.

Van uit alle plaatsen waar militairen liggen, werd deelgenomen aan de oefening.

Zelfs van het 39e Landweer Bataljon van uit Oostkapelle was aanwezig.

Er waren 5 a 6000 manschappen aanwezig.

Ik ging als naar gewoonte naar het bureau, waar mij voor den gehelen dag schrijfwerk verschaft werd.

20 november 1915

Zoals het zaterdags de gewoonte is, ontvingen we vanmorgen ons traktement, den verdere morgen inspectie. Van middag ben ik op wacht gekomen aan de Postbrug, tussen Yerseke en Kapelle wat met den Zondag niet aangenaam is, maar ieder krijgt zijn beurt.

We kwamen om de 4 uur op post voor 2 uur. Van 5-7 moest ik op post, dan van 11-1, 5-7 en 11-1 uur.

Ik vroeg aan de wachtcommandant Sergeant Valk of ik met mijn fiets om olie van de wacht en met een bus reed ik naar Goes om olie, maar het was in hoofdzaak te doen om bij mijn meisje te komen, waar ik den avond dan ook gezellig heb doorgebracht.

Ben juist om 11 uur in de wacht teruggekeerd en moest direct op post, 4 uur achtereen.

Want moest eerst 2 uur voor mijzelf en dan 2 uur voor mijn kameraad, Camiel Delleaert, lichting 1909 van Zuiddorpe, op post staan, die mijn uren van middag van 5-7 heeft geschilderd. Het vriest knapjes en het was koud op post. Het was omstreeks 12 uur middernacht, dat iemand mij naderde zonder lantaarn op de fiets, uit de richting Schore of liever gezegd Vlake. Ik riep ”Halt, wie daar” zei niets, liep met het geweervaardig naar hem toe en zei als je er niet afkomt, steek ik je er af met de bajonet. Nogmaals “Wie daar” waarop ik hoorde; Luitenant van Piket.

Het was Vaandrig Luik. Vroeg mij naar de consignes.

Vertelde hem die niet te zeggen, vroeg daarop naar mijn naam en ging naar de wacht.

Toen ik om 3 uur afgelost werd, kreeg ik een pluimpje, maar door die aanroeping en die consternatie, had juist mijn nevenpost op 100 meter van mij af, die maar naar mij was toegekomen, gelegenheid gehad zich naar zijn post te begeven.

En zo zorgt men voor elkaar.

Het is inmiddels 21 uur geworden.

21 november 1915

Van 5-7 uur stond ik ’s morgens weer op post en van 11-1 uur weer op den voor middag. Om 3 uur werden we afgelost en om 5 uur van avond zat ik weer op Kloetinge en hoop den avond bij de familie Schipper en bij mijn Anna door te brengen.

22 november 1915

Van morgen kwam ik bij den dienst en moesten gaan schieten op de schietbaan te Hansweert.

In den na middag hadden we vrij van dienst. 

23-24 november 1915

Om half negen stonden we aangetreden en hadden exercitie eng, eng,

Om 2 uur kwamen we met 140 man op de wachtparade; veldtenue met rol, deken achter de klep, het ransel om verschillende wachten te betrekken.

Met 21 man komen we aan de Zanddijk op wacht.

Het is tegenwoordig; 2 dagen vrij en den 3e dag op wacht.

Met deze manschappen hebben we 7 posten te betrekken.

Post 1 en 7 staan een uur afstand van elkaar verwijdert.

Het was koud op post. Onze voeten verdwijnen in slik en zijn altijd blij dat de 2 uur om zijn, dan kunnen we ons in de wacht, waar de kachel soms gloeiend staat, heerlijk verwarmen.

Om 3 uur werden we afgelost en om 4 uur zijn we in ons kwartier aangekomen.

Op het ogenblik zitten we rond den kachel een pijp te smoren en zodra die is uitgerookt ga ik maffen, want ik verlang naar mijn wolletje.

25 november 1915

Om 9 uur marcheerden we op met onze Compagnie in de richting Yerseke en in vereniging van het gehele 14e Regiment, hebben we Yerseke ingenomen.

Om half een uur kwamen we in ons Kantonnement terug onder modder en slijk.

Van 2-4 uur na middag hadden we oefening in het seinen.

Op het ogenblik zie ik in het Militaire Tehuis, ( een grote houten barak ) wat iedere avond druk bezocht wordt.

26-27 november 1915

Gisteren middag kwam ik op wacht en werd ingedeeld voor Vlake.

Ik ruilde mijn wacht met toestemming van mijn wachtcommandant en kwam toen op de Politiewacht te Kruiningen.

Tegen de avond kwamen degenen, die gestraft werden met Politiekamers; hadden hun strozak bij zich en werden in de wacht ontdaan van al het geen ze bij zich hadden.

Ze mochten geen lucifers, tabak, sigaren bij zich hebben.

Terwijl de Sergeant van de wacht de manschappen visiteerde en van alles ontlaste, duwde ik een mijner kameraden een doosje lucifers achter zijn rug in de handen en kreeg van mijn nevenman een doosje sigaretten.

Zo zorgt men voor elkaar. Daarna gingen ze onder den toren, die dienst doet voor arrestantenlokaal.

Van 6-8 uur stond ik op post voor het geweer.

Van 10-12 op dubbelpost bij den toren, mijn kameraad was Brouwers uit de buurt van Roosendaal, van de lichting 1913.

Dat waren bepaald twee gezellige uren. Een van ons stond voor het arrestantenlokaal of toren en de ander voor het munitiebergplaats, vlak naast de toren.

Van 2-4 uur stond ik op post van de keuken van de 3e Compagnie.

Daarna was ik tot 10 uur voor middag vrij, zodat ik een heel poosje in de wacht kon vertoeven, waar we ons zelf heerlijk konden verwarmen.

Om 8 uur ’s morgens mochten we om beurten naar ons kwartier gaan wassen, zodat we weer als fris man op wacht verschenen en waren dan meteen ook opgepoetst en geborsteld.

Om 10 uur voor middag kwam ik nog een uur op post voor het geweer.

Terwijl ik zo op schildwacht heen en weer voor mijn schilderhuis liep te schilderen, zag ik de Sergeant Majoor Administrateur Schouten, van de 3e Compagnie ( schuin tegenover de wacht ) van het bureau op mij afkomen.

Ik stelde mij op 2 pas rechts van mijn schilderhuis en groette hem volgens den dienst.

( In de houding met het geweer op den grond naast mij )

De Majoor had mij iets te vragen en vroeg; Wandel, wil je maandag, schrijver worden voor vast? Ik zeg nee, Majoor, ik ben liever bij den dienst ( want ik hield niet van de Majoor )

Bemerkende dat hij niets naderde, zei hij, Je hebt immers een meisje in Goes.

Ik ze”Ja Majoor” En als ik je dan iedere week een dag extra verlof geef, wat denk je daar van?

Ik zeg. Maandag, kom ik naar het bureau Majoor.

( Niet voor de Majoor, maar voor mijn meisje )

Om 2 uur werd ik van wacht afgelost. Ging naar mijn kwartier, mijzelf verkleden en reed met nog een soldaat naar Kloetinge, waar ik mijn verlof van 24 uur hoop door te brengen en boven alles bij mijn An.

29 november 1915 

Om 8 uur kwam ik terug van uit Kloetinge ( waar ik den zondag bij familie Schipper en bij mijn Anna heb mogen doorbrengen ) in mijn Kantonnement.

Om 9 uur melde ik mij op het bureau bij den Majoor en werd belast met de regeling va het verlof voor de soldaten.

Mijn voorganger welke taak ik heb overgenomen, ging met voorlopig klein verlof naar huis.

Voor verschillende soldaten heb ik vervoerbewijzen geschreven, maar ook voor mijzelf, met twee dagen verlof naar Nieuwerkerk.

Om 12 uur blies den hoornblazer het signaal voor de keuken.

Ik had mijn eetschaaltje meegebracht omdat we 10 minuten van de keuken wonen.

Ik stond op en maakte den s.m.a. Schouten bekend dat het tijd was voor te gaan eten.

De Majoor was ineens zo kwaad op mij en zei; D……….op.

De andere manschappen op het bureau krompen ineen, onder andere Korporaal Ovaa uit Vlissingen.

Remeinse van Wolphaartsdijk en de Kaart uit Vlissingen

Dat was bij hun, Majoor achter en voor, en wanneer de Majoor even weg was hadden ze er alles van te vertellen en daar hield ik nu eenmaal niet van.

Ik ging direct weg naar de keuken en kwam ’s middags 2 uur op het bureau.

Begon weer aan mijn werk en ergerde mij vanaf den eersten dag op het bureau, omdat de Majoor zo onbillijk de soldaten behandelde, die op het bureau een verzoek kwamen doen.

Op het tikken der deur, waarop kort, ja, werd geantwoord, werd de deur geopend en terwijl de sergeant majoor zich aan het schrijvende omdraaide en vroeg “Wat wil je”. Waarop de vraag van de soldaat werd gedaan; werd hem door den Majoor ( die zo hakkelde ) gezegd. “S.s sluit de deur v.van buiten”

De soldaat begreep dat al zijn vragen onbeantwoord bleef en sloot dan ook de deur van buiten.

Dat was mij te erg en terwijl de Majoor zo bezig was, zat ik mij op te kroppen en vroeg toen die soldaat weg was, “Majoor, als ik nu een Majoor was en U soldaat, zou U dat aangenaam vinden, om op die manier behandeld te worden?

Waarop mij gecommandeerd werd; “Wandel, houd je mond”

En dan moet je wel zwijgen, of je wil of niet, wil je niet in de petoet terecht komen.

Wat had ik liever bij noodweer of op een eenzame post gestaan, dan op dit bureau van de 3e Compagnie.

30 november 1915

Van morgen was ik al vroeg van onder de wol.

Ik ging met verlof naar huis. Per fiets reed ik via Kloetinge, Goes ( waar ik op 2 plaatsen afstapte ) naar Katseveer, waar ik om 9 uur aankwam en mijn broeder ontmoette, die ook naar huis ging, omreden hij van wegens de vorst niet werken kon.

De reis was gezellig en ongemerkt stapten we ’s middags 11 uur bij onzen geliefden thuis binnen, blijde elkander te ontmoeten en begroeten.

2 december 1915

Mijn verlof is weer ten einde. Het gaat altijd vlug om, wanneer men thuis is.

Van morgen ben ik gaan straten op den hofstede van Willem van Oeveren.

Het werk kwam juist op den middag klaar.

Om 1 uur reed ik na van alles afscheid genomen te hebben met zus Helena naar Zierikzee, waar ik aan boord ging.

Van Katseveer naar Kloetinge, waar ik blijf overnachten en te midden van de blijmoedige familie, waar de baas des huizes jarig is. Den avond gezellige wijze hoop door te brengen.

3 december 191

Het is nu 1 uur op den middag dat ik de pen ter hand neem om nog enige letteren te schrijven.

Om 6.30 uur reed ik van Kloetinge en kwam 7.30 uur in mijn kwartier aan.

9 uur kwam ik op het bureau, waar ik mijn werk wist te vinden.

Zo dat alles zijn gewone gang ging. Om 12 uur vroeg ik mijn Compagnie Commandant 2 dagen verlof welke ik aan staande week hoop te gebruiken om op Kloetinge te gaan straten.

Mijn verzoek werd toegestaan, zodat alles naar wens ging.

Van middag ga ik met mijn gewoon werk door.

5 december 1915

Het is zondagmiddag en zit alleen op het bureau van de 3e Compagnie.

Ik heb niets te doen, dan zitten. Men kan nog beter op schildwacht staan, dan bureauwacht hebben.

Ik heb 24 uur wacht op bureau en zodra er nu stukken komen, moet ik mijn Commandant er van verwittigen.

Om de vier weken, hebben we dat baantje.

Onze Commandant vroeg mij wanneer je nu liever uit gaat dan moet er maar een mannetje weer op wacht komen.

Ik zeg: “Luitenant, we zijn besloten, dat zelf te doen als bureaupersoneel,”

De andere kameraden hebben genoeg te schilderen op eenzame posten, en toch zou ik maar liever in hun lot delen.

Niet dat ik het met schrijven niet druk heb, Iedere avond is het 8 uur soms half negen uur eer dat ik van bureau af ben.

Boven alles zijn we nog rijk gezegend, als we dan eens een blik slaan in de dagbladen en dan lezen van het oorlogs rumoer waaruit het hart verscheurende gejammer der gewonden met rode letteren als onzichtbaar te lezen staat, tussen de overwinningen van de Zee-, Land- en Luchtmachten der Naties.

Dan komt daar in mijn hart een stil gebed voor het schepsel, dat Gij o God geschapen heeft, opdat ze niet mogen komen onder de machten waardoor ze bediend worden, maar dat Gij ze brengt onder stillen loop, totdat mijn tijd gaat op schieten en mijn wacht ten einde gaat.

Zodra mijn tijd om is, ga ik nog even naar mijn kwartier en hoop den avond met mijn meisje samen door te brengen onder het Woord van onzen Heiland, die we beiden mogen bezitten als onzen Verlosser en Zaligmaker.

God zij geloofd. Door Zijne genade hebben we vrede in Jezus Christus.

Ds. Van Leussen te Goes.

De Heere zegene ons op dezen avond.

9 december 115

Op Kloetinge bij de familie Schipper, zal ik nog even de pen ter hand nemen.

Feitelijk had ik dezen avond in mijn kwartier moeten zijn, maar de Majoor had me laatst al eens gezegd, wanneer je maar present ben, wanneer den dienst begint, is het goed.

Ik ben dan besloten ook dezen avond den laatste avond van mijn verlof, welke mij op verzoek, waren toegestaan door den Commandant, in dezen gezellige familiekring door te brengen.

Voor dat ik met mijn twee dagen naar Kloetinge vertrok, welke ik met straten, heb doorgebracht, vroeg ik den Sergeant Majoor Schouten, wanneer ik kon vertrekken.

De s.m.a., kwaad op mij, zei dat moet je maar aan den Luitenant vragen.

Ik had den sectie Commandant verlof gevraagd omdat de s.m.a. Schouten absent was.

Een poosje later zei hij, “Wandel, geef je werk over aan de Kaart en g.g.gaat naar je meisje”

Ik zeg Majoor, Als je het goed vindt, dan fiets ik er naar toe”

Dan moest hij lachen. Hij had niet veel plezier.

1e Sectie Commandant Majoor is een vraagbaak, de as waar heel de Compagnie om loopt. Bovendien was hij niet goed gezond. Maar boven alles had hij ook zijn goede zijde, al was hij schaars.

10 december 191

Op klokslag 6 uur spring ik overeind in mijn bed en zegt tegen mijn oudste broeder Johannes; Ik droomde juist dat het alarm is in Kruiningen en dat ik vanaf de Kruiningse Zanddijk heel het Bataljon Infanterie zie naderen uit de richting Kruiningen.

Ik kleedde mij aan en toen ik allen vaarwel gezegd had, reed ik naar J. Trimpe van de lichting 1909, die bij zijn ouders op Kloetinge 24 uur permissie had door gebracht.

Samen reden we per fiets weg. Ik vertelde hem van mijn droom en dat ik alles zo klaar zag naderen of dat het werkelijk was.

In tussen  reden we over Kapelle- Biezelinge door den Smokkelhoek over Schore naar den bewuste Zanddijk.

Zodra we beneden aan den oprit kwamen, keken we elkander aan en zei ik; zou dan mijn droom werkelijkheid zijn geweest?

Weldra waren we boven op de dijk en wat ik ’s morgens in den droom gezien had, zagen we nu in ware werkelijkheid.

Met volle muziek naderde het IIIe  Infanterie Bataljon, 14e Regiment Infanterie op ons aan.

Wat een machtig schouwspel! De majoor te paard voor de troep.

1-2 Compagnieën muziek,  3-4 Compagnieën keukenwagens, patrooncachons, foeragewagens, kortom alles wat bij den troep behoorde.

Men hoorde de manschappen, die volledig gepakt met deken achter de klep van het ransel, lustig meezingen ( krijgsmuziek ).

Men zou hebben blijven staan, als we wisten dat we er zo zouden afkomen.

Ik dacht; zou de SMA Schouten, mij nu precent of absent hebben gemeld, of met verlof?

Ik zeg tegen Trimpe, die Bataljonstimmerman was, we zullen het aan niemand laten merken, dat we niet op de appelplaats zijn aangetreden geweest bij het alarm.

Ga jij nu rechts en ik links en kwamen met een grote omtrekkende beweging in ons kwartier aan, want zei ik, we moeten nu een krijgslied bedenken, zonder dat zelfs maar iemand zou denken, dat we mankeerden bij den dienst.

Ruim 8 uur kwam ik in mijn kwartier. Mijn hospita, trok een bedenkelijk gezicht en ik dacht eerst van kiespijn. Maar ik begreep dat beste mens en ze zei Marien zou je dat klaar spelen, zonder straf? Ik zeg. Dat zullen we zien Moeder. ( Want wij soldaten spelen altijd tegen over iedereen Moeder )

Ik ging eerst eens lekker eten en hoorde intussen vertellen dat de treinafdeling, waaronder behoren; keukenwagens, het bureau enz. waren terug gekeerd.

In het Kantonnement en dat de troep was door gemarcheerd naar Kapelle om oefeningen te houden.

Nu werd het mijn tijd. Met mijn kwartiermuts op was het precies of dat ik mijn uitrusting in mijn kwartier had opgeborgen en nu naar het bureau terug keerde.

Van af de molen moest ik door de lange straat naar de Markt, waar het Bureau stond van de 3e compagnie.

Onderweg riepen ze, “Wandeltje, Wandel Marien” ( ik ging steeds door ).

Zouden we zwaar gestraft worden? Er mankeerden er 17 van onze 3e Compagnie.

Ja 59 manschappen van het IIIe Bataljon, allen jongens, die met ongevraagde permissie naar huis waren gegaan en die ’s avonds binnen hadden moeten zijn.

Maar wie denkt nu om alarm? Niemand.

Ik zeg jongens! Het beste is maar om bij zulke gelegenheden precent te zijn.

En zelf stond ik even ver als hun. Op het bureau aangekomen, maakte ik saluut en zei goeden morgen Majoor.

Waarop volgde: Goede morgen Majoor?

Wandel, je hebt gemankeerd bij de alarm oefening.

Ik zeg: Majoor, is dat zo erg? Je hebt toch laatst tegen mij gezegd dat ik voor 9 uur niet precent behoefde te zijn. Waarop hij zei: Hou je mond, je weet je werk.

Ik nam mijn schrijfwerk en begon te schrijven, geen woord werd gewisseld.

Een ogenblik later kwam er een telegram voor een jongen, die bij den troep was en hoorde tot mij zeggen; Wandel haal den ordonnans”

Waarop ik zei; Majoor, die zit misschien op Kapelle?

Toen volgde hij; Heb je een fiets?

Waarop ik toestemmend van ja zei.

Haal je fiets en breng dat telegram zo vlug mogelijk naar Kapelle Biezelinge, bij de Commandant van de 3e Compagnie en reikt hem dit over.

En zegt hij; Wanneer de Luitenant nu vraagt, waar ben je geweest?

Dan ben je bij de Compagnies kar geweest. Begrepen?

Ik zeg, Ja Majoor, dat is toch ook zo geweest, want toen ik zoeven hier kwam heb ik nog stoelen helpen aanpakken.

Ik reed naar Kapelle, melde mij bij Luitenant De Bruijn, bracht daarna een soldaat van Colijnsplaat het telegram en mocht dadelijk vernemen, dat zijn naam Vader geworden was; kreeg direct verlof en volgde mij naar Kruiningen.

Daar aangekomen maakte ik dadelijk zijn verlofpas in orde en mocht bij zijn thuiskomst direct vertrekken.

’s Middags kwamen die absent waren op het rapport.

17 manschappen werden gestraft ( te samen hadden ze 168 nachtjes politiekamer op te knappen, alleen van de 3e Compagnie.)

Van het IIIe  Bataljon mankeerde 59 manschappen, die ik ’s avonds allen met een strozak zag lopen naar de politiekamer, die in dit geval de Gemeenteschool was.

Toen ze met z’n allen in het schoollokaal waren aangekomen, begonnen ze te zingen en springen en hadden de meeste schik. Een mondharmonica begeleide hun zingen.

Wat een leven was dat ’s avonds 6 uur.

Bijna alle manschappen die vrij waren, stonden op het Marktplein en 59 man in de politiekamer aan het zingen. Tot ergernis van Majoor Knook ( met gouden kraag ) welks Bataljon bureau grensde aan de school. De wachtcommandant moest met de sleutels van het lokaal komen en de Majoor zou de manschappen waarschuwen.

Zodra de deur open ging, stapte de Majoor in het voorportaaltje, met zijn schoenen in de urine, wat ze met hun allen onder water hadden gezet.

Dit was voor de Majoor te erg en zei, dat ze allemaal naar hun kwartieren mochten gaan. En zo gebeurde het.

De overige avonden, moesten ze zich melden als het gestraften appél was en bliezen,

  • Ik heb sokken verkocht, ik heb sokken verkocht, ‘k heb sokken verkocht.
  • Zijn der nog gestraften, die melden zich aan de wacht.
  • Ik heb sokken verkocht, ik heb sokken verkocht, ‘k heb sokken verkocht.

14 december 1915

Ik zit op het ogenblik aan boord van de Provinciale Stoomboot Middelburg- Zierikzee.

Het is ongeveer half tien uur in den voormiddag.

Om 7 uur reed ik uit mijn kwartier, was 8 uur op Kloetinge, stapte 8.15 uur even bij mijn meisje af in de Ganzepoortstraat en vervolgens naar Katseveer, waar ik zoeven aan boord gekomen ben.

Mijn reis is naar huis met 3 dagen verlof en moet donderdagavond 16 december weer terug zijn in mijn Kantonnement.

De laatste dagen heb ik druk mijn werk met schrijven gehad.

Gisteravond 7 uur, toen ik op het bureau klaar was, ging ik naar het Tehuis tot half negen uur.

Het was een gezellige drukte. Om 8 uur werd er een Psalm opgegeven. Daarna werd een Hoofdstuk uit den Bijbel voorgelezen en vervolgens werd God bedankt door een der aanwezige soldaten.

Iedere avond om 8 uur wordt den Bijbel gelezen.

Van zaterdag tot zondagavond was ik bij den familie Schipper, waar ik altijd met veel liefde wordt ontvangen, alsof ik hun eigen zoon ben.

Wat heerlijk om zulke dagen door te brengen in een huiselijke kring, waar het leven in Christus geliefd wordt.

Wat ben ik dan nu bevoorrecht, vergeleken bij den tijd, toen ik aan de grens en op fort lag.

Ik zal ophouden met schrijven, want straks komen we aan wal.

17 december 1915

Gisterenmiddag, als naar gewoonte stond ik met mijn zus Helena gereed tot vertrek.

Mijn verlof is weer ten einde. Het waren weer aangename dagen, die ik te midden van mijn geliefden heb doorgebracht.

Met z’n allen voor zover ze thuis zijn, doen mij uitgeleide naar buiten.

Moeder laat haar werk staan en Maria haar naaiwerk en van allen afscheid genomen te hebben, stappen we op de fiets en peddelen naar “De Hoogte”, beginpunt van het dorp. Nogmaals een armzwaaiing om dan links af te draaien en aan hun ogen te onttrekken.

Voor zover mijn dorpsbewoners mij kennen word ik van ieder, niemand uitgezonderd, jong of oud, toegeroepen, toegeknikt of vaarwel gezegd.

Het is me dan ook een waar genot met hun mede te leven.

Aan de boot gekomen, neem ik afscheid van mijn zus Lee met een handreiking en omarming. Aan boord schijnen ze dat niet te kunnen verdragen. Want zo’n matroos zegt, je moet maar gelukkig zijn, met een meisje aan boord gebracht en straks door een meisje opgehaald. Ik zeg, dat is soldatenliefde “In ieder stadje een ander schatje.”

Bij mijn Anna bleef ik tot 5.00 uur. Van 5.00 tot 7.00 uur op Kloetinge en kwam om 9.30 uur in mijn kwartier aan.

Even Biezelinge gepasseerd, klapte mijn band en kwam zo doende een uur later in mijn kwartier aan, omdat ik genoodzaakt was de laatste helft van mijn reis te lopen.

Om 9.00 uur kwam ik vanmorgen op het bureau en kon goed mijn werk vinden met schrijven. Toch had ik om 4.00 uur na middag geheel en al klaar.

Ik vroeg den majoor om een vrijen avond, waarop hij zei; “Je kunt nu gaan, ook krijg je morgen vrij en overmorgen ( zondag ) en behoeft niet present te zijn voor maandagmorgen 9.00 uur.”

Dit liet ik mij geen 2x zeggen, vertrok nog van avond en zit reeds bij de familie Schipper op Kloetinge.

En als ik mijn dagboek zo eens na lees, dan is het altijd verlof en bemerk ik dat de Sergeant Schouten toch z’n woord gestand doet, met te zeggen, toen hij mij als schrijver voor het bureau vroeg.

“Je hebt immers een meisje in Goes?”

22 december 1915

Tijdens mijn verlof, ging ik op 18 december straten op Kloetinge, bracht den zondag 19 december door in de familiekring, ging naar Goed ter kerk en genoot in het bij zijn van mijn An van de heerlijke prediking van het Evangelie.

Den 20e december, kwam ik ’s morgens op het bureau, schreef tot ’s avonds half negen, vroeg den luitenant om 2 extra dagen verlof naar Kloetinge en wist meteen dat ik den anderen middag mocht vertrekken.

Op den middag van 21 december reed ik naar Kloetinge.

Onderweg passeerde ik gehele troepen Infanterie van uit Walcheren, op weg naar Kruiningen, om de loopgraven te verdedigen op de Zanddijk.

Het was slecht weer en men kon het den jongens aanzien. Ook hoorde me nu geen marsliederen zingen.

Stil zwijgend, met hun hoofden naar den grond, gingen ze voort met zwaar bepakte ransels, regen en wind trotserend.

’s Avonds 6.00 uur werd de oefening afgelast en moesten zich terug trekken op Goes, waar ze ’s avonds 9.00 uur doornat tot op hun naakte body na een gehele dag te hebben gemarcheerd, werden ingekwartierd bij de burgers.

Op het ogenblik zat ik in mijn kwartier bij de familie Schipper, het is avond en heb den gehele dag op Kloetinge gestraat.

26 december 1915

Ook den volgende dag 23 december heb ik gestraat op Kloetinge.

Den 24 december kwam ik ’s morgens op het bureau, had den gehelen dag werk met verlofpasjes schrijven en mocht ze allen ’s middags en ’s avonds uitdelen aan hen die de kerstdagen in hun familie of huis gingen doorbrengen.

Alleen die op wacht staan en komen, blijven in het Kantonnement.

Ik zelf ben een gelukkige en heb twee dagen bureauwacht.

Gisteren morgen kwam ik op het bureau.

Mijn sectiecommandant gaf mij orders die ik uit moest voeren en gaf mij 6 grote heerlijke sigaren om op te roken, “voor de vervelendheid” zeide hij mij.

’s Middags ging ik ter kerk en ’s avonds naar het Militair Tehuis, waar we in gezelschap van vele kameraden genoten van verschillende voordrachten, die ons gegeven werden van een Lid van het Nationaal Steuncomité.

Daarbij genoten we het geluk dat het ons niet ontbrak aan een kop chocolade, tabak en sigaren.

Thans is het 11 uur voormiddag en heb  juist een grote brief geschreven aan mijn tante, ( familie H. van de Baan, Grand Rapids, Noord Amerika ).

Het is stil op het bureau, waar er anders een grote drukte heerst.

Ook in het Kantonnement is alles stil op straat. Het enige wat ik hoor is de regelmatige stap van den schildwacht van het Kantonnement.

Die stille eenzaamheid voert mijn gedachten naar Bethlehem ‘s stal.

En men hoort het den herders uit jubelen, die zich juist er hebben van overtuigd en hebben gezien het kindje in de kribbe. Jezus is geboren.

Ze zingen en jubelen het mede uit wat hun te middernacht werd verkondigd van de Engelen uit de Hemel. Vrede op aarde in den mensen een welbehagen.

Ook voor mij is Hij vrede geworden.

Heerlijk dat te weten. Hij is onze vrede,

En nu hoort men nog Vrede op aarde en…zegt men het is oorlog en nog eens oorlog.

Hoort gij dan niet het kanongebulder dagelijks van uit de verte?

En spreekt gij dan nog van Vrede?

En dan roep ik het uit met de Herders van Bethlehem. Jezus is geboren in een stal.

( Symbool toegang voor ieder ) Heerlijk dat het geen Paleis geweest is, wat voor enkelen toegang verschaft. Maar neen, gelukkig neen.

Gods liefde is oneindig groot.

Hij zegent over bozen en goeden en over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

En zegt ons den Bijbel niet dat God liefde is;

Naar aanleiding uit: Joh. 3 vers 16?

Avant alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen enige geboren Zoon gegeven heeft op dat een iegelijk ( allen ) die in Hem gelooft niet verderven, maar het eeuwige leven hebben.

Een innige bede gaat van mij over allen die, U Vader niet kennen in Christus Jezus, die eens mensen gestalte heeft aangenomen om met ons te wandelen en ons den weg te wijzen tot Vader omhoog.

Wees ook in de loopgraven in de harten die U kennen en niet kennen en vervul ons allen door Uwe grote liefde op dat we deelgenoten worden met Hem te gaan van kribbe naar kruis om eenmaal opgenomen te worden in Zijne heerlijkheid. Amen.

Gezang 48, vers 10 en 9.

29 december 1915

Den 27 december kreeg ik ’s avonds na den dienst verlof naar Goes. Tot den anderen morgen 9 uur.

Dien zelfden avond ging ik naar de kerstviering van de Zondagschool in de Vrij Evangelische Gemeente te Goes.

Na afloop werd mij gevraagd den verdere avond in het Bestuur van de Zondagschool door te brengen, omdat Anna daar ook toe behoorde.

Den avond ging dan ook verder in feeststemming voorbij.

De laatste 2 dagen is het weer druk met schrijven geweest. Terwijl ik een ogenblik tijd heb op het bureau, ben ik bezig met mijn dagboek te verlengen.

Prachtig zacht weer is het vandaag en we horen nu op duidelijke wijze het kanongebulder vanuit de verte, nog even goed. Dan voor zestien maanden.

Straks hoop ik nog een ogenblik in het Tehuis te vertoeven.

31 december 1915

Oudejaarsavond van het jaar 1915.

Zojuist heb ik mijn Anna thuis gebracht en zijn samen naar kerk geweest bij Ds. van Leussen.

Deze Prediker als instrument van het Hemels muziek, werd door den Heiligen Geest gedreven om te spreken naar Gods wil, opdat wij allen gewezen werden op den heilsbeloften Gods.

Bij het naderen van het einde des jaars, het einde onzes levens en het einde der wereld.

Hem werd alle lof en dank toegebracht voor de zegeningen ons geschonken.

Woorden van troost voor mijn ziel mocht ik genieten.

We zongen Gezang 160

  • Uren, dagen, maanden, jaren
  • Vliegen als een schaduw heen.
  • Ach wij vinden waar wij staren
  • Niets bestendigs hier beneer
  • Op den weg, dien wij betreden
  • Staat geen voetstap die beklijft
  • Als het heden wordt verleden
  • Schoon ’t ons toegerekend blijft.

Op het ogenblik zit ik op mijn zolderkamertje bij de familie Schipper.
En in stille overpeinzing gaat er een bede uit tot God mijn God de bron van vreugd.
Wij danken U Vader in onze Heere Jezus Christus, voor Uwe bewarende hand over Onze geliefde Vorstin met Haar Huis, Land en Volk dat we gespaard zijn gebleven voor de verschrikking des oorlogs en voor zo vele andere uitvloeisels van de Satanische machten.
Wij danken U dat Gij ons nog bij het leven heeft gespaard, ook mijn geliefden.
En mijn bede gaat uit tot U Vader van alle schepselen.
Kan het zijn, breidt Uwe vleugels uit over al uw schepsels en openbaart Uwe heerlijkheid in Christus Jezus.
Amen.

  • 1916 –

1 januari 1916

Nieuwjaar. Begin 1916. Dat geeft te denken.

Mijlpalen op den voortgaan sen weg des levens. Heerlijk is het dat we zulke dagen beleven en God heeft er Zijn wijze bedenkingen mede gehad.

Het brengt een mens tot overdenking.

Allerhande vragen, gedachten en meer verschillende dingen doorkruisen onze gedachten. Maar alles blijft onbeantwoord.

Met de gehele familie Schipper gingen we naar het huis des gebeds, om onderling in de gemeenschap des Geestes alle vragen en noden en behoeften te brengen voor de troon der genade.

En het bleef dan ook niet uitgesloten, dat we Zijn tegenwoordigheid mochten ervaren aan onze onsterfelijke harten.

Johan de Heer 569
Heer wees mijn Gids op heel mijn levenspad
Wees Gij mijn Gids
Wijs mij den weg naar Zion‘s gouden stad
Wees Gij mijn Gids
Blijf dicht mij bij
Ga stap voor stap mij voor
Dan ben ik gerust en veilig volg ik uw spoor
En zegt ons ook niet het Lied 39
Geef uw lot in handen van den Vader
Laat uw toekomst over aan den Heer en
Dat willen we doen bij in en voortgang
En andermaalis daar een bede in mijn hart.
Heere God van Hemelen en Aarde, wees aan alle einde der aarde, woon in alle harten der mensen en laat ieder zich laven aan de Bron van leven.
Wees met onze geliefde Koningin en Haar Huis, Land en Volk en alle mijn geliefden en mijn bede is: Geef mij kracht te staan te midden mijner kameraden om mijn plicht te doen voor Land en Koningin……….Amen.

Het is weer laat op den avond en heb er nu 2 dagen verlof op zitten van de zeven.

Ook vandaag heb ik in gezelschap van mijn geliefde mogen doorbrengen.

Thans is het 11 uur op den avond en alles kraakt en piept, want buiten loeit de storm.

Ik ga toch maffen, want met zulk weer slaapt men het best.

5 januari 1916

Op den middag van 3 januari kwam ik in de ouderlijke woning, waar ik alle huisgenoten mocht ontmoeten.

Daar mijn reis langs een omweg ging met enig gevaar, kwam ik toch heelhuids thuis.

’s Morgens stormde en regende het vreselijk en met het mijngevaar op de Schelde, besloot ik mijn reis over Bergen op Zoom te maken, want ik had even zo papieren over Katseveer, dan wel over Bergen op Zoom.

Het was zo druk voor het loket op het station Goes, dat mijn trein weg zou rijden, voordat ik tijd had mijn verlofpas te laten afstempelen.

Ik trok mij echter weinig van aan en wipte nog in den trein, die al in beweging was en voort ging het naar Bergen op Zoom.

Daar aangekomen, mocht ik van de stationwacht ( Militaire Wacht ) het station niet verlaten.

Begaf mij daarop naar den Stationschef, die mijn papieren afstempelde en mocht daarna passeren.

Verder ging het per tram naar Vogelenzang, Steenbergen, Anna Jacoba Polder, Zijpe. Van Zijpe per tram naar Nieuwerkerk.

Juist hadden we de Blauwe keet gepasseerd, toen 2 wagons in den bocht bij Jan Flohil uit de rails liepen. Goddank zonder menselijke ongelukken.

Ik ging te voet naar huis, maar ik kon juist op Oosterland weer instappen en kwam behouden bij mijn geliefden als boven omschreven.

Vandaag zijn we met z’n drieën, Vader, Johannes en mijn persoon naar Stad aan het Haringvliet geweest om het werk te bezichtigen, wat mijn Vader had aangenomen.

9 januari 1916

Op 7 januari keerde ik weer van verlof naar mijn Kantonnement, naar van al mijn huisgenoten afscheid genomen en een tot weerziens toegewenst te hebben, begaf ik mij ’s avonds 5 uur op reis.

Mijn plan was niet om met den trein te gaan, maar omdat het zo hevig stormde en mijn Moeder  bang was voor het mijngevaar in de Zeeuwse Stromen, veranderde ik mijn voornemens en begaf mij als boven omschreven naar den tram die op de ring van het dorp stil stond.

Per tram via Zijpe naar Bergen op Zoom. Te Vogelenzang hadden we geen verbinding met de tram van Tholen en was verplicht te lopen naar Bergen op Zoom.

Daar aangekomen begaf ik mij naar M.Th.E. Nederhand, Boutershemstraat, Rijksambtenaar, een broer van mijn Moeder.

Daar aangekomen werd ik goed onthaald, versterkte den inwendige mens en ging daarna naar het station.

Om 10 uur stapte ik op den trein en het duurde niet lang of we stopten weer te Vlake.

Onderweg kwam ik verschillende soldaten op weg van verlof naar hun kwartier en na een uur getippeld te hebben door den stik donkeren nacht, kwamen we half twaalf in Kruiningen aan en toen ik in mijn kwartier was aangekomen, lag ik vlug onder de wol.

De andere morgen 8 januari ging ik op tijd naar het bureau van de 3e Compagnie.

Nauwelijks de deur opengedaan of daar kwam een heleboel shrapnels ( geweerkogels ) op mij aanvlogen. Dit wil zeggen, de Majoor begon zo tegen mij op te scheppen omreden ik een dag te laat kwam naar zijn zin.

Zelfs had hij gezegd, je kunt uitgaan zo lang je wilt, als den dienst maar niet onder lijdt. ( zulks hadden we onder elkaar uitgemaakt dat, dat niet gebeurde )

Toen hij uitgebulkt was, ging alles naar wens, ging in den voor middag zelf met verlof en toen ik op de n middag mijn verlofpassen had uitgedeeld, ging ik zelf met 24 uur permissie naar Kloetinge, dus van heden zaterdagmiddag tot maandagmorgen.

Op het ogenblik is het zondag en zit alleen in de huiskamer bij de familie Schipper.

De vrouw des huizes is met Rika naar kerk en de baas met D. Weststrate, een jaren vaste thuisligger, zijn Zondagschool gaan houden in het schooltje aan het begin van de Achterweg voor het dorp Kloetinge.

11 januari 1916

Van middag mocht ik weer veel soldaten blij maken met het overdragen van vervoersbewijzen voor 3 dagen verlof.

Indien het mogelijk is geef ik ze zo vroeg dat ze bijna altijd een trein vroeger kunnen vertrekken.

Voordat ze hun passen hebben zeuren ze nogal eens veel aan mijn oren.

En terwijl ik dan van het bureau naar mijn kwartier ga of omgekeerd, hoor ik steeds “Wandeltje Marien, Wandel, wanneer zijn mijn passen in orde?”

Breng je ze vroeg mee? Enz.

Het is me dan een groot genoegen, dat ik ieder tevreden kan stellen.

Steeds maar doorlopende, want anders kwam je niet thuis in je kwartier of op het bureau.

Ik heb een vrije avond en zit te midden van veel militairen in het Tehuis.

Er zit er een op het orgel te spelen. Verschillende zitten er te dammen of domino te spelen, een grote partij zitten te schrijven naar huis of geliefden.

De meesten tijd is het 8 uur dat ik van het bureau af kom en heb dan nooit veel tijd om nog naar mijn kameraden te gaan in het Tehuis, omdat ze in mijn kwartier om 9 uur onder de wol gaan.

13 januari 1916

Met 10 soldaten zitten we van avond in het Tehuis ( van planken gemaakt ), dat staat te schommelen, piepen en kraken en menigmaal kijken we naar boven of alles nog hangen blijft. Stormt vreselijk.

Men zou zo zeggen het is een orkaan. Terwijl het op andere avonden zeer druk kan zijn in het Tehuis, is het nu stil.

Ook in het dorp ziet men geen militairen lopen, alleen de wacht is present en de schildwacht die post voor het Geweer is, loopt diep in zijn overjas op en neer om zich voor de kou te vrijwaren.

De andere manschappen zijn van middag uitgerukt en hebben tot vanavond 10 uur oefening. Moeten in vereniging met het Bataljon Infanterie dat te Krabbendijke en Rilland-Bath ligt, een aanval doen op den Zanddijk, die versterkt is door alle militairen vanuit Walcheren en Zuid-Beveland.

De oefening is in volle gang.

De ramen dreunen nu en dan voor de kanonnen en tussen het bulderen van den storm hoort men geweer en mitrailleurvuur knetteren. Alles is in Aktie.

Alleen het bureaupersoneel is vrij van de oefening, maar moet schrijven.

Ik ga nog terug naar het Bureau. Twee uren zijn voorbij.

Het is nu half negen op den avond. Zojuist ben ik van het bureau afgekomen en hoor van alle kanten verzamelen blazen.

Ik kan me voorstellen dat ieder blij zal zijn, dat de oefening afgelopen is.

Velen moeten nu nog een grote afstand afleggen, bij voorbeeld naar Rilland en Goes.

Het is noodweer buiten.

Een uur is voorbij gegaan en Infanterie colonnes artillerie met mitrailleurs met hun honden, marcheerden door het Kantonnement Kruiningen met volle muziek.

Men kan het aan de jongens aanzien, dat ze blijde zijn, dat de oefening ten einde is.

Training voor hen die nu om half tien uur op de wachtparade moeten verschijnen.

Het is juist onze compagnie die de wachten moet betrekken.

Nu en dan staat heel Kruiningen in het licht van de zoeklichten van de oorlogsbodem op de rede te Hansweert.

16 januari 1916

Enige dagen zijn weer voorbij gegaan.

Op dit ogenblik zit ik op Kloetinge met 24 uur verlof.

De laatste dagen wordt er druk gesproken over troepenverplaatsing.

Ik had liever maar dat ze over die dingen maar niet te veel spreken, want bij menig soldaat zou dat tegen vallen. We liggen hier in het centrum van Zeeland en velen onzer manschappen komen uit Zuid-Beveland of uit de omgeving van Zeeland.

Wat mij zelf betreft geniet ik met volle teugen en smaakt het genoegen, bijna iedere week in tegenwoordigheid van mijn meisje te verkeren en in het aangename huislijke verkeer van de familie Schipper te mogen doorbrengen.

Bovendien iedere week te mogen aanzitten onder het geklank van het Evangelie.

Het is vandaag 2 jaar geweest dat ik naar dienst ging. Hoe lang nog?

Niemand weet dit, dan mijn Vader alleen.

Hij sta mij terzijde in het 3e jaar, dat ik in moet gaan als soldaat, opdat ik met Gods wil mijn plicht mag vervullen voor Koningin en Vaderland.

20 januari 1916

Op 18 januari ging ik met 3 dagen verlof naar het ouderlijke huis.

Ik mocht allen weer in gezondheid ontmoeten.

Den verdere tijd van mijn verlof ging ik met mijn broeder Johannes straten op de hofstede van Dirk Koopman, Saspolder, Gemeente Nieuwerkerk.

Terwijl ik daar zo aan het straten was, moest ik steeds denken aan de mensen uit Noord-Holland, die op jl. 13 januari geteisterd werden met overstroming.

Ik had dan een plan in mijn hoofd om zodra ik op mijn Compagnie was teruggekeerd,  mijn Sectie Commandant te verzoeken gelden te mogen inzamelen voor de geteisterde streken in Noord-Holland.

De avonden werden aangenaam in den huiselijke kring doorgebracht.

Van middag moest ik allen vaarwel zeggen en zit nu reeds aan tafel te schrijven in mijn dagboek op Kloetinge.

Ik wik nu eindigen, mij aankleden en per fiets naar Kruiningen om intijds in mijn kwartier aan te komen.

21 januari 1916

Ze lagen gisteravond nog niet onder de wol in mijn kwartier.

Van morgen ging ik weer naar het Bureau, waar ik den gehele dag druk werk kon vinden met schrijven.

22 januari 1916

Va morgen kwam ik weer op gewone tijd op het bureau.

Ik had iets nieuws, wat ik bij mijn Commandant Luitenant De Bruijn op tafel legde.

Het was een intekenlijst voor de ongelukkige slachtoffers van de watersnood in Noord-Holland.

Terwijl onze soldaten op 13 januari jl. oefening hadden, waren in Noord-Holland vele polders door de hogen Westervloed onder water gelopen.

De laatste dagen ( zoals reeds omschreven op 20 januari ) was ik zo aan het denken gegaan om de arme slachtoffers dat er hulp moest worden aangeboden.

En een stem zeide mij “collecteer onder uw mede wapenbroeders” waar ik toen gehoor aan heb gegeven. De Luitenant vond het heel aardig en tekende meer  in dan ik had durven denken. Daarna begaf ik mij naar 2e Reserve Luitenant Hendrikse en 2e Reserve Luitenant Dekker en vervolgens naar al de onderofficieren, korporaals en soldaten.

Van middag gaat alles met verlof en terwijl ik bureauwacht heb, heb ik een mooie gelegenheid tot inzamelen.

Een ieder die op het bureau komt laat ik mijn stuk lezen. Ook te midden op straat sta ik onder de soldaten het stuk voor te lezen en zeg dan, die maar 2 cent kan missen, geef die dan aan dat doel. Bijna alle soldaten gaven mij een dubbeltje.

In het Tehuis deed ik zulks ook en nu ik aan tellen ga, is de som tot f 18,00 , achttien gulden aangegroeid voor den eersten avond.

23 januari 1916

Het is zondag en terwijl allen van het bureaupersoneel met verlof zijn, heb ik de wacht op het bureau.

Ook de Kantonnement- en veldwachter met het brandpiket

( Groep speciaal aangewezen personen die belast is met het toezicht op brandgevaarlijke werkzaamheden of die in staat van paraatheid is gebracht om in geval van brand onmiddellijk op te kunnen treden ).

zijn aanwezig.

Van middag ben ik naar kerk geweest en hoop den avond in het Tehuis door te brengen.

24 januari 1916

Voor dat ik naar het Bureau ging, was ik aan het inzamelen voor den Watersnood.

Zodra ik gelegenheid vond, ging dat den gehelen dag door, ook op het bureau van die komen en gaan.

Toen ik om 5 uur naar het Tehuis ging, ontmoete ik een dorpsgenoot. Johan Flikweert, thans Land Stormsoldaat van de lichting 1914.

Meermalen had hij eens tegen mij gezegd, terwijl ik met verlof thuis was, ik zou wel met u mee willen gaan naar dienst Marien.

Nu vroeg ik hem ( hij staat nu 4 maanden in dienst ) hoe bevalt je het soldatenleven.

Waarop hij zei, Ik ga liever vandaag dan morgen naar huis.

We liepen zo een uurtje met elkander op en neer, tot dat het zes uur geslagen was en ik naar het bureau ging tot van avond 9 uur.

25 januari 1916

Om 9 uur voor middag was ik weer present op het bureau en had druk mijn werk met vervoerbewijzen schrijven.

Ons kopje koffie wordt ons iedere morgen verstrekt en de namiddag een kop thee, wat ons altijd vrolijk stemt.

Om 12 uur hadden we middageten ( rats ) stamppot /kliekjes van vorige dagen opgediend als voedsel. Omdat onze Compagnie op wacht komt.

De 1e Compagnie heeft alarm oefening.

De 4e Compagnie uitrukken, terwijl de 2e Compagnie op wacht staat.

Om 2 uur blies de hoornblazer de wachtparade.

Eerst het Signaal van de 3e Compagnie, daarna het is vijf minuten voor appél               ( driemaal ) en dan: Als je weet dat je op wacht komt.

Waarom maak je dan niet klaar voor den Adjudant, voor den adjudant met je wapens in je rechter hand.

Daarop kwam ieder die op wacht moest in veldtenue met deken achter de klep van het ransel op de wachtparade:

140 man kwam op wacht van onze compagnie en zo gaan de jongens weer voor 24 uur op wacht.

Ik ging naar het bureau schrijven tot 4 uur.

De Majoor zei, je kunt naar Kloetinge gaan tot morgenochtend, waarvan ik direct gebruik maakte.

Terwijl de familie Schipper rond de tafel zitten, schrijf ik in mijn dagboek.

31 januari 1916

De laatste dagen had ik druk mijn werk met schrijven, van ’s morgens 9 uur tor ’s avonds 9 uur. Toen ik ’s avonds in mijn kwartier kwam, kon ik dadelijk onder de wol.

Omdat mijn kostbaas ’s morgens vroeg op moest staan om te gaan arbeiden.

Op 28 januari kreeg mijn slaapje twee dagen kwartier ziek onder de wol en moest toen zelf mijn eten halen in de keuken ( wat hij anders altijd voor mij deed.)

Op een morgen, toen ik onze kuchjes ging halen, kwam ik de kapitein Bretschneider van de 4e Compagnie tegen.

Ik salueerde en zei tevens op gemoedelijke toon “Mogge”( goede morgen ).

Kapitein; tevens doorgaande, kapitein draaide zich om en vroeg. Wat zeg je soldaat?

Waarop ik antwoordde. Ik zeg “Goeie morgen Kapitein”

Waarop hij antwoordde; “Goede morgen Soldaat.”

( Men mag geen meerdere aanspreken, alleen wanneer men een meerdere nadert op zes pas, salueert met de rechterhand, de linkerhand gestrekt omlaag, pink op de naad van de broek en kijkt je meerdere aan met een vriendelijke gezicht, of je het nu meent of niet. Ofschoon ik met hart en ziel soldaat ben, blijf ik toch gemoedelijk even als in den burgerstand.)

In den morgen van 29 januari, ging ik met verlof naar huis. Ik moest hard lopen om de trein te halen op het station Vlake.

Mijn reis ging via Bergen op Zoom. Aan Rilland kwamen een paar oude kameraden in den trein en reisde inmiddels verder, totdat we eindelijk in huis stapten bij mijn geliefden.

De 30e  januari werd ik 22 jaar oud; te midden mijner huisgenoten mocht ik dien jaardag vieren. Het was reeds de 3e keer, dat ik mijn jaardag vierde in den militairen dienst. Ook vandaag ben den gehelen dag thuis en vond op mijn gemak een ogenblik tijd mijn dagboek te verlengen.

2 februari 1916

Mijn verlof zit er weer op. Gisteren morgen reed ik, na allen vaarwel gezegd te hebben, terug over Bergen op Zoom, reed van Vlake door naar Goes en kwam om 11.30 uur op het station aan.

Vanaf het station ging ik langs het spoor naar Kloetinge en kwam binnen de 20 minuten bij Schipper op Kloetinge aan.

Over dat langs de spoorbaan lopen, deed ik met ongevraagde permissie en zolang ik soldaat ben, maakte ik daar gebruik van, zonder dat ze mij daar ooit over aangesproken hebben. En van die gepaste vrijmoedigheid gebruikmakende, bezorgde mij meermalen een gunst om langer bij mijn meisje te blijven. Het bracht mij voordeel en ware zulks niet het geval, dan had het wel anders geweest.

Iedere soldaat is niet dom in het berekenen van zijn voordeel, maar genoeg.

Bij de familie Schipper trof ik mijn zus Helena Hendrika en bleef tot ’s avonds half acht uur in hun midden.

Leen en Rika brachten mij naar het station Goes en ontmoete ik J.Wolse van Kortgene, van de lichting 1914. Samen stapten we den trein in. Om 9.15 uur kwam ik in mijn kwartier aan. Mijn slaapje lag nog steeds ziek te bed.

Het duurde lang voor ik sliep, want we hadden elkander veel te vertellen.

Om 7 uur stond ik op, want herhaalde malen blies de hoornblazer; op rekruut, het is nu reveille, steek je benen maar buiten je krib.

Wil je niet opstaan, dan blijf je maar liggen, dan moet je maar weten, wat het er van komt.

Om 9 uur was ik op het bureau en op het ogenblik zit ik in mijn kwartier gezellig achter de kachel.

Gisteren morgen ging ik van af Zijpe met mijn neef Jan Johannes van de Berg van Bruinisse en zette onze reis voort, ik tot Goes en hij naar Middelburg, om ingelijfd te worden bij den Landstorm van de lichting 1912.

3 februari 1916

Giseren avond vroeg ik aan de Majoor om een vrijen avond voor vandaag; reden, dat mijn zus Helena mij kwam bezoeken op Kruiningen.

Toen de majoor vroeg, hoe laat ze naar hier kwam, waarop ik zei”een uur op den middag”. Gaf hij mij verlof na 12 uur op den middag.

Om een uur stond ik aan Vlake en zoals was afgesproken, mocht ik Lee met Rika, die inmiddels van uit den trein naar den uitgang kwamen begroeten.

We wandelden door de Zanddijk naar Kruiningen, gingen naar mijn kwartier, maakten daar kennis met de bewoners van uit mijn kwartier en gebruikte daar het middagmaal.

Na het eten, gingen we wandelen naar Hansweert, naar Schore waar we bij een C.  Schipper van Rika vertoefden tot ’s avonds half negen uur.

Toen het tijd was van vertrek, bracht ik hen naar den trein en keerde zelf terug naar mijn kwartier.

Onze compagnie had avondvelddienst. En toen ik de Schorebrug genaderd was, hoorde ik den Tamboer verzamelen blazen en marcheerde met den troep mee naar Kruiningen.

Bij het binnenkomen in mijn kwartier lag alles onder de wol, schijnbaar in diepe rust, want ik hoorde niets en het bleef stil.

5 februari 1916

Het is half elf uur op zaterdagavond en zit alleen in de huiskamer van de familie Schipper op Kloetinge.

De baas zelf is naar zijn ouders te ’s Heer Hendrikskinderen.

De vrouw is nog even om boodschappen aan de overkant bij bakker De Jager en Rika is mede op stap met een paar vriendinnen, die hier den avond hebben doorgebracht.

Om 12 uur van middag was mijn dienst afgelopen op het bureau.

Buiten op straat had ik nog enige verlofpassen uit te delen en begaf mij naar mijn kwartier.

Een der zoontjes uit mijn kwartier kwam me al tegemoet met mijn eetketels en begaf mij inmiddels naar de keuken om mijn middagpotje.

We hadden een lekker potje en het mag best gezegd worden, dat de koks hun best doen om het eten best in orde te krijgen.

Bruine bonen met een flinke bol gehakt, erwtensoep ( snert ) met varkenspootjes.

Soep en meermalen krijgen we als toespijs een grote vis.

Na het eten trok ik een andere tuniek met pantalon aan en reed met prachtig weer naar Goes. Met een, een bedrag groot f 48,50 ( wat door mij werd opgehaald ) ten bate voor de Watersnood in Noord-Holland, over te dragen op het bureau van de Zeeuw.

Den verdere avond bracht ik bij mijn meisje door en zit nu als boven omschreven in huis bij de familie Schipp

6 februari 1916

Van middag, toen we uit de kerk thuis kwamen bij de familie Schipper, die juist naast den spoorlijn wonen aan Wachtpost no 41 te Kloetinge

Zagen we uit de richting Bergen op Zoom een trein naderen.

Het was een trein van het Rode Kruis, die met Belgische en Engelse soldaten ( zwaar verminkten ) werden uitgeleverd tegen Duitse soldaten.

Het was een aandoenlijk ogenblik, sinds dat den trein ons passeerde.

Zij die nog een beetje ter been waren wuifden ons toe.

Wat waren die soldaten blij, hoe ongelukkig ze ook waren, dat ze naar hun Vaderland mochten terugkeren.

8 februari 1916

Het is nu ongeveer half tien uur in den voormiddag. Met z’n tweeën zitten we op het bureau. De s.m.a. Schouten is even naar het Bataljons bureau.

Prachtig weer is het buiten en horen dan ook duidelijk het muziekkorps een lustige mars blazen. Naar buiten ziende marcheert de Genie ons voorbij, gevolgd door de 1e  Compagnie Infanterie, vervolgens de muziek, die de 4e compagnie uitgeleide doet buiten het Kantonnement om een mars te maken, gevolgd door de 3e Compagnie, die een velddienstoefening heeft in de richting Goes.

Dat alles is voorbij, gevolgd door munitie colonne rijdt voorbij, gevolgd door mitrailleurs met hun hondenkarretjes.

Het is een mooi gezicht om dat van achter de glazen te aanschouwen en daar komt weer stil heimwee om mee op te rukken en plaats te nemen in de gelederen.

Ik moet mij echter te vree stellen om op het bureau te blijven en maak mij nuttig om verlofpassen te schrijven, die ik straks hoop uit te delen, wanneer de manschappen terug keren van dienst.

Terwijl ik de courant De Zeeuw ter hand neem, lees ik ontvangen voor Watersnood Noord-Holland van de Wapenbroeders van de 3e III 14e Regiment Infanterie IIIe  Divisie Veldleger de somma van f 48,50.

Om 8 uur vanavond, toen ik van het bureau naar mijn kwartier ging, stond de 3e en 4e Sectie van onze Compagnie aangetreden om voor straf een oefening te gaan maken.

9 februari 1916

De trafoefening onder Luitenant Hendrikse ging niet door, omdat hij de manschappen, die het den vorige dag niet naar den zin hadden om welke reden mij onbekend. Zonder kennisgeving van den Bataljon Commandant had laten aantreden veldtenue met rol.

De Luitenant kreeg nog geducht standje.

Toen ik gisteravond op het bureau aan het schrijven was, kreeg ik een brief van huis dat het niet best ging met mijn broeder Leendert, die een zware kou had opgedaan en genoodzaakt was in een tentje te liggen.

Direct had ik den s.m.a. er mede kennis gesteld en mocht van morgen na vooraf mijn werk te hebben over gedaan aan de Kaart, vertrekken.

Per fiets reed ik naar Katseveer, verder per boor naar Zierikzee en vervolgens naar Nieuwerkerk, waar ik allen, behalve mijn broeder, in goeden welstand mocht wederzien. Toch mochten we tevreden zijn met den zieke en zullen hopen dat God alles wel maakt.

11 februari 1916

Mijn verlofdaen zijn weer voorbij en gelukkig kan ik weer vertrekken naar Kruiningen. Met broer Leendert gaat het nog al goed, alhoewel hij hard ziek is mogen we toch tevreden zijn.

Hij zelf is zeer geduldig en dat komt een zieke van pas.

Om 2 uur reed ik na allen vaarwel te hebben gezegd, per fiets naar Zierikzee.

Van de boot gekomen moest ik tevergeefs wachten.

Om 2.45 uur was het tijd van vertrek, evenwel wachtte ik tot half vier uur en toen er nog niets in het zicht was, reed ik terug naar huis, waar ik moest wachten tot 5.10 uur om mijn reis over Bergen op Zoom te maken.

Om 5 uur reed ik per tram naar Zijpe, per boot naar Anna Jacobapolder, waar ik een oude wapenbroeder ontmoete van de 2e Compagnie IIe Bataljon 14e Regiment, genaamd C.Steendijk van Stavenisse, die ik tot Rilland- Bath als medereiziger had.

We hadden elkander, sinds november 1914 in de Prosperpolder, heel wat te vertellen.

In Bergen op Zoom ontmoette ik mijn Oom M.Th.E. Nederhand, broeder mijner Moeder en hadden een ogenblik tijd om met elkander te praten voor de trein vertrok.

Op Vlake aangekomen moest ik nog 3 kwartier lopen en klopte om kwart over elf uur in mijn kwartier aan, waar allen in diepe rust lagen te maffen.

Na nogmaals geklopt te hebben werd de deur ontsloten en begaf ik mij rechtstreeks naar mijn wolletje.

12 februari 1916

Toen ik van morgen opgestaan was, ging ik eerst mijn kuchje halen in de veldkeuken.

Gebruikte mijn ontbijt, poetste de schoenen en zorgde er voor op tijd aan het bureau te zijn. Daar aangekomen vroeg de Majoor Schouten, naar mijn broer en kon hem anders niets meedelen, dan dat hij knapjes ziek was.

De majoor gaf mij dadelijk verlof tot maandagmiddag en mocht met den trein van 1.22 uur van Vlake vertrekken, zodat ik 6 uur avond te Nieuwerkerk aankwam.

Onderweg tussen Vlake en Nieuwerkerk had ik als gezelschap J.Priem van Sint Maartensdijk, een oude wapenbroeder in Kantonnement Rilland van 2e IIe Divisie 14e Regiment Infanterie.

Thuis gekomen stonden allen vreemd te kijken, maar werd weer welkom ontvangen.

Den avond bracht ik door mijn kameraden.

13 februari 1916

De zondag is op aangename wijze voorbijgegaan. En nu het weer tijd was, maandagmorgen te vertrekken, nam ik van allen afscheid en reed per fiets naar Zierikzee. Het stormde hard, dat werd ik op de boot gewaar naar Katseveer.

Het scheepje dobberde op de zee. Zo was het ook van morgen, we werden heen en weer geslingerd door de kajuit, maar kwamen behouden binnen de kreek en aan de wal. Te Goes reed ik eerst naar mijn Anna, dronk eerst een kop koffie en reed per fiets naar Kruiningen, waar ik half elf uur voor middag aankwam en kon direct met mijn schrijfwerk beginnen op het bureau.

Tussen den middag zaten we gezellig rond de kachel een pijp te roken en vind ik gelegenheid in mijn dagboek te schrijven.

Van middag gaan we weer in dienst van 2 uur tot half negen uur.

16 februari 1916

Gisteren morgen was het een witte wereld, maar ook prachtig wintergezicht, wat doorgaans gepaard gaat.

Mijn slaapje is den zelfden dag met verlof naar huis en zelf kwam ik ’s avonds 9 uur van het bureau in mijn kwartier aan, waar allen in diepe rust lagen.

Het is nu middag en terwijl het buiten stormt zit ik even te schrijven in mijn dagboek.

Mijn vrije uren mag ik zeer gaarne in mijn kwartier doorbrengen en zit meestal met kleine Ko op mijn knie, een jongetje van vijf jaar oud.

18 februari 1916

Het is nu middag en met ons tweeën zitten we in ons kwartier.

Tollenaar is weer terug van verlof. Terwijl ik even tijd krijg, wil ik nog enkele bijzonderheden schrijven. Om 5 uur gisteravond kreeg ik verlof om naar Goes te gaan en behoefde niet voor van morgen present te zijn.

Het was conferentie in de Vrij Evangelische Gemeente en juist den laatste avond.

Ieder jaar worden die samenkomsten gehouden: ’s morgens bidstond en ’s middags wordt er gesproken door verschillende predikanten, die op die dagen daartoe worden uitgenodigd. Zo ook was het gisteravond:

Zes sprekers waren aanwezig en spraken om beurten naar aanleiding van Johannes Evangelie, 4e Hoofdstuk, over de Samaritaanse vrouw, hoe zij tot Jezus was gekomen.

Ernstig werd ons het leven voorgesteld en hoe gelukkig men kon zijn als we Jezus namen als onzen Redder en Verlosser.

Ik kon het in die samenkomst goed vinden, voor mijn ziel en had spijt dat ik daar geen 3 volle dagen had kunnen zijn.

’s Avonds na afloop ging ik met mijn meisje naar huis en verder naar Kloetinge, waar ik den nacht door bracht bij de familie Schipper.

Van morgen ben ik vroeg van Kloetinge gekomen en was reeds 8 uur in mijn kwartier aanwezig. Van middag heb ik dienst op het bureau.

19 februari 1916

Toen ik gisteren middag op het bureau aan het schrijven was, vroeg de Luitenant de Bruijn of ik misschien onderofficier wilde zijn.

Ik behoefde dan maar even mijn tuniek weg te brengen en kreeg dan meteen strepen van sergeant.

Ik zeg: Neen Luitenant, ik heb het eerst gewild en toen mocht ik niet

( in mijn rekrutentijd ), thans mag ik en nu wil ik het niet.

Ik ben als soldaat geboren ik wil ook als soldaat sterven.

Luitenant moest hardop lachen maar had er spijt van.

Om 9.15 uur kwamen we met ons tweeën van het bureau en wippen nog even het militair Tehuis in waar we tot 10 uur vertoefden.

De Buck, lichting 1913 uit Middelburg kon goed orgel spelen en genoeglijk zongen we nog enkele liederen.

Toen we dan om 10 uur naar ons kwartier gingen was het doodstil op straat, behalve de doffe eentonige stap van een schildwacht, die op en neer liep voor de grote kou.

Daar het vandaag zaterdag is, gaat alles met 24 uur permissie naar huis.

Alleen de wachten blijven en de gestraften.

Volgens regel had ik bureauwacht, maar om twee uur van middag kwam er verandering. Foerier Geelhoed, die onschuldig gestraft werd met 4 dagen kamerarrest,

Moest nu de wacht waarnemen en maakte mij vrij zodat ik met verlof mocht tot maandagmorgen.

Gezellig zit nu bij de familie Schipper in de huiselijke kring en voel mij hier dan ook altijd op mijn gemak.

20 februari 1916

Als naar gewoonte ging ik met mijn An naar de zondagse Avond Samenkomst in den Vrije Evangelische Gemeente, waar Ds. Weber (zendeling onder de militairen in Indië)

Zou voorgaan en tevens enkele mededeling  zou doen omtrent zijn arbeid onder zijn Jongens militairen uit Indië.

We genoten onder zijn vertellingen en het dierbaar Evangelie.

Na afloop werd ons persoonlijk afgevraagd, wie Jezus kende voor Zijn hart en leven.

Ernstige levensvraag. Een vraag tot het hart en ziel.

Ofschoon ik mijn Heiland kende als mijn persoonlijke Zaligmaker, kon ik op dit moment niet opstaan als zo vele anderen.

Wat mankeerde er aan?

Diep in mijn hart was daar of stond in verband met onze verkering, tegenover de Ouders van mijn meisje.

En mocht ik den Heer belijden in Zijn tegenwoordigheid vooraleer mijn hart rein was?

Ik bleef zitten en toen kwamen broeders naar mij toe en vroegen met mij te bidden.

Op de knieën kwam ik tot overgave des Harten en beleed in stilte mijn misdaden.

God verhoorde en ik gevoelde mijn zonden waren vergeven.

Toen ik weer vanuit de consistorie in het kerkgebouw naar mijn plaats ging.

Zei Ds. G.W. van Leussen tot mij in aller tegenwoordigheid.

Wandel, wandel in het licht.

Dit was om nooit te vergeten en dit werd tot mij gezegd uit Liefdesdrang van de ouden dominee, die ik lief had en hoogachtte.

Na de samenkomst gingen we samen naar haar huis en beleed ook daar mijn misdaden.

God zij geloofd. Het was Zijn grote Liefde en mocht ik weer Zijn Gemeenschap ervaren.

22 februari 1916

Het is nog te vroeg om naar het bureau te gaan.

Ik heb juist nog ruim een uur tijd en zal dan even enige aantekeningen maken.

Gisteren heb ik den gehele den gehelen dag druk moeten pennen.

Op het bureau werd ons meegedeeld dat we Kruiningen vermoedelijk op 1 maart gaan verlaten om verplaatst te worden naar de grenzen van Zeeuws-Vlaanderen.

Naar alle gedachten gaan we naar Zuiddorpe.

Mij eerste gedachte was aan mijn meisje. Wat vonden we het altijd prettig om bijna iedere week in elkanders nabijheid te verkeren.

Ik zit al uit te rekenen, hoeveel keren ik nog naar haar toe kan van uit Kruiningen.

24 februari 1916

Op het ogenblik zit ik in de ouderlijke woning met mijn verlof van uit Kruiningen.

De Majoor gaf mij verlof in de middag van 22e  februari.

Den volgende morgen reed ik per fiets van uit mijn kwartier naar Kloetinge, waar ik eerst aanlandde bij de familie Schipper, vervolgens naar Katseveer en per Provinciale Stoomboot naar Zierikzee. Door den lage waterstand voeren we bij het havenhoofd op slik en werden vervolgens aan dijk gezet.

Het sneeuwde en het woei hard. Toch was ik om elf uur bij Moeder thuis en mocht weer voor enkele dagen in allen nabijheid vertoeven.

Ik had verlof tot in den morgen van 28 februari en ik keerde nog terug voor enkele dagen naar mijn kwartier, waar ik zoveel genoeglijke uurtjes heb mogen doorbrengen.

Nu mijn dorpskameraden wegens de sneeuw niet kunnen werken, gaan we straks passagieren. Het is een witte, witte wereld. Straat en boom en bos en veld.

Alles heeft zich weggedoken in het witte winterpak.

De jeugd geniet.

27 februari 1916

Terwijl Moeder en Rika Schipper ter kerke en de baas zelf naar zondagschool is, heb ik de thuiswacht.

Van morgen moest ik onder het Evangeliewoord aanzitten in hoop dat ook vanavond met mijn Anna te doen.

Gisterenmiddag om 1.30 uur reed ik van huis in gezelschap van mijn kameraad Jacob Heijboer, naar de Spoorboot te Zierikzee.

Mijn fiets stuurde ik per vrachtrijder terug naar huis en van boord gekomen, drukten wij elkander de hand en moest na aankomst te Katseveer gaan tippelen naar Kloetinge  waar ik om half zes uur bij de familie Schipper in huis stapte.

Mijn gedachten verplaatsen zich in den toekomst, dat alles een schaduw is.

Mijn pas genomen verlof, den tijd in met Kanton Kruiningen, als ook de aangename dagen ..dit wij kring doorgebracht.

Alles wijst er op, dat het leven voorbij ,,,,,,,,,,

Toch is mijn hart dankbaar gestemd. Wanneer is dit vertrek in de ronde bekijkt, die vanuit dit huis tot mij uitstraalt.

Grote dank aan mijn God en Vader en onzen Heiland en Zaligmaker en bijzonderheid aan de baas van dit huis, die mij nooit vergeet op te dragen in de gebeden, tot God, Dank aan de vrouw des huizes, die mij onder haar bescherming nam als haar eigen zoon.

Met Moederlijke tederheid was ze altijd bezorgd als ik heenging.

En Rika, die als ware ze een eigen zuster, we zullen elkaar missen, wanneer ik verwijdert zal staan op eenzame post aan de grenzen aan onze lieve Vaderland.

Maar Hij zal ons niet

Mijn vertrouwen is op Hem alleen ook in de toekomst.

28 februari 1916

In mijn kwartier te Kruiningen.

Toen ik met mijn An gisteravond in de consistorie zaten, sprak Ds. Weber naar aanleiding van uit het 5e Hoofdstuk van Lucas over de geraakten.

Na afloop bracht ik mijn Anna naar huis en namen voor onbepaalde tijd afscheid van elkaar. De vraag van haar, hoelang dit wel kon duren, blijft onbeantwoord.

Maar dit stond muurvast, dat zij stilzwijgend voor de zo ….. maar eeuwige trouw beloofd werd …. Hoe zou dit ook anders kunnen?

Na een hartelijke omhelzing namen wij afscheid van elkander.

Het uiteengaan vlotte niet zo erg.

Tot 3x achtereen moest ik mijn An thuis brengen, want telkens wanneer ik heen ging bracht ze mij van uit de Voorstad tot aan de Spoorweg.

Eenmaal moest er een eind aan worden gemaakt, en werd scheiding gemaakt.

“Tot weerziens lieve An” en dan met opgeruimd humeur de soldatenpas er in. Neuriënd,  steeds denkend aan haar, kwam ik opgeruimd langs de spoorbaan bij de familie Schipper aan, waar ik den nacht zou doorbrengen.

Van morgen verliet ik de familie Schippers, na eerst recht hartelijk dank toegebracht te hebben voor zo veel liefde mij betoond.

Het zou dan ook moeilijk te beschrijven zijn, wat ik daar genoten heb.

Tot weerziens lieve vrienden,

Zo ver ik zien kon, stonden Moeder en Rika mij na te kijken, zoals ze altijd gewoon was te doen.

Om 7 uur vertrok ik uit Goes per trein naar Vlake, waar ik juist mijn broer Johannes aantrof op weg naar Wemeldinge naar Stad in ’t Haringvliet, waar hij aan het werk was.

Om 9 uur moest ik op het bureau zijn, waar het druk genoeg was met schrijven voor overgang met het aanstaande vertrek.

Tollenaar is voor het laatst op wacht in het Kantonnement en komt van middag van wacht.


11: Aan de grenzen van Zuiddorpe

29 februari 1916

Het is 6 uur in den morgen, nog een ogenblik en wij verlaten ons kwartier en Kantonnement.

De mensen hebben spijt dat we heengaan, doch dat alles helpt niet.

Mijn uitrusting is in orde gemaakt, de sergeant majoor gaf mij daar gisterenavond 8 uur verlof toe met de mededeling er aan toe gevoegd om morgenochtend 8 uur aangetreden te staan op het bureau.

We gaan met ons vijven naar Zuiddorpe, waaronder:

1 sergeant; 1 korporaal en 3 soldaten, kwartier maken.

Het is half vier uur op den middag en zit in mijn kwartier te Zuiddorpe bij .. Van de Velde, A16.

Vanuit mijn kwartier te Kruiningen afscheid genomen te hebben, meldde ik mij precies 8 uur op het Bureau, vanwaar we met volle uitrusting vertrokken onder leiding van Sergeant Foerier Geelhoed.

Van een buurjongen kreeg ik een fiets en per fiets reden we naar Hansweert, waar wij overgezet werden naar Walsoorden en verder per tram naar Hulst.

Per fiets van Hulst naar Zuiddorpe. Onderweg kwamen wij op Drieschouwen, waar we in een Estaminet ( drankgelegenheid ) onze kuch opaten.

We kochten ieder een potje ingelegde mosselen met een glas melk, en dat alles smaakte ons goed.

Op Zuiddorpe aangekomen, hingen we onze uitrusting af en kregen een bergplaats voor de fietsen.

Om 2 uur gingen we er toe over om in te kwartieren en het duurde niet lang of ik had voor mij en Tollenaar een Kwartier.

Vriendelijk ben ik er ontvangen. Zit thans dan ook op mijn gemak.

1 maart 1916

Ik ben blij dat het avond is en mag een ogenblik rust vinden in mijn 2e kwartier.

Thans met de Kaart uit Vlissingen ingekwartierd bij de Champetter, Gemeenteveldwachter V.J.L. Hemelsoet.

We hadden het druk met kwartier maken, maar genoten met voldoening dat, toen de Compagnie 4 uur op de middag Halt hield. Alle manschappen konden voorzien van een inkwartieringsbiljet. Diegene die bij de bagages waren op het Bureau.

Foerage- en keukenwagens kwamen pas 7 uur aan en waren van ’s morgens 3 uur al in de weer. Ook al het bureau, ondergebracht op het Gemeentehuis, is alles in orde.

Vanavond ben ik in een andere betrekking gekomen. Ik ben belast met het schrijven van passen voor in- en uitvoer. Ik sta onder dienstbevelen van den Luitenant van de Compagnie

2 maart 1916

Heelhuids zijn we dan weer op Zuiddorpe aangekomen en zit nu gezellig achter de stoofkachel bij Tante, Champetter en Nonkel. Van den Veldwachter een pot zwarte koffie te drinken.

Op gewone tijd kwam ik vanmorgen op het bureau. Met behulp van mijn voorganger, een soldaat van het 3e Regiment Infanterie, moest ik wel 50 mensen voorzien van een bewijs voor in- en uitvoer.

Om 3 uur na middag gingen we samen op stap naar de Rijksontvanger te Koewacht, met welk persoon ik in nauwe betrekking kom te staan, inzake den smokkelhandel.

Om 5 uur waren we te Koewacht en werd ik voorgesteld bij den Ontvanger.

Toen van weerszijden, kennis gemaakt was en de nodige consignes mij werden medegedeeld, kregen we gelegenheid om ook kennis te maken met de Duitse posten, die op schildwacht stonden achter den Elektrische draad. We maakten nog even een praatje met zo’n …………….. Duitse schildwacht van ongeveer 40 jaar oud, die ongeveer 150 meter uit elkaar op enkelpost stonden.

Toch voelde je onmachtig en staan dan als twee doofstomme mensen tegenover elkaar, wat akelige geluiden voort te brengen, zonder elkaar te begrijpen. Op den terugmars stapten we naar den Molenaar van Koewacht en klopten op de deur. Een schone lange deern liet ons binnen en troffen daar buiten het gezin ook den S.M.A en Foerier van het 3e Regiment in opgeruimde zin, rond den tafel, ieder met een flink glas witte wijn.

Ik werd voorgesteld en maakte kennis met de familie. Inmiddels werd ons ook een glas wijn aangeboden en namen dat ook dankbaar aan. Na een ogenblik kregen we de keus met den s.m.a. en foerier mede te rijden in een vierkant koetsje, waar we net met zijn vieren konden zitten. Van de familie werd afscheid genomen en stapten in.

Onze voerman was een artillerist en nauwelijks waren we aan het rijden of het wagentje slingerde van de een naar den andere kant over de slechte keienweg, die vol putten en gaten lag. Hoe meer we slingerden, hoe harder de dikke Sergeant Majoor zong en hoe vlugger ons paardje sprong.

De Majoor zong het zelfde liedje van “ Moeder de poes heeft jongen gekregen, drie witte, drie zwarte, drie grijze, da’s negen. Poes, poes, lelijke poes.”

Ik wist niet wat er gebeuren moest ( bis )

Gelukkig kwamen we heelhuids op Zuiddorpe door den stik donkeren avond binnen, blijde afscheid te kunnen nemen van de Sergeant Majoor, die wel een beetje te veel van de witte wijn scheen gedronken te hebben.

3 maart 1916

Het is nu 4 uur op den middag en zit reeds in mijn kwartier.

Mijn werk op het bureau was afgelopen en mocht met toestemming van Sergeant Majoor vertrekken.

Van morgen om half negen begon mijn werk met passen schrijven voor levensmiddelen van in- en uitvoer en duurde tot 12 uur. En na den middag had ik mijn boeken bij te werken.

Het is alles nog vreemd en nieuw, doch hoop dat binnen een paar dagen wel gewoon te worden in mijn nieuwe functie.

Onze Compagnie is vandaag voor het eerst op grenswacht geweest en hebben het 3e Regiment Infanterie afgelost, die het vandaag druk hebben om zich klaar te maken voor het vertrek.

Vannacht rukken ze uit en marcheren naar Walsoorden, waar ze de Schelde worden overgezet, door de Marine en verder opmars van Hansweert naar Goes, waar ze tot maandagmorgen worden ingekwartierd bij de burgers.

Maandagmorgen vertrek vanaf de Groote Markt te Goes en gaan dan op mars naar Koudekerke, waar ze dinsdagavond zullen aankomen, omdat ze onderweg oefeningen hebben te houden.

Zodra het 3e Regiment Infanterie vertrokken is, zal onze Compagnie de barakken betrekken.

Morgen worden dan de hulpkazernes ( Wilhelmina, Prins Hendrik en Juliana Kazerne ) schoon gemaakt en van nieuwe strozakken voorzien. De strozakken liggen op den grond en den houtenbarakken zijn ± 60 a 70 meter lang.

Nu ik zo het een en ander omschreven heb van de militairen, wil ik mij verplichten nog enkele brieven te schrijven naar mijn geliefden en vrienden.

4 maart 1916

Zaterdagavond 6 uur. Ik ben zelf pas thuis en heb een nette wasvrouw opgezocht om mijn ondergoed te wassen.

Tante is juist een paar boodschappen gaan doen en zodra ze weer terug is moet ik nog even naar het bureau aan de telefoon om den ontvangsten van Koewacht te spreken naar aanleiding van iemand die pas kwam voor 160 liter benzine.

Zojuist kreeg ik bericht dat alles in orde bevonden is.

Momenteel is het voor mij moeilijk geval om passen af te geven aan mensen die men niet kent.

Doch even gemakkelijk is het weer te zijn aangesloten met ontvangen te Koewacht en 4 grenswachten, die mij even kunnen inlichten.

In mijn kwartier gaat alles naar wens en drinken met Nonkel en Tante Champetter, maar zwarte koffie.

5 maart 1916

Sinds 12 uur op zondagmiddag heb ik de wacht op het Bureau van de 3e Compagnie 14e Regiment Infanterie.

Uit vervelendheid bel ik nu en dan de verschillende grenswachten, of waar ik een praatje kan maken met een van de grenscommandanten of soldaten, die in de wacht zitten.

Ook op het grensdorpje is alles doodstil. De manschappen, die vrij van wacht zijn, zitten in hun kwartieren of lopen een eindje op naar de grens.

Van morgen ben ik in het Militair Tehuis geweest en vanavond hoop ik er een Godsdienstoefening in bij te wonen.

Op een boerengezin na zijn al de bewoners van Zuiddorpe en omgeving Rooms-Katholiek.

De laatste dagen hoort men onophoudelijk het kanongebulder van het Westelijk front.

Er wordt dan ook in de omstreken van Verdun hard gevochten.

6 maart 1916

Gisteravond 6 uur werd ik afgelost van het bureau en kon in het Militair Tehuis een Godsdienstoefening bijwonen. Wij waren met 12 soldaten, 2 dominees en een juffrouw.

Dominee sprak uit Psalm 57, over David, dat hij in de spelonk van Machpela tot zichzelf kwam en zijn hart uitstortte voor zijn God.

Roerend sprak Dominee tot ons, dat we in dit wereldleven toch een kind van Hem kunnen zijn,

Wanneer wij ons zelf aan Hem toevertrouwen.

Om 8 uur vertrokken ze met hun drieën uit ons midden naar hunne woningen in Axel en Zaamslag.  Wij zelven bleven voldaan achter.

Van morgen kwam de Bataljonscommandant Majoor Knook, Commandant van Oost- Zeeuws-Vlaanderen, onze Grenswachten inspecteren.

Voor mijzelf was het weer druk met het afgeven van passen voor in- en uitvoer.

7 maart 1916

De laatst dagen hoorde ik zo het een en ander langs mijn oren gaan over smokkelen.

Bij navraag wist ik het signalement en had iets verdacht, terwijl ik op het bureau zat, te pennen. Twee dames voor bij zien rijden naar Axel.

Toen ik dacht, dat den tijd van hun terugkeer bijna om was, vroeg ik mijn Commandant even verlof mij te verwijderen zonder kennisgeving waarheen.

Dat werd mij toegestaan en circa tien minuten later kwam ik met twee verdachte smokkelaarsters het bureau binnen en droeg ze over aan mijn Compagnie Commandant.

Een der vrouwen presenteerde mij een Rijksdaalder,  maar wilde daar niets van horen.

Onmiddellijk moest ik om Luitenant Harts in zijn kwartier en toen we weer terug op het bureau waren, kregen we opdracht van de dames te brengen naar de visiteuse te Overslag. ( vrouw van de ontvanger ).

Met z’n vieren reden we per fiets weg, doch nauwelijks Zuiddorpe gepasseerd, of een der vrouwen moest van de fiets en kon niet fietsen of lopen.

Luitenant Harts, die intussen met de vrouwen wachtte, gaf mij zijn fiets mee terug naar het bureau, waar ik tevens opdracht ontving een soldaat met paard en koets van de treinafdeling te laten voorkomen.

Van Luitenant De Bruijn kreeg ik zijn revolver mee. Ik maakte daar bezwaar tegen, doch moest hem meenemen, want zij hij, je kunt dat volkje niet vertrouwen.

Toen die artillerist present was, reden we naar Luitenant Harts, die nog geduldig wachtende was en voorts ging het met ons vieren in de koets naar Overslag.

Bij onderzoek bleek het dat beide vrouwen, fraude pleegden: de een had in haar pantalon 68 en de ander 72 stukken Sunlight Zeep. Toen we haar namen hadden opgenomen, konden ze vertrekken en wij namen de in beslaggenomen goederen mee naar Zuiddorpe.

De Compagnie Commandant was er zeer over in zijn schik, want ik was de eerste die van de Compagnie, smokkelaars had opgebracht, terwijl ik zelf nog bureaudienst had.

Van morgen heeft de Luitenant er ook twee gearresteerd met zeep tussen haar buste.

Ook de veldwachter had er 4te grazen.

8 maart 1916

Nu de houten barakken schoon gemaakt zijn en van nieuwe strozakken voorzien , hebben de manschappen hunne kwartieren verlaten en hun intrek genomen in de v.n. hulpkazernes.

Het bureaupersoneel is ondergebracht boven het Gemeentehuis.

We hebben er met ons vijven intrek genomen, onder ander Korporaal Ovaa uit Vlissingen.

Remijnse van Wolphaartsdijk, H. de Kaart uit Vlissingen, Poleij uit Kruiningen als oppasser van de Sergeant Majoor Schouten en ten slotte mijn persoon.

We hebben het kamertje netjes op orde gebracht en heerlijk geslapen op onze nieuwe strozakken. Wanneer ik maar een ogenblik tijd heb, zit ik bij Nonkel en Tante, een zwarte kop koffie te drinken.

10 maart 1916

Het is laat op den avond, omstreeks elf uur en zitten met ons clubje op het bureau in een gezellige kring rond de kachel een heerlijke sigaar te roken. Bovendien drinken we een lekkere kop chocoladepoeder, die we zelf klaar maken.

We hebben onder elkaar aangeschaft een petroleumkookstel ( driepitter ) waterketel en koekenpan, verder koffie, thee, chocoladepoeder enzovoort.

Hebben we zin een stuk spek te braden of haring of iets dergelijks, dan nemen we gebruik van de koekenpan.

Van morgen druk met passen afgeven. ’s Middags werk ik mijn boeken bij en ’s avonds rustiger leven dan op Kruiningen.

Vandaag is er een aanvraag gekomen om vrijwillig dienst te nemen als Militair Buitengewoon Commies ter versterking van de burgercommiezen in verband met den smokkelhandel.

Ik heb mijzelf opgegeven en wordt zodoende op 1 april aan staande aangesteld.

11 maart 1916

Het is weer elf uur op den avond en weer zitten we op het bureau, maar heb nu mijzelf te onderhouden met telefoneren naar de 4 verschillende grenswachten.

Alle posten krijgen opdracht , scherp toe te zien op mogelijke fraudelozen uitvoer van smokkelaars met behulp van Duitse soldaten.

Patrouilles worden van alle grenswachten uitgezonden, als ook van de Politiewacht van af Zuiddorpe.

Een opgebrachte smokkelaar had zulks meegedeeld op een den grenswachten.

Van middag ben ik nog bij den ontvanger geweest op Koewacht, inzake smokkelhandel.

Tevens met enige Duitse schildwachten gesproken van over den elektrische draad.

12 maart 1916

Zondagavond 8 uur, met ons tweeën zitten we op het bureau. De Kaart heeft de wacht, doch kan van wegens zware hoofdpijn niets uitrichten; vrijwillig ben ik dan maar als reserve ingevallen en neem de wacht van hem over.

Bij mogelijke telefoonoproepingen ben ik dadelijk present en kan zo nodig mijn Commandant waarschuwen.

Liever had ik vrijheid van beweging gehad, dan was ik zeker naar het Militair Tehuis gegaan, waar op het ogenblik een Godsdienstoefening wordt gehouden.

Toch ben ik tevreden, van middag reed ik per fiets naar Axel, bracht mijn fiets bij Johan de Feijter op het hoekje van de Ooststraat, tegenover de Openbare school, die mensen waren nog oude kennissen van uit den tijd 19 september 1914. Dronk daar een kop koffie en stapte vervolgens naar kerk.

Dominee sprak uit Spreuken 20, vers 21. Na geestelijke spijziging reed ik terug naar Zuiddorpe.

14 maart 1916

Op het ogenblik is het een uur op de middag, voorjaarszonnetje schijnt zo lustig op het aardrijk, dat alle schepselen opfleurt.

Het is juist wachtparade, de manschappen zien er vrolijker uit dan zij zich voorgeven.

De wachten komen te druk naar hun zin. Om den andere dag komen de soldaten op wacht en moeten van en naar de wacht nog een uur tippelen.

De hoornblazer blies 3x achtereen.

  • Kom tirailleur (met een vuurwapen bewapende lichte infanterist ) wees nu tevreden.
  • Verzamel U op dit signaal
  • Voor den Adjudant, voor den adjudant.
  • Met je wapens in je rechterhand

Na het appél worden nog enkele consignes meegedeeld. Aan de wachtcommandanten en daarna zie ik de 4 grens en Kantonnementswachten vertrekken naar de grens ter aflossing van de oude wachten, die weer blijde zullen zijn, dat ze na 24 uur weer verlost zijn.

Om 8 uur van morgen begon ik met het afgeven van passen. Dat duurde tot van middag halfeen uur.

Gisterenmorgen van 8 tot na middag 2 uur. Na 12 uur behoef ik geen passen meer af te geven, maar kan het niet over mijn hart krijgen om de mensen terug te sturen en gebeurt het vaak dat het later wordt.

De mensen zijn dan ook zeer dankbaar. ’s Middags heb ik het druk met inboeken.

Het is avond, stil zitten we met ons tweeën op het bureau brieven te schrijven naar onze geliefden.

De Commandant Luitenant De Bruijn is op patrouille. Zelf ben ik op onderzoek geweest bij een winkelier, doch alles bleek conform.

Heel zelden neem ik de courant, omreden mijn werk zulks niet toelaat.

Nu lees ik dat het voor Verdun, Frankrijk, heet naar toe gaat, er wordt hardnekkig gevochten.

Ik zal nu mijn brieven gaan posten en nog een praatje aan gaan knopen bij den Champetter

16 maart 1916

Als naar gewoonte had ik het druk met afgeven van passen; na den middag boeken bijschrijven, 2 boeken voor neringdoenden, waarvan 1 voor de Gemeente Koewacht en 1 voor de Gemeente Zuiddorpe, en tot slot nog een inslagboek voor particulieren van voor namelijk Gemeenten samen.

Verder moest ik enige veranderingen bijschrijven in de boeken, wat betreft uitvoerverboden.

Na afloop hiervan kregen we vrij en maakten een kleine wandeling in de richting van de grens.

We hoorden duidelijk het zware kanongedonder vanuit Westelijke richting.

Nu zitten we weer op het bureau. Ik zit te schrijven in mijn dagboek, twee anderen spelen dominospelen, de vierde zorgt voor een kopje chocoladepoeder, werkelijk we hebben het goed.

Bij het avondeten hadden we spek gebakken, wat ons goed deed smaken.

Tijdens onze maaltijd kwam de Sergeant Majoor Schouten op onze kamer, juist toen ik bezig was met bidden voor het eten. Waarop hij zei; Wandel zal zijn gebedje eens doen. De overige mannen lachen mee. Na afloop van mijn gebed zei ik dat zulks zeer ongepast was, het lachen en tegen den Majoor dat zulks mijn zaak was, daar moest hij afblijven.

Majoor begreep dat hij te ver gekomen was en verontschuldigde zich.

Remijnse lachte evenwel door en waar hij zich voorgaf Christen te zijn, verzuimde hij het bidden in tegenwoordigheid van de Majoor.

Dit zeide ik hem in aller tegenwoordigheid evenwel bedekte hij zijn tekortkoming door te lachen en vond dat ik het nogal nauw pakte.

Ik zeg een Christen moet een Christen zijn.

18 maart 1916

Zojuist heb ik een grote brief geschreven aan mijn An, op een schrijfmachine.

Het wordt laat en verlang te gaan maffen, het is reeds zondagmorgen.

– ( Jaren na dien, vertelde ze mij niet blijde te zijn geweest met een getypte brief )

19 maart 1916

Van morgen ging ik naar de Gereformeerde kerk te Axel. Terwijl ik nog in kerk zat, zag ik voor mij Th. Schippers van Cats en H. Snoep van Colijnsplaat,  beiden oude wapenbroeders van 2 II- 14 Regiment Infanterie.

Na kerktijd was er wederzijds een hartelijke begroeting.

Schippers stelde mij zijn meisje voor, als mejuffrouw Jannetje van den Ouden.

En beiden verzochten mij mede te gaan naar de woning van het meisje, waar ik door haar ouders en verdere familie hartelijk werd ontvangen.

Inmiddels werd mij koffie aangeboden, waarvan ik dankbaar gebruik maakte.

Intussen werd op het klavier gespeeld en gevoelde mij geheel thuis in het gezin van den schoenmaker in de Oosterstraat.

Na het koffiedrinken, reed ik per fiets terug naar Zuiddorpe, doch moest vooraf beloven bij de eerstvolgende gelegenheid terug te keren.

Het welk ik dankbaar toestemde te zullen doen.

Thans zit ik op het bureau, terwijl het overige personeel uit is, heb ik bureauwacht terwijl ik niets te doen had, heb ik een brief geschreven naar ons thuis.

Intussen kreeg ik bezoek van 3 officieren, waar onder de Compagnie commandant.

Vanavond hoop ik naar het Militair Tehuis te gaan.

Nog enige regelen voor ik ga maffen.

In het Militair Tehuis werd een Godsdienstoefening gehouden door Ds. Lammertsma uit Axel, over deze tekstwoorden, “ Het is volbracht” Bij vernieuwing werd ik weer gesterkt en velen met mij. Gods geest was duidelijk merkbaar onder de aanwezige soldaten. Dit kwam uit na de prediking; Ds. keerde terug naar Axel en wij bleven nog langen tijd praten over dat wat God ons heeft gegeven in Christus Jezus. We hebben Zijn gemeenschap dan ook dubbel nodig in een omgeving, waar Gods woord meer gelasterd, dan gelezen wordt.

Met Iz. de Lange uit Middelburg  heb ik lang gesproken, maar bij het heen gaan, voelden we ons volkomen gelukkig.

Op het bureau aangekomen vertelde de Sectie Commandant dat smokkelaars op hem geschoten hadden, hij loste zelf 8 revolverschoten, doch zonder succes.

De Sectie Commandant die was uitgegaan met een slappe hoed, kreeg van een eigen patrouille een scherpe pieper door zijn hoed, juist boven zijn hoofd, omdat hij niet vlug genoeg ( na 3x halt gecommandeerd te horen ) zich kenbaar heeft gemaakt.

Evenwel prees hij de manschappen. De voor namelijk patrouille bracht nog een smokkelaar op.

Het bureaupersoneel dat naar de grens gegaan was, keerde terug met sigaren van de Duitsers.

Voor mij hadden ze er ook een meegebracht, wat heel aardig van hen was.

De Duitse posten zijn dan ook heel vriendelijk tegenover de Hollandse soldaten.

Toch keken ze vreemd op, dezer dagen toen de Hollandse wacht en schildwachten een levendig vuur hielden op een Duitse vliegmachine, die over Hollands gebied vloog, dat hadden ze voor zeker niet gedacht, maar al zijn we goede vrienden, we blijven neutraal.

En als het moet, dan schieten we er op en vervullen alzo onzen plicht voor Land en Koningin.

20 maart 1916

We hebben vandaag weer een zomerse dag, zoals de maand Maart die weinig biedt.

Den gehele morgen ben ik druk bezig geweest met het afgeven van passen.

Het is nu middag en horen ons muziek van het IIIe Bataljon, ( dat hedenmiddag van Axel gekomen is om een Serenade te brengen ) lustig spelen.

We hebben dan ook een uitstekend muziekkorps, onder leiding van Sergeant Bommelje.

Terwijl we dat alles aanhoren, hebben we ook nog iets anders te doen, voor namelijk gesmokkelde brieven lezen, van Belgische Militairen van het Westelijk front, gericht aan hun families op het door Duitsers bezette Belgisch gebied.

De Sectie Commandant ging van middag met 2 soldaten huiszoekingen doen; ze brachten een grote pak brieven mee, maar de smokkelaar was verdwenen.

Interessant vond ik het een beschrijving te lezen van een Belgische Soldaat.

Zijn opkomst in den oorlog, het vechten te Luik, terug trekken op Antwerpen, bombardement en het weer terugtrekken naar de Hollandse grens, waar hij geïnterneerd werd.

De Compagnie commandant hoor ik met lof spreken over de opgelegde plichten van de manschappen, zulks verblijdt mij te horen van de soldaten.

21 maart 1916

Het was vannacht half een uur geworden, heel de avond moest ik behulpzaam zijn bij den Luitenant, belast met de censuur in het lezen van brieven van Belgische soldaten, die aan hun ouders, vrouwen of verwanten gericht waren.

Om 8 uur begon ik weer aan mijn dagelijkse taak.

In den voor middag kregen we bezoek van de commandant van Oost-Zeeuws-Vlaanderen, die inmiddels inspectie hield op het bureau, kazernementen en grenswachten.

Remijnse moest ik onderricht geven in de boekhouding, betreffende in en uitvoer.

Nu het weer avond is, zit ik bij Nonkel Vien en Tante Champetter aan de koffie.

Bovendien roken we een Belgische sigaar, die Nonkel cadeau gekregen heeft van Belgische vluchtelingen.

22 maart 1916

Toen ik mijn werk overgaf in de voor middag aan Remijnse, vroeg de Sectie Commandant, wanneer ik met verlof ging.

Ik, zeg “ morgenochtend, Luiten “ waarop hij zei, dan krijgt U van mij nog een extra dag verlof daarbij, omdat U zich laatst verdienstelijk hebt gemaakt met het opbrengen van smokkelaars.

Ik was zeer dankbaar en bedankte hem hartelijk.

Intussen had ik een onderhoud met Luitenant Hartog.

Een persoon kwam mij vragen om een pas voor binnen de 50 meter van de grens ( verboden strook ). Over dergelijke zaken, vraag ik eerst advies bij mijn onmiddellijke chef, zijn eerste vraag is dan, is het een grote of kleine smokkelaar.

Waarop dan door mij volgt, “ ik weet het niet Luitenant” .

Dan gaat hij gewoonlijk naar de man en vraagt hem, ben je een grote of kleine smokkelaar.

Waarop je dan hoort, in grensdialect, “ Meneere, ‘k ik ben gin smokkelaere”

Zo, dus jij bent dan eens een braaf mens, zegt de Luitenant dan weer; waarop hij dan naar mij komt en vraagt, wat dunkt U er van Wandel, en als ik dan zeg, geef hem een pas voor 3 maanden, Zegt hij, schrijf er maar een voor een half jaar.

Na afloop van dit onderhoud zei hij, ik ga morgenochtend met verlof, waarop ik hem meedeelde ook te gaan.

Maar ik laat mij met een koets naar den trein brengen, naar Axel zei hij weer.

Ik zeg ja Luiten dat kan U doen, maar Jan Fuselier kan lopen.

Neen dat gebeurt niet, ik kom je halen, zei hij als je eerst klaar ben kom je naar mij en anders kom ik zelf om je en rijden samen naar den trein.

Wat kon ik anders doen dan hem bij voorbaat dank zeggen?

Het was een wonderlijke oude Landweer Luitenant, bijgenaamd “ Gekke Willem” maar die goed voor zijn soldaten was.

23 maart 1916

Om half zes was ik van onder de wol en het duurde niet lang of ik stond bij het kwartier van den Luitenant. Bijtijds reden we naar Axel en in plaats van 1e klas reden we samen 3e klas naar Hulst. Daar aangekomen, dronken we eerst een goed kop koffie, wat door hen werd betaald. Na inwendig verwarmt te zijn ( het had flink gesneeuwd ) stapten we in den tram naar Walsoorden, verder per boot naar Hansweert en per tram naar Vlake.

Ik dacht verbinding te hebben met de trein naar Goes van 10 uur, doch den tram kwam 5 minuten te laat aan en moest wachten tot half twaalf.

Ik groette mijn Luitenant, die naar Breda reisde en ging terug naar de familie Schipper, brugwachter aan de Schorebrug.

Op tijd vertrok ik weer met den trein en het duurde niet lang of ik zat bij mijn lieve Anna in de Ganzepoortstraat en mochten elkander na enige weken afwezigheid in gezondheid ontmoeten en begroeten.

’s Middags ging ik naar Kloetinge bij familie Schippers en bracht ook een bezoek bij de ouders van Schipper op ’s Heer Hendrikskinderen.

Den avond heb ik bij mijn meisje door gebracht en genoten weer in elkanders bijzijn.

Het slaat thans elf uur op den torenklok en eindig ik met de pen neer te leggen op mijn zolderkamertje.

25 maart 1916

Om 7 uur marcheerde ik van Kloetinge naar Katseveer, het was een wintergezicht en nat aan de voeten, maar wat betekent zulks voor een soldaat, die naar zijn ouderlijk huis op weg is met verlof?

Toen ik te Zierikzee aan wal stapte, moest ik weer tippelen naar Nieuwerkerk.

Van uit de verte zag Moeder mij al aankomen. Het duurde dan ook niet lang of ik lag aan haar borst, blijde elkaar weer te zien. Ook de kleine zusjes en mijn jongste broeders hingen rond mijn hals. Bij zo’n thuiskomst moet ik dan altijd denken aan zovele soldaten van mijn naburen, die dit alles moeten derven.

In tussen zaten we weer allen rond den tafel ieder op zijn eigen plaats.

Vader, mijn persoon, Johannes, Helena, Maria, Neeltje, Moeder, Pieternella en Anthonie Wouter en Leendert achter tafel tegen den muur tussen de 2 ramen in de woonkamer.

Het was weer eens een echt huiselijk geluk. Na het avondeten werd eerst in den bijbel gelezen en vervolgens moest ieder op zijn beurt een lied opgeven.

Uit den grond van zijn hart, dat tot Gods ere werd gezongen.

Kon men groten geluk indenken? Immers neen? We gevoelden allen dat we weer eens echt thuis waren. Mijn broer Leendert moest in een tentje liggen, had een zware kou opgedaan en waren de longen aangedaan in lichten graad. Doch volgens medisch onderzoek kwam alles terecht.

Vanavond hoop ik te gaan schieten in de schietvereniging.

De laatste dagen zijn er weer twee Nederlandse schepen getorpedeerd. “ De Palembang”  en de “ SS Tubantia” . Wie het gedaan heeft is niet bekend. De toestand is dan volgens de burgerij weer kritiek.

Verleden week kreeg ik van mijn neef Willem van de Berg ( matroos Torpedist opvarende G1 te Vlissingen ) bericht dat hij bij de redding van de Tubantia vertegenwoordigt geweest was en ook zijn eten had afgestaan voor de drenkelingen.

29 maart 1916

Teruggekeerd van verlof zal ik mij even verplichten het verder verloop van mijn verlof te beschrijven.

De 26e maart, het was zondag, hebben we in de huiselijke kring met elkander genoten.

’s Morgens en ’s middags zaten we onder het gehoor van de predikant Ds. van de Linden, en ’s avonds in de jongelingsvereniging.

Ook bracht ik nog een bezoek aan de familie H. de Reus, die met tante Neeltjes, Vaders zuster getrouwd is en ook bij Oom Sander Wandel en diens gezin.

Op den middag van 27 maart vertrok ik weer van allen afscheid genomen te hebben, terug naar de grens. Mijn broer Johannes was reeds terug gegaan naar Stad aan het Haringvliet.

Om 5 uur stapte ik bij mijn meisje binnen en bracht met haar den avond door, samen gingen we naar den bidstond in de Evangelische kerk te Goes en mochten mede aanzitten met zovele broeders en zusters om God te danken en te bidden.

Iedere maandagavond is het bidstond in voor namelijk consistorie van het Evangelisch kerkgebouw.

De verdere avond brachten we door in elkanders bijzijn. Dezelfde nacht sliep ik weer bij de familie Schipper en vertrok na een hartelijk afscheid.

Moeder Wanne vroeg dan nog altijd, heb je niets vergeten Marien, loop dan nog even naar binnen en stop mij dan nog altijd een sigaar of 3-4 in de hand, kijk verder net zo lang, totdat ik den draai ben gepasseerd, langs de spoorbaan in de richting van Goes.

In Goes bracht mijn An mij naar den trein. Na een hartelijke omhelzing, gingen we zwijgzaam uiteen, maar keken elkaar aan zolang er te kijken viel, totdat den trein, die geen medelijden kent, immer voortrollende ons bij een kromming aan onze ogen onttrok.

Niet lang daarna waren we te Vlake aangekomen, verder per tram naar Hansweert en per boot naar Walsoorden, vervolgens naar Hulst, daar aangekomen, moesten we 3 uur wachten.

Met Dominicus van Wemeldinge, die ik inmiddels als kameraad bij me gekregen had, stapten we naar de familie De Breuck even buiten de dubbelpoort en werden daar vriendelijk ontvangen.

Om 9 uur kwamen we gisterenavond in ons grensdorpje aan.

Van morgen begon ik weer als voorheen aan mijn werk. Veel was blijven liggen en mijn dagelijkse mensen en bureaupersoneel waren weer blij dat ik terug van verlof was.

In tussen vertelde de Majoor mij dat we met 7 man van de Compagnie zullen aangesteld worden als Soldaat Kommies. Op 1 april aan staande met standplaats Zuiddorpe.

30 maart 1916

We hebben vandaag weer druk schrijfwerk gehad. Om 9 uur vanavond kwam ik klaar voor dienst en begon daarna aan een stapel over Mattheus 10; in middels is het laat geworden.

De ordonnans W. Rijns, met wie ik vanmiddag aan het spek braden was, vertelde mij dat de Duitse wachten zijn omgewisseld met jonge Duitsers, meest mannen van rond de 20 jaar, overigens geen verandering.

31 maart 1916

Het is weer laat geworden vanavond. Het is op het ogenblik een spannende toestand. Wat er aan de hand is weten we niet, maar de telefoon staat niet stil.

Alles moest worden ingepakt. Wagens staan klaar voor vertrek.

Mijn uitrusting is helemaal in orde, klaar tot vertrek. Den gehele avond heb ik voor ordonnans gespeeld. Mijn werk betreffende in en uitvoer is afgedaan en gaat over bij de Commiezen.

De waarnemende Compagnie commandant, Luitenant Den Hartog, dankt mij voor de functie met deze woorden er aan toegevoegd ” Wandel, we hebben elkaar nog maar kort leren kennen, maar dit staat vast, Wanneer je om de een of andere reden, mijn hulp nodig hebt, hetzij in jet Militair of Burgerstand, kun je altijd op mij rekenen.”

Ik dankte mijn Luitenant voor de warme woorden, mij toegesproken en hoop, indien het mocht nodig zijn, van zijn hulp en bijstand gebruik te maken.

Daarna reikten we als bezegeling de hand.

Met Willem Rijn uit Goes, van de lichting 1910, worden we bij den Veldwachter ingekwartierd of Champetter van het dorp.

We hebben inmiddels onze uitrusting opgeborgen bij hem aan huis en hopen vannacht te slapen op het kamertje.

De gehelen avond was het druk, maar de foerier was niet te vinden.

De Majoor gelastte mij den foerier te halen. Ik liep vanuit de ene café naar het andere en daar er in de grensgemeente voor elke 20 man een herberg of bierhuis is, kan men begrijpen dat zulks tegenstaat.

Na een uur op stap te zijn geweest, keerde ik zonder foerier naar het bureau terug en zei de Majoor, dat ik hem nergens kon vinden.

Ik kreeg ten antwoord met een vraag vooraf als volgt:

Wandel, waar uit bestaat de krijgstucht, waarop ik zei:

Majoor, de krijgstucht bestaat in het onmiddellijk opvolgen van gegeven bevelen, waarop onmiddellijk werd gecommandeerd; Wandel, haal de foerier.

Ik maakte direct rechtsomkeert en ging naar mijn nieuw kwartier, bleef daar een uur zitten rond den haard en dronk intussen een zwarte pot warme koffie, ging daarop naar het bureau terug en zag meteen de foerier zitten.

Ik melde mij present en toen was alles in orde.

1 april 1916

Om twaalf uur vannacht werden we gewekt. We sprongen als haren overeind.

Nonkel, bijna 60 jaar oud, springt ook overeind en staat bij ons op de vloer.

Hij zorgde intussen voor een bakje troost en een hompje brood.

Het schijnt dan den Engelsman met 20 oorlogsschepen, die met het blote oog werden gezien van af de kust de Schelde willen opvaren of mogelijk landen op de kust van Cadzand.

In gedachten zag ik de Engelsen landen en hoopten dat we mee mochten naar Cadzand, in plaats van achterblijven.

Nonkel had spijt dat hij geen 20 jaar was, op het bureau aangekomen kreeg ik order de manschappen te wekken en Rijn moest de officieren gaan kloppen in hun kwartieren.

Op een boerderij werd hij nog aangevallen van een waakhond, die hij zo’n geweldige trap gaf, dat hij geen lust meer had, maar droop stilletjes af.

Rijn kwam met een pantalon thuis waar stuk was uitgebeten.

Wat een leven in de barakken, te midden van de wacht, toch wordt weinig gesproken.

De mannen zien er allemaal streng uit.

Intussen hadden we handen vol werk op het bureau met inpakken.

Om 4 uur reden de compagniekarren met keukenwagens en naar Terneuzen om ingescheept te worden.

Om 5 uur stond de compagnie aangetreden tot vertrek. De grenswachters die intussen teruggekeerd waren, hadden zich bij de compagnie aangesloten.

Op elke wacht was een man achtergebleven.

Een Duitse wacht vroeg aan een achter gebleven soldaat, Le Duc uit Middelburg, waar onze soldaten naar toe waren gegaan.

Hij zei ze hebben geblazen voor de kok in de keuken en zitten nu allemaal te eten.

Weer een ander had verteld dat ze allemaal op patrouille waren gegaan.

De manschappen zagen er kalm maar vastberaden uit. Wij die moesten achterblijven, namen van allen afscheid en zagen hen met weemoed vertrekken, liever hadden we meegegaan.

Met stillen trom vertrokken ze zwijgzaam uit Zuiddorpe naar Terneuzen waar ze om 10 uur moesten ingescheept worden naar Breskens.

Toen alles vertrokken was, ging ik twee brieven schrijven, een naar mijn meisje en een naar mijn ouders. Van beiden nam ik afscheid.

Aan mijn broeder Johannes stuurde ik al mijn gegevens van mijn dagboek met toevoeging van de navolgende woorden.

Johannes,
Wanneer u mijn dagboek leest, zal je alles begrijpen in welk uur wij leven.
Laat echter niemand deze iedelen lezen. Alvorens wij in oorlog komen.
Houd moed broeder. Hij onze God zal met ons zijn en zal ons bewaren voor den dood.
Op Hem is mijn vertrouwen. Laten we Neerlandse zonen zijn; de oude Zeeuwen.
Groet Vader, Moeder, Maria, Lee, Neeltje, Leen, Toon, Jan en Pietje en wees zelf hartelijk gegroet en allen omhelst.
Uw liefhebbende broeder…………..Marien.

Het is inmiddels 5 uur op de middag. Willem Rijn en ik zitten in ons kwartier bij de Champetter. Buiten in het Kantonnement is alles stil. De schildershuisje staan zonder schildwacht. De hulpkazernes staan leeg en de grens is onbewaakt.

Alleen op de wachten zijn 2 man over gebleven voor aflossing.

De Duitsers kijken vreemd op en in het dorp zijn de mensen onderust ( ongerust ).

Door geheel Zeeuws- Vlaanderen zijn de grenzen onbewaakt.

Alleen Westelijk Zeeuws- Vlaanderen is goed versterkt, er liggen thans 7000 soldaten.

Uit alle delen van Holland worden grote troepen versterking gezonden naar Walcheren en Zuid- Beveland.

De treinen hebben druk werk en het verkeer voor burgers wordt een paar dagen stop gezet.

Met 7 man zijn we van middag beëdigd en kreeg elk zijn aanstelling als buitengewoon Commies.

De namen zal ik hieronder laten volgen.

  • Militair Korporaal Johannes Wagenaar, geboren Kloetinge, lichting 1911
  • Militair Korporaal Maarten Bode, geboren Vlissingen, lichting 1913
  • Militair soldaat Dominicus de Jong, geboren Vlissingen, lichting 1910
  • Militair soldaat Willem Rijn, geboren Goes, lichting 1910
  • Militair soldaat Marien Wandel, geboren Nieuwerkerk, lichting 1914
  • Landstorm, Johannes de Bel, geboren Kattendijke, lichting 1915
  • Landstorm, Jozeph Maria Wanroij, geboren Zierikzee, lichting 1915

Met ons tweeën, Rijn en mijn persoon, kregen verlof om het bureau schoon te maken en waren daar in den namiddag mee klaar.

2 april 1916

Het was gisteravond nog negen uur geworden eer we onder de wol gingen.

Toen we gisterenavond over dorp gingen, kwam er bericht dat we niet bevreesd moesten zijn voor oorlogsgevaar, de mensen zouden ons hebben aangedaan van blijdschap.

Op het ogenblik is het middag en zijn pas klaar met eten.

We hebben een goed kwartier getroffen.

Van voormiddag ben ik naar Axel ter kerk geweest, in de Gereformeerde kerk.

Dominee dankte God voor de liefde die Hij aan ons volk heeft gelegd .

Op het uiterste was Hij tussenbeide gekomen en heeft den vrede doen bewaren voor ons Land en Volk. Hem zijn we dankbaar, die ons zo menigmaal bewaard heeft in dagen van spanning en strijd. Toen ik uit de kerk kwam, ontmoete ik Teun Schippers, militair soldaat van de lichting 1911 uit Kats, Noord-Beveland en vroeg mij mede te gaan naar de familie Maarten van den Ouden, schoen en gareelmaker in de Oosterstraat van Axel, waar jij met een meisje, Jannetje, was verloofd.

We maakten van weerskanten kennis met elkaar, dronk er koffie en zat meteen vrolijk te zingen met de familie, Vader, Moeder en zeven kinderen, begeleid met orgelspel.

Schippers was een oude wapenbroeder, waarmede ik gediend had op het IIe  Bataljon.

Van middag gaan we met ons drieën voor de eerste keer op patrouille, vergezeld van een burgercommies.

3 april 1916

Gisterenmiddag hebben we 3 uur dienst gehad. Om 6 uur zijn we van morgen op patrouille gegaan tot 11 uur. Bij onze thuiskomst, lag er een briefkaart van uit Cadzand, waar onze Compagnie gelegerd is, de jongens maken het uitstekend goed en namens alle manschappen, moesten ze ons de groeten overbrengen.

Het is nu 9 uur op den avond en wil alvorens ik te ruste zal gaan, mijn dagboek bijschrijven.

Om 4 uur na middag zijn wij, dienstgeleider Olieslager van geboorte uit Axel, Rijn en mijn persoon op dienst gegaan en om 8.15 uur in ons kwartier teruggekeerd van patrouille.

We hebben geen smokkelaars gezien maar hadden het uitstekend naar ons zin.

In de Lippenspolder, kwamen we aan de grens, maakten een praatje met een Duitse schildwacht. Toen we enige tijd stonden, kwamen er wel 10 Duitsers bij, die vroegen waar onze kameraden bleven.

We zeiden hun, dat ze mogelijk weer vlug terug zullen keren.

Terwijl we zo aan het redeneren waren, stopte ik mijn pijp en de Duitsers wierpen mij een doosje lucifers toe over den elektrischen draad, want geven konden ze dat niet, omdat we 2 meter uit elkaar stonden.

In onze vrije uren hebben we vandaag onze kostjuffrouw schoon helpen maken. Op de middag mocht ik ook een brief ontvangen van mijn An. Met de mededeling dat ze goed gezond is. Ik wil nu eindigen, want morgenochtend moeten we vroeg van onder de wol.

4 april 1916

Ik heb juist mijn morgen ontbijt genuttigd.

Om 3 uur van morgen had ik mij al gewassen en na het ontbijt blijft er nog een half uurtje tijd over om te schrijven. Ik wil nog even een paar ansichtkaarten schrijven en straks op de bus steken. Het weer ziet er prachtig uit.

Om 4 uur gaan we met z’n drieën op patrouille. Vanavond hoop ik meer te schrijven.

Om 8 uur van waren we weer terug in ons kwartier.

Elk uur gingen we naar den dienstgeleider, die ingekwartierd is bij den Rijkswachter, onze dienst aftekenen en tevens informeren hoe laat we weer op dienst moesten. Dat noemt men ordenen of orders in ontvangst nemen.

Van 16 uur tot 10 uur moeten wij op dienst, dus zijn vrij van 8 tot 6 uur na middag.

5 april 1916

Het is middag elf uur. De dienst wordt voorgeschreven van middag tot den daaropvolgende middag. De orders zijn  strikt geheim. Toen we gisterenavond op dienst waren was het prachtig weer. Het terrein waar we door gingen was heuvelachtig en bosrijk, zo genaamde Ouden Polder.

Dikwijls lagen we verdekt opgesteld, maar geen levend wezen vertoonde zich aan ons.

Alleen zagen we zoeklicht van de Duitsers en de draailichten van de Duitse posten, die op schildwacht stonden.

Van uit de verte hoorden wij het kanongebulder vanaf het Westelijk front.

Van morgen hadden wij dienst van 6 tot 10 uur. We passeerden twee patrouilles van Westdorpe en een van Sas van Gent, waar we inmiddels kennis mede maakten.

Van middag gaan we van 2-6 uur op dienst, en vannacht ook van 2-6 uur, zodat we vroeg van onder de wol moeten.

6 april 1916

Het is middag 11 uur en zijn nog maar pas van onder de wol, want toen we om 6.15 uur van morgen van onze patrouille terug keerden, zijn we direct gaan maffen.

Al hoewel het vroeg dag was van morgen, hadden we het toch goed naar de zin.

Den vorige avond vertelden we Nonkel Vien de Champetter, dat vannacht om 2 uur op dienst moesten gaan, wat hij ons of hij mee op dienst mocht gaan, wat bij ons zeer goed was.

Om 2 uur kwamen we op het punt van vertrek en sloegen den weg in naar de Sterre, richting grens, waar de weg links naar Overslag gaat en rechts den Liniedijk volgt naar Oudenburgse Sluis

Onhoorbaar liepen we in die richting voort, dicht langs hoge dikke bomen, opdat we niets gehoord of gezien zouden worden. Even buiten de kom der gemeente sloeg Nonkel rechts af; gaf ons enige bevelen en zouden elkander opwachten voorbij het eerste bos achter de Sterre.

Weer ging het voetje voor voetje. Op eens hoorden we iets naderen uit de richting van de grens. We stonden stil en op 15 meter van ons afgekomen riep ik met donderende stem;

Halt…….Patrouille staat, en de man, die ons zeide de paarden te gaan opvoeren, bleef stokstijf staan. Met een zaklantaarn inspecteerden we hem en mocht daarna passeren.

We gingen door tot aan het bos en stelden ons daar verdekt op.

Een kwartier hadden we ongeveer gelegen, toen Nonkel een teken gaf dat hij aankwam.

Onhoorbaar slopen we verder langs den Liniedijk tot het 2e bas genaderd was en meenden daar voetstappen te horen.

Het bos in en verberg je achter een dennenboom, zeide Nonkel, we hadden daar zo’n schik mee, dat we het zouden uitgekraaid hebben van plezier, maar waren gedwongen stil te zitten luisteren, maar die we meenden te horen aankomen, ging een andere richting uit, dus kwamen we van achter de bomen en gingen voetje voor voetje langs de grens, die op dat punt of gedeelte niet was afgesloten met een elektrischen draad.

We kwamen nu aan het 3e bos, gingen daar dwars doorheen en bereikten een landweg.

Even werd geluisterd, doch niets gehoord. Zachtjes en zonder spreken liepen we voort over den weg den Ouden Polder uit, totdat we aan een dijk kwamen, dien langs gingen en op 50 meter van grenspaal 304 Halt hielden en post vatten.

Een half uur bleven we, diep in onze overjassen in observatie aan den dijk liggen, doch niets werd gehoord of waargenomen. Alleen de grote lichten van de Duitse schildwachten, die ze nu en dan langs de grens lieten draaien.

We stonden op en liepen langs den elektrischen draad tot aan een tweesprong, Nonkel ging rechts en wij links langs enkele Duitse posten, die we goeden morgen toeriepen wat door hen wederzijds even hartelijk werd gedaan.

Aan de Lippenspolder nabij grenspaal 307 zouden we weer bij elkaar komen, maar wie we niet zagen was Nonkel Vien.

We gingen op zoek en na driemaal fluiten op mijn vingers, zagen we het sein van zijn grote zaklantaarn, waar we tegelijk op af gingen. Het was intussen 5 uur geworden, de dag begon te lichten en stapten gezamenlijk op naar ons kwartier, waar we om 6.15 uur aankwamen.

Na ons geweer te ontladen, kropen we onder de wol.

Om 11 uur voor middag gingen we onze dienst afschrijven en afnemen.

Om 6 uur vanavond gaan we op onze negende patrouillereis. De commiesdienst geleider zal ons vergezellen.

Ik wil er voor vandaag mee eindigen.

7 april 1916

Toen we van voor middag op patrouille waren in de omgeving van de Sterre, zagen we op 100 meter van ons af, twee mannen hard lopen, die voortdurend achter hen keken.

Den afstand om aan te roepen was te ver en maakte gebruik van mijn geweer een schot in de lucht te lossen.

Ogenblikkelijk bleven ze staan als bomen.

We gingen naar hun toe en visiteerden hen of ze mogelijk iets met zich voerden.

Na onderzoek bleken ze niets bij hun te hebben en mochten passeren.

Het is middag 1 uur en gaan nu maffen. Vanavond moeten wij op dienst van 10 uur tot morgenochtend 3 uur.

8 april 1916

Op aangegeven tijd ging ik met Rijn op patrouille gisteren avond.

We gingen de richting van de grens, maar buiten Zuiddorpe gekomen, sloegen we rechtsaf den weg in naar de Ratte. Toen we ongeveer op de helft waren gingen we links over een voetpad. Dwars door den Ouden Polder, naar de Vrouwstraat, die overgestoken, weer langs heggen en struiken tot waar we een sparrenbos genaderd, waren en dat dwars door gingen.

Het was er aardig donker, maar op gevoel af, slopen we steeds verder.

Weinig woorden werden gewisseld en hier was dat zulks ook overbodig.

Nu en dan werd halt gehouden om te luisteren en weer slopen we voorwaarts.

Het bos uit en verder langs smalle paadjes, sloten en over bouwland met begroeide randen, tot dat we na ruim een uur op een plaats aankwamen, waar we in observatie gingen liggen.

De zogenaamde Hogendijk tussen de Ratte en Oudenburgse Sluis.

Wij lagen in een inham aan de kant van de Ouden Polder. Over den dijk keek men in den grote Canisvliet polder en beneden langs den dijk liep de keienweg.

Door het blaffen van een hond, vanaf de boerderij, bewoond door boer Buijsse, werd ik opmerkzaam gemaakt en meende ook stemmen te horen.

Languit luisterde ik of mogelijk iets nader kwam. Rijn die inmiddels achter mij op zijn hurken zat, vroeg mij of ik iets hoorde.

Ik zeg, ik vermoedde iets te horen. Op hetzelfde ogenblik springt Willem overeind en roept met donderende stem Halt, meer verschrikt want hij verwachtte van dien kant geen gevaar. Tegelijkertijd spring ik overeind met het geweer vaardig den handpal over, met den vinger aan den trekker en roept“ Staat “ . Beide geweren op zijn body gericht. Ik zeg, handen omhoog.

De man, die op dat moment niets vermoedde en een zak met zich voerde, sprong wel een meter hoogte de lucht in en sprak daar enkele Belgische vloeken uit naar het ons voor kwam, want men hoorde als uit een adem achtereen. Monde miljiar cunju, cinju.

Wat het betekende wisten wij niet. Ik vroeg wat heb je in dien zak. Hei zij, schavelingen meneere. Dat begrepen wij niet en lieten hem den zak uitschudden.

Toen zagen wij anders niets dan houtkrullen. Terwijl Willem met zijn zaklantaarn op en visiteerde hem vervolgens aan den lijve. Na onderzoek kon hij zijn pad vervolgen.

Het viel ons op dat moment tegen, want we meenden op een troep smokkelaars te stoten.

We moesten ons echter tevreden stellen met een voorloper van de smokkelaarbende.

De rest was ‘m gesmeerd. Toch hadden wij er ervaring mee opgedaan en bespraken met elkander hoe we bij een volgende gelegenheid moeten optreden.

We hadden nog twee uur dienst en besloten die te patrouilleren.

Om 3 uur kwamen we in Zuiddorpe en wensen een nieuwe patrouille goeden morgen, die op het beginpunt stonden om uit te rukken.

In ons kwartier aangekomen, begaven we ons direct onder de wol, tot van morgen 9 uur.

Van 10 uur tot 1 uur en van 2 – 6 uur gingen we op patrouille, langs Heirweg tot Rode Sluis, Varempe polder tot Overslag en langs Dievenhuisjes, Sterre, langs den Heirbaan terug naar Zuiddorpe.

Wij zijn inmiddels blij dat we vanavond thuis zijn. Willem en Tante liggen al onder de wol.

Nonkel zit zijn pijp gevuld met BZK tabak nog lustig te smoren, achter de stoofkachel.

Zodra ik klaar ben met schrijven gaan wij onder de wol.

9 april 1916

Vandaag genoten we van onzen vrijen zondag.

Vanmiddag ben ik naar Axel ter kerk geweest en mocht datgene smaken, waar de ziel behoefte aan heeft.

Na kerktijd begaf ik mij naar de familie M. van den Ouden, waar ik den verderen avond tot 6 uur vertoefde. Ik mocht mede aanzitten aan den dis en vervolgens zongen we gezamenlijk enige liederen met begeleiding van het orgel.

10 april 1916

Om 4 uur van morgen gingen we op patrouille, langs Vissershuis, huis “ Ratte” Hogendijk tot Oudenburgse Sluis, verder langs liniedijk, terug naar Zuiddorpe.

Acht uur kwamen we in ons kwartier aan. We zijn nu vrij tot van avond 7 uur en benutten onzen tijd met lezen of schrijven. Van 7 tot 11 uur hebben we avonddienst, langs dezelfde route.

13 april 1916

Ik zal in mijn dagboek moeten schrijven, omreden ik achter ben.

Op 11 april had ik dienst van 7-11 uur voor middag en van 3 – 7 uur namiddag.

Op 12 april ’s morgens van 3-7 uur en ’s middags van 12-3 uur en nog dezelfde avond rukten we uit om 11 uur tot van morgen 4 uur.

Het is nu 10 voor middag en zijn juist van onder de wol.

Gisteren morgen op 12 april hadden we zoals ik reeds heb meegedeeld, dienst van 3-7 uur.

We gingen van uit ons kwartier, langs Heirbaan en verder over den dijk naar Rode Sluis om dan vervolgens door de Varempe polder, langs Sterre, terug te keren naar Zuiddorpe.

Nauwelijks 500 meter lengte Rode Sluis te zijn gepasseerd over een dijk, waarover een brede weg loopt, en aan weerszijden begroeid met zware bomen, zagen we op ± 100 meter van ons af links de grens.

Een elektrischen draad was op 5 meter van de grens teruggetrokken, omdat daar ter plaatse, waar de juiste grensscheiding een kreek was. Het was omstreeks half vijf uur, dat we daar waren en het was hoewel de dag naderde, nog duister.

Willem meende iets te zien bewegen, langs den draad op Hollands gebied, maar het was te ver om aan te roepen. We wilden op dat ogenblik nog geen alarm maken al verdween de persoon in uitwaardse richting. Het kon wel eens een voorloper zijn en dan den buit mislopen.

Wij slopen circa 500 meter langs den Krommendijk voort en waren op dat punt misschien maar 30 meter van de grens en meenden op dat punt twee Duitse schildwachten te zien staan, omreden daar hun schilderhuisje op 3 meter van de kreek stond en wij een spiegel hadden aan het stille water. We stonden stil en keken naar die dubbelpost, maar hoe langer we bleven kijken, hoe meer mensen we zagen en dacht dat het een gehele wacht Duitsers waren.

Een ogenblik later, kwamen we tot de ontdekking dat we 10 minuten te laat op dat punt waren aangekomen, want wat voor een Duitse wacht hadden aangemerkt, waren niets anders dan een grote troep smokkelaars, die we intussen een voor een achter elkaar zagen weglopen, tussen de ijzerdraadversperring en den elektrischen draad in de richting van Rode Sluis met een zware zak smokkelwaar op hunne nek.

We losten een schot in de lucht maar gingen kalm hun gang.

Het viel tegen, zonder buit naar Zuiddorpe terug te keren.

Vannacht stonden we nog een ogenblik te praten met een Duitse schildwacht en gingen vervolgens marcheren door het slechte weer om doornat in ons kwartier aan te komen.

Vanavond hebben we dienst van 8-12 uur en hopen slag te leveren.

14 april 1916

Voor dat ik gisteravond op dienst ging heb ik Nonkel 20 mud aardappelen helpen opmeten, die hij verkocht had. ( een mud aardappelen weegt ongeveer 70 kg. 20×70= ±1400kg )

Om 8 uur gingen we op patrouille, langs Heirbaan, Sterre, Liniedijk, Oudenburgse Sluis, langs Hogendijk door Ratte en Sluis terug naar ons kwartier.

Het was prachtig weer maar het waaide hard. In de Lippenspolder kwamen we twee patrouilles tegen, een van Sas van Gent en een van Westdorpe. Bij Oudenburgse Sluis stonden we een ogenblik te praten met een Duitse schildwacht. Hij vroeg of onze kameraden naar de Schelde waren gegaan en wij patrouille moesten lopen op smokkelaars.

Hij bevestigde zijn vraag, wensen hem een goeden avond en gingen in de richting van de Ratte, waar wij een patrouille van Overslag tegen kwamen.

Bij ons terugkeren in ons kwartier konden wij gaan maffen tot vanmorgen 8 uur.

Van morgen hadden wij dezelfde weg af te leggen. Om 1 uur was onzen dienst afgelopen en gingen den dienst aftekenen bij den dienstgeleider. Voor de 1e maal ontvingen we een toelage van Buitengewoon commies, welke een bedrag uitmaakte van acht dagen van:

8 x f 0,50 = f 4,00. Terwijl Willem bezig is om paspoorten af te tekenen, zal ik de geweren eens oppoetsen en invetten om het roesten te voorkomen.

Van middag hebben wij dienst van 4-8 uur en zijn verder vrij tot morgenochtend 7 uur.

15 april 1916

Van 7 – 11 uur zijn we op patrouille geweest.

Het was koud en het waaide hevig, bovendien kwamen we onder de modder in ons kwartier.

Twee wagens hebben wij gevisiteerd, doch geen fraude bevonden.

Toen we langs den elektrische draad gingen zagen wij de Duitsers bezig met grond omleggen.

Ook heb ik nog een Duitse schildwacht gesproken, die ik vroeg een Duitse pijp voor mij te kopen. Hij zou er een voor mij meebrengen als hij van verlof zou terugkeren uit Duitsland..

Vanavond hebben we dienst van 8-12 uur en hebben den middag vrij wat mij ten goede komt om brieven te schrijven.

16 april 1916

Gisterenavond gingen wij met ons drieën De Bel, Rijn en mijn persoon om 8 uur op dienst.

Over Heirbaan, Waterhuis, Muis, Ratte, Hogendijk door de verkorting naar grenspaal 307.

De Bel meende daar ter plaatse aan de overzijde iets verdacht te zien en zou zonder zich te hebben overtuigt doorlopen. Willem en mijn persoon naderden zoveel we konden die plaats en loste een schot in de lucht, maar niets werd gezien.

Van voor middag hadden we dienst van 8-12 uur.

Van middag ging ik naar Axel ter kerk en kreeg plaats op het orgel. Na kerktijd ging ik naar de familie Van den Ouden, waar ik mede aanzat bij het avondeten. Om 7 uur was ik weer present op Zuiddorpe en hadden nog twee uur dienst op de Heirbaan.

17 april 1916

Van 8-12 uur gingen we van morgen op patrouille. Bij het terugkeren in ons kwartier zat er een soldaat uit Cadzand, die ons soldij kwam uitbetalen.

We vernamen inmiddels dat de jongens van onze Compagnie het best maakten.

Even wel verlangden ze liever maar weer op Zuiddorpe terug te keren, want het voortdurend loopgraven maken bevalt hun niet en de menage bestaat enkel uit bruine bonen en snert.

Op onze patrouillereis genoten we met het slechte weer toen we in den Ouden Polder waren ieder twee kopjes warme melk van een vrouw, die medelijden met ons had.

18 april 1916

Onzen dienst is weer ten einde voor van morgen.

Gisterenavond van 8-12 uur gingen we op patrouille. Het weer was slecht, dus gingen we door de bossen en hebben in den Ouden Polder nog in observatie gelegen maar niets ontdekt.

Van morgen hadden we dienst van 8-12 uur en kregen een opdracht een bericht over te brengen naar twee Belgische boeren, die op het vrije gedeelte woonde, wat niet met den elektrische draad was afgesloten, gelegen tussen Sterre en Oudenburgse Sluis.

Bij den eerste boer Buijsse; gezeten in de keuken werd ons een grote kan bier voorgezet met twee grote glazen, bedekt met deksels, we namen er gretig gebruik van en kregen de man nog twee sigaren. Toen we op stap gingen naar No 12, rookten we als twee oude Zwitsers.

Een opmerking die Willem nog al een bezigde. Daar aangekomen, we waren hoogstens 400 meter van de Duitse wacht verwijderd, slopen we de grens over en kwamen zonder opgemerkt te worden bij den boer op het erf.

We werden ook hier weer goed onthaalt. Toen we een ogenblik in huis waren kwam een der bewoners en vertelde dat er een Duitse patrouille op het erf kwam.

Terwijl de Duitsers langs de achterkant het huis binnen kwamen, verlieten wij de woning aan de voorzijde en kwamen zonder opgemerkt te worden weer op Hollands gebied.

We zouden ons dan ook maar niet zo laten interneren, want we waren vast besloten samen uit en samen thuis. Het zij dood of levend.

Toen we in ons kwartier aankwamen lag er een brief van mijn ouders, bevattende de mededeling dat allen, uitgezonderd broer Leen het best maakten.

Hij ligt tot nu toe nog in een tentje, maar is vooruitgaande.

19 april 1916

Het is nog vroeg in den morgen en wil even aantekenen.

Gisterenmiddag zijn we van 4-8 uur op patrouille geweest en doornat in ons kwartier aangekomen. Op een Hofstede zochten we een schuilplaats voor den stromende regen.

In middels werden we binnen verzocht om plaats te nemen achter de stoof, waarbij een heerlijke kop koffie met suiker ons niet ontbrak.

Van morgen zijn we van 3-7 uur op dienst geweest.

Willem ligt reeds onder de wol en zal hem dra volgen.

20 april 1916

Gisteren avond hadden wij dienst van 6 – 10 uur, langs Dievenhuisjes en Overslag terug.

Aan den elektrischen draad kwamen we in gesprek met de Duitse posten, die we nog niet hadden ontmoet. Het waren aardige jongens. Ze vroegen of onze kameraden aan de Schelde lagen. Neen zeide hij, want dan is dat Vaderlands verraad.

Van morgen van 7 – 11 uur hadden wij dezelfde route en zijn vrij tot vanavond 10 uur.

Van middag zijn we op bezoek geweest bij twee oude mensen van ruim 70 jaar, genaamd Seraphinus van Mossevelde, in de gemeente Zuiddorpe. Het waren twee eigenaardige luitjes, die veel omgang hadden gehad met soldaten en dat ook nu weer zochten.

Ze woonden in een klein huizeke en gaven het den naam van “ Villa, Nooit Rust”

Het stond ook gegraveerd op het tuinhekje. Hun hofje wat geheel verscholen lag tussen houtgewas, zag er lief en onderhouden uit.

De baas zelf genoot van zijn landgoed en bracht eigenaardige veranderingen in den tuin, met allerhande schelpen, pannen, beeldjes, fonteintjes, rotsen en meer dergelijke aardigheden.

Iedere paal en elk voorwerp was beschilderd, naar den geest van baas Van Mossevelde.

In het schuurtje was een verzameling van oudheden.

De wanden waren versierd met Hoofden van alle omlopende Dagbladen.

Verschillende steensoorten waren bijeen verzameld en al wat enige waarde bezat van historie of oudheid vond bij hem een plaatsje.

Toen we alles gezien hadden, werden we binnen verzocht,

En maakten kennis met Moeder Rozeke, een oud moedertje van ± 77 jaar.

We dronken een kopje koffie met hun en kregen gelegenheid ons namen op te tekenen in een register, waar vele andere er voorgaande wapenbroeders hunne namen in prijkten.

Al vorens wij vertrokken moesten we eerst blijven mee eten. De twee oudjes, die zelf geen kinderen hadden, beschouwden ons als hun eigendom.

En wij van onzen kant noemden haar Moeder.

Zo gaan onze dagen voorbij. God geve dat we spoedig in onze haardstenen het lief en leed van de Mobilisatie kunnen gedenken.

21 april 1916

We hebben een zware dienst achter den rug.

Gisteren avond hadden we dienst van 10 uur tot van morgen 3 uur in de omgeving van Oudenburgse Sluis, doch niets waargenomen.

Van voor middag van 10 – 1 uur; een vrouwpersoon was ons te vlug af om over de grens te snappen. Om 3 uur gingen we op dienst en patrouille den in de omgeving van Dievenhuisjes, gemeente Overslag. We stonden enkele ogenblikken te praten met Duitse posten.

Wij presenteerden hen een sigaar, die gretig werd aanvaard.

Sinds 18 april is een detachement Infanterie in Axel gekomen, waar wij als soldaatcommies bij ondergebracht worden.

Den gehelen dag horen we het zware kanongebulder. Onophoudelijk wordt er geschoten.

Tot en met 15 april zijn we uitbetaald geworden met commiestoeslag van 7 dagen, totaal

f 3,50. Van avond zijn we vrij en moeten niet voor morgenochtend 6 uur in dienst.

22 april 1916

Het regent vandaag den gehelen dag. Van morgen zijn we van 6 – 10 uur op patrouille geweest en kwamen doornat in ons kwartier aan

Tijdens onzen dienst kwamen we in gesprek met een oude wapenbroeder van het jaar 1870-71 en kon nog heel wat vertellen uit zijn mobilisatieleven.

Duitse schilderwachten wisten ons te vertellen dat ze telegrafische mededelingen hadden ontvangen, dat hunne kameraden veel krijgsgevangenen hadden gemaakt bij Verdun ( Frankrijk )

Ze vroegen mij. “ Was mach den Engelen” waarop ik antwoordde.

“ Den Engelsen mach nicht kommen im Holland “ en hebben dan den grootsten schik.

Een Duitser vroeg mij, waar onze kameraden naar toe waren. Waarop ik antwoordde. “ Nichts zu machen” Toen zeide hij, neen dat is Vaderlands verraad.

We kunnen het best met elkander vinden.

23 april 1916

Gisterenavond hadden we dienst van 6 – 10 uur naar Oudenburgse Sluis.

Het regende den gehelen avond en konden geen vijf pas voor ons uit zien.

Nu en dan zakten we tot over de schoenen in de modder en moesten dan ook verschillende keren van route veranderen, omdat enkele binnenwegen geheel onder water stonden.

Tijdens onze patrouille ontmoeten wij een patrouille van Axel en een van Overslag.

Vandaag hebben we op 1e Paasdag prachtig weer. Van middag ben ik naar de Gereformeerde Kerk geweest te Axel. Een Amerikaanse predikant sprak uit 1 Colossenzen 3 vers 1 en 2.

  1. Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechterhand Gods.
  2. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

We mochten het goede smaken naar de ziel. Het was voorwaar Opstandingfeest.

De kerk was tjokvol en moest dan ook den gehele middag staan. Na de kerktijd genoot ik weer bij de gastvrije familie Van den Ouden, waar ik bleef tot ’s avonds 8 uur.

Na het avondeten gingen we een wandeling maken; onderweg ontmoette ik een oude wapenbroeder van 2e Bataljon II Compagnie 14 Regiment Infanterie Oele van Wissekerke.

Thans ook soldaatcommies te Sas van Gent. Die ontmoeting deed ons goed, we hadden sinds november 1914 elkaar niet meer gezien.

Om 9 uur kwam ik op Zuiddorpe aan.

24 april 1916

Het was vandaag met 2e Paasdag zondagse dienst, zodat we maar 6 uur dienst hadden.

Van voor middag van 9 – 11 uur en van na middag van 3 – 7 uur.

Het was prachtig weer.

Naar werd meegedeeld moeten er talrijke vliegmachines hebben gepatrouilleerd aan de Westerschelde. We hebben niets waargenomen.

25 april 1916

Prachtig weer, de gehele dag. Van morgen hadden we dienst van 6 – 10 uur.

Na het eten moest ik met schoenen naar Axel voor reparatie.

Van die gelegenheid maakte ik gebruik even aan te lopen bij de familie Van den Ouden.

Op den terugweg naar Zuiddorpe ontmoette ik Camiel Bellaert, soldaat van onze compagnie 3e Bataljon III Compagnie 14 Regiment Infanterie, die namens alle kameraden de groeten overbracht uit het land van Cadzand.

In mijn kwartier aangekomen kon ik dadelijk aan het lezen uit een brief van mijn Vader, en vernam dat het met de zieken een goed verloop had. |Den verdere middag kon ik mijn uitrusting in orde brengen en mijn geweer schoonmaken.

26 april 1916

Gisterenmiddag hebben we met Nonkel aardappelen gepoot, op zijn land. Om 10 uur gingen we op dienst. Het was prachtig weer, de sterren blonken aan de Hemel en wij stelden ons verdekt op achter de struiken, te midden op het land, waarlangs een voetpad voerde, op ongeveer 10 minuten van de grens.

Tot 12 uur lagen we daar in onze overjas op den grond en moesten van de koude gaan patrouilleren tot 3 uur in de morgen.

We lagen nauwelijks een uur onder de wol, dat er drie zeppelins over kwamen, die waarschijnlijk naar Engeland zijn geweest om bommen te werpen.

Gisteravond zijn ze door gegaan, doch beide keren niet gezien, wat mij erg speet.

Van morgen hadden we dienst van 10-1 uur en van na middag van 3-7 uur.

Vanmiddag gingen we langs de grens en zag men de Duitse soldaten aardappelen opmeten en verder vervoeren.

27 april 1916

Van 7 tot 11 uur zijn we op patrouille geweest.

We konden het geschut horen van de Duitse geweervuur ( salvo’s ) en mitrailleurvuur.

Van 11 uur tot van avond 6 uur waren we vrij van dienst en hebben Nonkel bijgestaan om aardappels te poten.

Van 6-10 uur na middag gingen we op patrouille door Oude Polder.

Op Duitse tijd 10 uur hoorden we Duitse taptoes blazen op verschillende kantonnementen van de Duitsers, die naar het mij voorkomt, in ruime mate versterkingen hebben aangebracht langs onze Hollandse grens.

28 april 1916

Voordat we op avonddienst gaan zal ik nog even enkele regels schrijven.

We hebben de laatste dagen prachtig weer. Van 8-12 uur voor middag zijn we op patrouille geweest. Onderweg vroegen we bij een boer te drinken. We werden verzocht binnen te komen.

Het duurde dan ook niet lang of een grote kan bier stond op tafel en konden zo veel drinken als we beliefden.

We zouden zoiets indenken in Holland in het jaar 1500-1600. Op de grenzen leven de bewoners overeenkomstig de Vlamingen.

Een groot verschil met Axel, wat geheel overeenkomt met de Hollandse gewoonten en zeden.

In onzen vrijen tijd zijn we op villa” Nooit Rust” geweest en hebben de fontein opgevuld volgens belofte.

Daarna gingen we bij de oudjes bier drinken met koekjes.

Met een solferstok, staken we onze sigaren aan, die reeds jaren uit de mode zijn.

Volgens de waargenomen berichten heeft den Engelsman op 25 april tot ’s morgens 4 uur met 10 oorlogsschepen en 17 kruisers voor de Westerschelde gelegen.

Onze troepen werden direct in de voorste linie gezet.

Later op den morgen zijn ze weer weg gestoomd.

29 april 1916

Gisterenavond hadden we dienst van 8-12 uur. We patrouilleerden langs Varempe polder  naar Rode-Sluis. Op tien minuten afstand van Rode-Sluis stelden we ons verdekt op langs een dijk op ongeveer 50 meter afstand van een Duitse schildwacht.

We lagen nauwelijks opgesteld en zagen dan Duitsers tekenen geven met zijn groot carbid lamp. Voor ons een teken dat er gesmokkeld zou worden.

Op eens werden ook wij in het licht gezet en waren dan ook genoodzaakt, nu we toch verraden waren, maar op te breken en verder te gaan.

Willem riep dien mof toe “ Weg dat licht, of anders schiet ik het uit” Ik was hem voor, schoot juist dien Duitser boven zijn hoofd en hadden toen geen last meer van hem en waagden het dan ook niet meer om bij te lichten.

Wij liepen verder in de richting Rode Sluis en werden aangeroepen van een patrouille.

Zodra wij ons kenbaar maakten, hoorden we opeens dat we onze Sectiechef uit Hulst, Hangelbroek, voor ons hadden met een soldaatcommies uit Hulst en een patrouille van Overslag, Van de Laan en De Vries, beiden Friezen.

Ik vroeg aan de chef, “ meneer, mogen we ook op een Duitser schieten, wanneer hij ons bijlicht?”

Wij wisten wel beter. En daar springt mijn oude Sectiechef in zijn volle lengte, voor mij met zijn handen omhoog en zegt:” Liever 80.000kg over de grens, dan een grensincident. Jongen, jongen past toch op”  Wij moesten ons zelf helemaal inbinden om niet in lachen uit te barsten, zoals hij tekeer ging.

Wij dankten hem voor zijn instructie, wensten elkander succes en gingen verder langs den dijk naar Zuiddorpe.

Van voor middag hadden we dezelfde route. Op Rode Sluis waren ze bezig onder geleide en toezicht van marechaussees en commiezen, broden uit te voeren door de doorlatingspost van de Duitsers.

Op den terugweg, visiteerden wij een auto van binnen en buiten, doch bemerkten geen fraude.

Van na middag 3-7 uur hebben we dienst naar Oudenburgse Sluis.

30 april 1916

Verjaardag van H. K. Hoogheid Prinses Juliana, dat zij nog lang leeft op aarde en tot Heil en Zegen mag zijn voor ons Nederlandse volk.

God bescherme Haar en Haar Huis tot in lengte van dagen.

Het is zondag en had ook zondagdienst.

Van 7-9 uur voor middag hadden we dienst op de Heirbaan, richting, Sterre.

Van middag ben ik naar Axel ter kerk geweest. Dominee sprak uit Openbaring 3, vers 20.

“ Zie, Ik sta aan de deur en zal horen en de deur open doen.

Ik zal tot hem inkomen en ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij.

En verder nog uit Mattheus 26, vers 10.

“ Als wij nu heen gingen om te lopen, kwam  de bruidegom, in die gered waren, gingen met hem in tot de bruiloft en de deur werd gesloten.”

Uit kerk gekomen ging naar de familie Van den Ouden, waar ik tot 6 uur bleef.

Op het ogenblik zit ik in mijn kwartier en moet om 9 uur vanavond op dienst.

1 mei 1916

Van 9-12 uur zijn we met twee patrouilles op dienst geweest, gisteravond.

Levens en Rijn, De Bel en mijn persoon.

De 1e patrouille nam observatie aan de Ratte en wij in de omgeving van de Sluis..

Den gehelen nacht werd niets waargenomen. Men hoorde alleen het gerommel van het zware geschut aan het Westelijk font.

Kort na 12 uur sloeg het half een en twee seconden later een uur. Als teken dat de Zomertijd was ingetreden.

Van morgen zijn we van 8-12 uur op dienst geweest.

Aan den Oudenburgse Sluis kwamen we in gesprek met verschillende Duitse schildwachten, die ons allemaal hetzelfde vroegen.

“ Niets nieuws in Holland en wat mag den Engelsman? “ Iedere dag hoor je dezelfde verlangens, wanneer is daar een einde.

Gisteren vernam ik nog dat onze soldaten in de buurt van Cadzand een lucht- en zeegevecht hebben waargenomen op de Noordzee.

De Engelsen waren dicht aan de kust. Van middag ben ik vrij tot vanavond 7 uur en mag dan even naar verschillende kanten meedelen dat mijn verlof is toegestaan van 5-9 mei.

3 mei 1916

In den avond van 1 mei zijn we op dienst geweest van 7-11 uur.

Gisterenmorgen van 7-11 uur en op den middag van 3-7 uur.

Vandaag is onzen dienst ook achter den rug. Van morgen van 3-7 uur en vanmiddag van 12-4 uur. Zodat we nu vrij hebben tot vannacht 12 uur.

Op al die patrouilles hebben we niets bijzonders waargenomen.

Aanhoudend hoort men het zware kanongebulder van uit de verte.

Van middag kwamen we nog in gesprek met een Duitse schildwacht en vertelde ons van achter den elektrische draad, dat hij 2 x gewond geweest was. Had in Rusland en Frankrijk gestreden, 2 maanden in den Krieg en 3 maanden in het krankenhuis gelegen en van geboorte uit Westfalen was.

Van huis ontving ik een brief dat mijn oudsten broeder ziek te bed lag.

4 mei 1916

Vannacht zijn we om 12 uur op patrouille gegaan. In den Zuiddorpe polder lagen we 3 uur in observatie, maar niets werd waargenomen.

Om 4 uur kwamen we op ons eindpunt aan. Van 1-5 uur hadden we dienst en hebben nu tijd om een en ander te regelen, want morgen gaan we met 5 dagen verlof.

5-10mei 1916

In den morgen van 5 mei stapten we om zes uur uit ons kwartier om met verlof te gaan.

Per trein reden we van Axel naar Hulst en verder naar Walsoorden- Hansweert en Vlake.

Daar aangekomen was juist den trein naar Goes vertrokken en zouden toen 1½ uur moeten wachten tot den trein van 11:30 aankwam.

Juist kwam daar een goederentrein aan, onmiddellijk stelde ik mij in verbinding met den stationschef en vroeg mede te rijden met voorgenoemde trein naar Goes.

Wat door hem werd toegestaan en kwam op deze manier vroeg aan, waar ieder zijn eigen weg vervolgde.

Mijn eerste weg was, naar mijn lieve An, mocht haar in goeden welstand ontmoeten en bleef dien dag verder bij haar doorbrengen.

’s Avonds ging ik naar de familie Schipper op Kloetinge, waar ik den nacht doorbracht en blijde elkaar te ontmoeten.

Op 6 mei reed ik per fiets naar Katseveer en verder per boot naar Zierikzee.

Eenmaal weer vasten grond onder de voeten, per fiets naar huis, waar ik allen mocht weerzien.

De zieken waren in vooruitgaande toestand, wat voor mij weldadig aan doet.

Tot in den namiddag van 8 mei bleef ik met verlof in de ouderlijke omgeving.

Vele mensen vroegen mij of ik verlof had, terwijl het verlof sinds 1 april stilstaat.

Maar deelde hun dan mee, dat zulks bij de soldaatcommiezen wordt toegestaan.

Van allen weer afscheid te hebben genomen reed ik met de verloofde van mijn broer Johannes, Martina de hamer van Wemeldinge naar Zierikzee, per boot naar Katseveer, om vervolgens bij aankomst te Wilhelminadorp elk zijn weegs te gaan.

Ik ging nog voor een dag naar Goes. Van 8-9 mei logeerde ik nog bij de familie Schipper te Kloetinge en moesten in den namiddag terug naar Zuiddorpe.

Mijn vriend Willem Rijn maakte daar bezwaar tegen. Ik stemde mede in en waren dien avond nog in tegenwoordheid, hij van zijn Jaan en ik van mijn An.

Dien nacht sliep ik naast Willem in zijn ouderlijk huis op den ’s Heer Hendrikskinderendijk.

’s Morgens stonden wij om 4 uur op, reden per fiets naar Borssele, waar wij aan boord stapten naar Terneuzen en verder per fiets naar Zuiddorpe, daar aangekomen gingen we eten en verkleedden en waren op tijd op het beginpunt, want om 9 uur moesten we op dienst.

Om 1 uur keerden we terug van onze patrouillereis.

De Duitsers hadden ons nog niet verlaten en hadden met elkaar weer heel wat te praten.

Ook was er onder de posten een nieuwe schildwacht die ons vertelde te hebben gestreden in de Karpaten en aan het Westelijk front.

Een volgende post vroeg ik hoe het in Duitsland met het eten was.

Na eerst naar alle kanten te hebben rond gezien of mogelijk niemand hem hoorde, hij stond achter den elektrische draad, achter den dijk bij de Dievenhuisjes in de omgeving van Overslag. Vertelde ons toen, dat er grote armoede was.

Tijdens onze patrouilles visiteerden we enkele personen en keerden na afloop van de voorgeschreven tijd naar ons kwartier terug, waar wij uit kunnen rusten tot vanavond 10 uur.

Het eerste was schrijven naar hen, die we hadden verlaten en genoeglijke dagen hebben doorgebracht.

11 mei 1916

Gisteravond gingen wij om 10 uur op patrouille over Heirbaan, Sterre, Liniedijk, Oude Polder, richting Hogendijk naar den Westdorpe polder.

We gingen in de verkorting eind Hogendijk noordwaarts den polder in en stelden ons op onder afgekapte takken van bomen, langs de poldervaart.

Omstreeks 1 uur middernacht kregen wij kou, want de nachtvorst bracht zulks mee, en stapten op. Aan den Hogendijk gekomen, begonnen ze te vuren vanuit noordelijke richting.

Onmiddellijk riepen we tegelijk dekken. 41 schoten werden gelost, men hoorde de kogels over onze hoofden fluiten.

Niets kon ons echter deren, want we lagen juist achter den dijk.

We bleven zo ongeveer 20 minuten liggen nu en dan kropen we over den dijk om den binnenweg af te zien, die naar Westdorpe ging, doch we zagen geen levend wezen en hoorden niets. Langs Hagendijk gingen we terug naar ons kwartier, waar wij 3 uur van morgen aankwamen.

Van morgen hadden wij dienst van 9-12 uur. In den loop van den dag vernamen wij dat een observatiepost uit Westdorpe, van 5 man sterk in de nabijheid van een brug verdekt opgesteld hadden gelegen op ± een kwartier van ons vandaan en een patrouille van Sas van Gent van 3 man sterk in tegenovergestelde richting, ± 5 minuten van ons vandaan, zonder iets van elkaar af te weten. J.N. observatie was in gevecht geweest met een smokkelbende, 7 man sterk, waar van 2 werden gewond en namen in beslag, 6 vaatjes zeep, 1400 kaarsen en 2 kistjes margarine.

Van middag hebben we bij Nonkel in den tuin gewerkt.

12 mei 1916

Tijdens onze patrouillereis van 4-8 uur gisteravond, verkenden wij het terrein om observatie te nemen met alle commiezen in vereniging van Zuid- en Westdorpe.

Van morgen hadden we dienst van 6-10 uur en vanmiddag van 1-3 uur, in deze twee uur moest ik paspoorten aftekenen. Vanavond gaan we om 10 uur op dienst, waarschijnlijk gaat Nonkel mee.

Van middag ben ik naar Axel geweest om nieuw ondergoed bij het detachement, waarbij wij in onderhoud zijn.

13 mei 1916

Om 10 uur gingen we met ons drieën op dienst, waaronder de dienstgeleider.

Tussen Muis en Ratte, gingen we op ± 1000 meter afstand van den grens, dijk in observatie liggen  midden op een blok klavers, drie uur achtereen bleven we stil liggen maar bespeuren niets van smokkelaars.

Alleen het dreunen van het geschut naar het mij voorkwam uit de omgeving van Zeebrugge, waar vermoedelijk een zeegevecht plaats vond.

We stapten om 2 uur in ons kwartier. In den loop van den dag hadden we van 9-11 uur dienst op de Heerbaan tot Overslag.

Vanmiddag zijn we gaan slapen. Het weer is niet erg aangenaam, want het regent den gehelen dag.

14 mei 1916

Voordat ik ter kerk zal gaan wil ik nog in mijn dagboek schrijven.

Om tien uur gingen wij met alle commiezen en soldaten op dienst.

Ieder ging naar zijn aangewezen plaats. Ik lag met Lievense ten oosten van Eversdam te midden in het bouwland in een greppel achter de tarwe.

Het was gelukkig droog weer, maar de grond doornat want het had den gehelen dag geregend.

Vier uren achtereen lagen we verdekt opgesteld, niets werd waargenomen, alleen hoorde men het blaffen van een hond. Om half 3 uur kwamen we in de Ratte bijeen, waarna ieder zijn kwartier opzocht. Niets werd waargenomen.

Ik was blij dat we op bed lagen en konden onze doornatte en koude benen verwarmen onder de wol. Tot boven de knieën waren we nat van door het lange graan en klavers te lopen.

We sliepen van voormiddag 11 uur en waren weer helemaal opgefrist en uitgerust.

Het wordt tijd om op te stappen naar de kerk in Axel.

15 mei 1916

Gisteren middag ben ik in Axel ter kerk geweest, waar we leerkost kregen voor de ziel.

Ds. Sprak uit Openbaring, Hoofdstuk 4. Uit de kerk gekomen ging ik naar familie Van den Ouden, waar ik eerst moest blijven eten voor ik naar Zuiddorpe mocht gaan.

Om 5 uur moest ik op dienst. Wij stapten op tijd uit ons kwartier. Aan de Liniedijk nabij de Lippenspolder arresteerden we Floreman Leijgens, bij zich dragende, 5kg poot maïs onder zijn jas verborgen, gaande in uitwaartse richting met bedoeling, hetzelve over de grens te smokkelen. We namen zijn naam en woonplaats op en het zakje in beslag.

Bij en Oudenburgse Sluis kwamen we in gesprek met een detachement Duitsers.

Met ± 40 man sterk waren ze met begeleiding van muziek bezig liederen te zingen.

Prachtig klonken de liederen van de zware mannenstemmen, door de stille natuur.

En als we een lied opgaven, zongen ze dat voor ons en de bekende zongen we van achter den elektrischen draad met hen mee. We brachten hen onzen dank over, namen de houding aan, wat door hen allen werd beantwoord en wensten elkaar een goeden avond toe.

We gingen huiswaarts, dicht bij ons kwartier riep ik tegen 2 fietsers. “ Halt” waar niet aan werd voldaan. Willem schoot in de lucht en de fietser viel van schrik op den grond.

A Cruyplandt van Zuiddorpe werd op den bon gezet, wegens het rijden zonder licht en niet voldeed aan het bevel van een ambtenaar.

Van morgen hadden we dienst van 8-12 uur, dezelfde route van gisteren.

Het was slecht weer, dus lang niet aangenaam om op dienst te gaan.

Van middag zijn we vrij en kunnen dien tijd besteden met het maken van procesverbalen.

16 mei 1916

Gisteravond om tien uur gingen wij op patrouille tot van morgen drie uur. Vier uur achtereen hebben we in observatie gelegen midden in de Canisvliet polder, achter een stuk rogge.

Van morgen van 10-1 uur, tijdens onze afwezigheid heeft de Commissaris van de Koningin de gemeente Zuiddorpe een bezoek gebracht.

Van middag zijn we naar villa “ Nooit Rust “ geweest waar we ons bezighielden in den tuin.

De oudjes zijn dan weer helemaal opgevrolijkt.

17 mei 1916

Dienst van gisterenavond 7-11 uur en van morgen van 8-12 uur.

Het was prachtig weer. Van middag brieven schrijven en soldij ontvangen.

In de vorm van toelage van de commiezen.

18 mei 1916

Pas zijn we van onder de wol, het is avond 8 uur en hebben fijn 6 uur gemaft.

Waarom op den dag slapen? Straks gaan we als de klok zijn 10 slagen slaat horen, in nachtdienst en hopen dan gedurende den tijd, die we in dienst zijn te kunnen waken.

Gisteren avond hadden we dienst van 4-8 uur. Den verdere dag waren we vrij van dienst.

Van voormiddag moesten we in Axel op het Militairbureau zijn.

Daar afgewerkt, gingen we opstap en kwamen bij een straatmaker terecht.

Na een poosje gekeken te hebben, nam ik ook de keihamer en begon te straten.

De opzichter vroeg mij of ik blijven wilde, waarop ik geen ja op kon zeggen.

19 mei 1916

Van 10 tot van morgen 3 uur hebben we observatiedienst gehad in de Canisvliet polder.

Het was volle maan en prachtig weer, toch waren de klavers, waarin wij lagen nat van de douw. Den gehelen nacht hoorden wij hondengeblaf en kanongebulder uit de verte, maar geen levend wezen hebben wij gezien.

In den voor middag hadden we patrouilledienst van 10-1 uur naar Oudenburgse Sluis.

20 mei 1916

Gisterenmiddag hadden we dienst van 4-8 uur naar Rode Sluis.

Van morgen van 5-9 uur op dienst geweest over dezelfde route.

Van voor middag ging ik met Willem per fiets naar Axel. Op het militairbureau ontmoette ik een dorpsgenoot Daniël Flikweert, die op Sint Andries, op de verlaten grenswacht dienst doet.

We gingen bij de familie Van den Ouden op koffiebezoek.

Naar ik vernomen heb, zijn er 13 Duitse soldaten gedeserteerd, tussen Koewacht en Zuiddorpe. Ook waren er 2 Russen overgekomen, die als Duitse krijgsgevangenen naar België waren getransporteerd om te werken, doch kans hebben gezien te ontvluchten.

Over de gehele grenslinie hoort men van overlopers. Vanavond zijn we nog op villa “ Nooit Rust” geweest, hebben den tuin gewied, bloemen water gegeven en alles keurig geharkt.

Na afloop gingen we in huis en hebben met de oudjes ons kaperken bier geklonken en gedronken. Het was ’s landswijs, ’s lands eer. Het is in middels 9 uur op den avond en zijn nog maar een ogenblik in ons kwartier.

Gaan vooraf nog even flink eten en horen Nonkel zeggen, dat hij plan heeft mee te gaan om 10 uur in nachtdienst.

21 mei 1916

Vandaag hebben we een vrije zondag

Zoals was afgesproken zou Nonkel meegaan.

Om 10 gingen we op patrouille en observeerden 4 uur in de Canisvliet polder.

Toen we verdekt lagen opgesteld ging Nonkel van ons weg en surveilleerde den omtrek af.

Den gehelen nacht was niets waar te nemen. Even na ons kwam Nonkel thuis en na een ogenblik te hebben gepraat gingen we onder de wol tot van morgen 11 uur.

Van middag ben ik naar Axel ter kerk geweest, waar men gesterkt werd naar den ziel.

Zijn laatste woorden van zijn preek waren: In Christus gestorven is eeuwig geborgen.

Uit kerk ging ik met de familie Van den Ouden naar de Oosterstraat waar ik eerst moest blijven eten. Den verdere avond, bleef ik in mijn kwartier doorbrengen.

22 mei 1916

Van morgen hadden we dienst van 4-8 uur naar Oudenburgse Sluis. Aan den elektrische draad gekomen, kwamen wij in gesprek met een Duitse schildwacht, die ons vertelde in Rusland, Servië, Frankrijk en België te hebben gestreden. 2x gewond geweest.

Hij liet ons een wonde zien, waar wel 2 vingers ingelegd konden worden.

Den gehelen dag waren ze druk aan het bombarderen.

De laatste dagen hebben de Oostenrijkers 10.000 Italianen gevangen genomen.

Den verdere dag zijn we vrij van dienst geweest tot vanavond 10 uur.

23 mei 1916

Gisteren avond kwamen we in dienst om 10 uur tot van morgen 3 uur. Vier uur achtereen in de klavers gelegen en niets gezien.

Het was donker weer en nat om op den grond te liggen.

Van voor middag van 9-12 uur op patrouille geweest en zijn vrij geweest tot 6 uur.

In dien tussentijd zijn we op bezoek geweest bij familie Gerrit Gijzels en op villa “ Nooit Rust”

24 mei 1916

Ik ben juist klaar met brieven schrijven, zodat mijn dagboek nu een beurt krijgt.

Gisteravond zijn we in dienst geweest van 6-10uur en van morgen 7-11 uur.

Den verdere dag vrij, tot van avond 10 uur.

2 mei 1916

Alleen zit ik in mijn kwartier. Willem is met een ander op dienst van 2-6 uur en ik heb avonddienst met D.J. de Jongh van Vlissingen.

Gisteravond ging ik ook met hem in observatiedienst in de Zuiddorpe polder.

Den gehelen nacht regende het, juist toen we naar ons kwartier gingen, werd het droog weer.

Van morgen had ik dienst met Rijn, van 10-1 uur.

De smokkelaars lopen op hunne blote voeten, of op touwpantoffels hebben overal hun spionnen staan, maar het is een kunst om hem te vangen.

26 mei 1916

Gisterenavond gingen we van 6-10 uur en vanmorgen van 6-10 uur op dienst.

Verder ben ik vrij tot vanavond 10 uur. Na den middag heb ik eerst mijn geweer schoongemaakt, reed daarna naar Axel om vervoersbewijzen om op 30 mei voor de rechtbank te komen in Middelburg.

Intussen nog even aangelopen bij de familie Van den Ouden en vervolgens naar mijn kwartier.

Willem is niet erg in orde en ligt den gehelen middag onder de wol.

27 mei 1916

Vannacht zijn we op dienst geweest van 10-3 uur en van morgen van 10-1 uur.

Verschillende personen werden gevisiteerd, maar hebben geen fraude bemerkt.

Van 4-8 uur hadden we dienst op de heerban richting grens.

28 mei 1916

Het is vandaag zondag. Vanmorgen hadden we dienst op de heerbaan van 7-10 uur.

Alle kerkgangers, die uit de vroegmis kwamen, moesten gevisiteerd worden.

Vanmiddag ben ik naar Axel ter kerk geweest en daarop een paar uren bij mijn kennissen doorgebracht, waar ik boterhammen moest blijven eten.

29 mei 1916

Gisteravond gingen we om 10 uur in dienst. Op 50 meter afstand van de Sterre in de nabijheid van de grens gingen we observeren. Vier uur achtereen lagen we op den grond achter een bosrand, het was koud want het douwde. Niets werd waargenomen.

Om 3 uur kwamen we terug op het aangewezen punt.

Van voormiddag hadden we dienst van 10-12 uur en van na middag van 2-6 uur.

Omstreeks 3 uur lagen we opgesteld in de nabijheid van de grens en arresteerden een persoon, genaamd Staessens uit de gemeente Lokeren, België, die onder zijn kleren verborgen had:

24 stukken harde zeep. Daarna gingen we in binnenwaartse richting.

Op een gegeven moment zeg ik tegen Willem, “Ik zie daar juist een persoon een hofstede op fietsen, dat komt mij verdacht voor.”

We gingen de hofstede voorbij, zonder acht te geven, doch ogenblikkelijk stelde ik mij verdekt op achter een hoge heg.

Intussen liep Willem door. De persoon, ingedachte dat we door gegaan waren, kwam met de fiets van het hof.

Op 5 meter van mij gekomen, riep ik “ Halt” waaraan werd voldaan, visiteerde hem en haalde van onder zijn klederen, 24 stukken harde zeep te voorschijn.

Daarna werd zijn naam opgeschreven en verklaarde te zijn Domien Minne geboren te Wachtebeke, België den 26 september 1882.

Zo doende hadden we op tijd van een half uur twee smokkelaars.

31 mei 1916

In den morgen van 30 mei reed ik ’s morgens om 4 uur uit mijn kwartier.

Dien dag moest ik voorkomen in Middelburg. Ik was juist Axel gepasseerd, toen mijn band klapte, te voet ging ik door naar het Spui, klopte de mensen op en kon na een tweede persoon te hebben gepord een fiets te huren, waarmede ik verder kon naar Neuzen, waar ik juist de boot nog had naar Vlissingen.

In Vlissingen had ik graag mijn neef Willem van de Berg, militair Torpedist officier van de G.1. bezocht, maar waren juist naar Hellevoetsluis gevaren.

In Middelburg bracht ik mijn fiets in het Militair Tehuis en kreeg een ogenblik tijd om enigen tijd te praten met Vader en Moeder Lucas.

Om 10 uur moest ik verschijnen op de rechtbank en getuigenis afleggen van de zaak van 4 maart jl. Beide vrouwen kregen een week hechtenis.

Om 11 uur kon ik gaan, reed 12.30 uur naar Goes en het duurde niet lang of ik was bij mijn An in de voorstad.

Den middag brachten we samen door met wandelen. Verder ontmoette ik mijn broer Johannes en verdere bekenden.

Den nacht bracht ik door bij de familie Schipper.

Van morgen reed ik per fiets naar Borssele, per boot naar Neuzen en verder naar Zuiddorpe, waar ik om 9 uur aankwam en zo op dienst kon gaan.

Den verdere middag zijn we vrij tot vanavond 10 uur.

1 juni 1916

Gisteravond 10 uur gingen we met ons drieën in nachtdienst, Lievense, Willem Rijn en mijn persoon. Met een omtrekkende beweging kwamen we in de nabijheid van de Sterre, op ongeveer 200 meter van de grens, waar we post namen in een sloot aan den openbare weg, of heerbaan Zuiddorpe-Sterre.

We hadden zo ongeveer drie uur gelegen, Willem had intussen grappen verkocht, al ging het dan stilzwijgend, want af en toe deed hij als of er een rat of veldmuis langs ons heen liep en moest men zich goed houden niet te lachen.

Op 2 meter van ons af, liep er een persoon voorbij, die we niet hoorden, maar zagen aankomen, omdat hij op touwen pantoffels voortliep in de richting van de grens.

Op 20 meter afstand kwam er een 2e persoon, die hem naliep in dezelfde richting.

Wij van gedachten, dat het voorlopers waren van een smokkelbende, lieten hen passeren en wachtten tot wat komen zou.

Na 5 minuten kwam er een persoon terug die ik herkende als Adolf Oudenaerde uit de Ratte, een echte smokkelaar.

Lievense was van gedachte dat ze ons hadden opgemerkt, maar was mij te vlug om op te springen, kroop uit de sloot en wij met hem gingen de smokkelaars achterna, maar waren ze ook direct weer kwijt.

We liepen een bosrand langs, haaks op de heerbaan, sprongen een sloot over en hoorden een zak vallen en weglopen en verder ook niets.

Hoe ver ze weg liepen wisten we niet, we liepen tegelijk, “ Halt of ik schiet” niemand gaf antwoord. We schoten toen een paar maal in de lucht.

Op hetzelfde moment zeg ik tegen Willem, moeten wij er aan of hun?

In dien tussentijd dacht ik ze hebben toch ook een ziel te verliezen.

Neen, zegt Willem dan, hun waarop wij gelijktijdig door de bosrand heen schoten en verder het terrein af zochten met ons zoeklicht of zaklicht, want we voelden het aan of ze nog in de buurt waren en konden ons evengoed een poets bakken, waarop niet gerekend werd.

Lievense zag er een op de bodem van de sloot liggen, waarop de persoon zeide, waarom doe je dat nu als ik nu nog een vuile Belg was zou ik niets zeggen, hij schreeuwde en kreunde van pijn. Uit de diepe sloot gekomen zagen wij dat hij gewond was.

Ook Nº-2 kwam 10 meter verder uit de sloot te voorschijn en schreeuwde als een kind.

Ik liet hem naast Willem staan, die inmiddels de gewonde zijn jas uittrok en de wonden opzocht.

Het was overal bloed op zijn goed. In middels bracht ik mijn persoon onder Lievense ’ns beheer en haalde vlug een emmer water bij een nabij zijnde woning aan de heerbaan.

Toen ik terug kwam, wasten wij de wond uit, gaf hem te drinken en werd hij door Willem verbonden met zijn verbandpakje.

In tussen werden hun namen opgeschreven en de gewonde bleek te zijn Theofiel de Wolff uit de Ratte en Nº-2 Adolf Audenaerdt.

Willem bracht met de andere smokkelaar de gewonde naar zijn huis.

Lievense ging op zoek naar een kruiwagen, terwijl ik op post bleef staan bij de twee zakken tarwe, die we daarna op de commiezenpost brachten.

Daarna gingen we, Rijn tegemoet, die al as afgekomen. Het was intussen drie uur geworden en gingen we naar ons kwartier, want onze dienst was afgelopen.

Voor ik onder de wol ging, dankten we Hem, die ons had gespaard en vroegen een zegen en herstel voor den gewonde, waarop we toen trachtten in slaap te komen.

Verder hadden we dienst van 10-12 uur en van middag van 1-4 uur.

Van de gewonden hebben we niets vernomen. Verder is er een onderzoek ingesteld van de Marechaussees uit Axel over ons. De gewonde was anders in zijn gewone leven een braaf mens.

Tussenzetsel met verwijzing naar 1 juni 1916

Alvorens ik mijn dagboek vervolg zal, wil ik even een tussenzetsel schrijven, met een verwijzing naar het schieten van 1 juni 1916.

Dat schieten van 1916 bleef mij jaren na mijn diensttijd fris in het geheugen.

Reeds in begin kwam er een stem tot mij, die zeide “ Marien vraag naar den welstand van den smokkelaar, die je heb geschoten”  Ik zeide “ Heer”, want ik voelde het, het was een stem Gods, “moet ik mij nu vernederen tegenover een smokkelaar, ik heb toch immers mijn plicht gedaan? Het gevolg was, ik ging niet naar de Ratte, Later na enkele dagen, vernam ik dat hij zijn werk weer deed.

Persoonlijk heb ik hem later nooit meer gezien als smokkelaar. Zijn vrouw heb ik dikwijls alleen ontmoet, als ik op dienst ging.

Zij heeft mij meermalen op een kop koffie ontboden, waar ik nimmer gebruik van maakte, want ik dacht, je zult mij niet vergeven, gezien den inwendige haat die ze mij toedroeg.

In tussen kwam die stem tot mij, gedurende mijn diensttijd, met de boodschap, “ Je hebt niet goed gedaan, je behoorde te vragen naar die man zijn welstand.”

Op 26 maart 1919 trouwde ik met Anna Dina Corstanje en vestigde mij te Oostburg.

Maakte daar het aangenomen Rijkswerk te Oostburg en bleef daarna te Oostburg wonen.

Het was inmiddels oktober 1922 geworden, dus ruim 6 jaar later.

Nimmer had ik gesproken van mijn zielenstrijd tegenover mijn familie, doch ook niet tegen mijn vrouw.

Waarom moest ik dat nu telkens horen, “ Marien, je hebt niet goed gedaan.”  Ik was op Zuidzande aan het straten, het was op den 16e oktober 1922 voor middag 10.30 uur, dat ik mijn hamer neer wierp en vroeg, inmiddels had in 14 dagen en nachten die inwendige stem gesproken en bij iedere steen, die ik straatte, bij iedere klap die ik gaf, zede die stem:

Je….hebt…niet….goed….gedaan.”
‘ Heer wat wil Gij, dat ik doen zal? Waarop de stem mij toeriep. “ Gaat schrijven en vraagt, naar den welstand van de man.”

Zodra ik een belofte gedaan had, werd dat onrustige van mij weggenomen en mijn hart werd vervuld met ongekende rust. Ik kon juichen en zingen.

Toen ik ’s avonds na verloop van mijn werk thuis kwam, vertelde ik tegen mijn vrouw van den voortdurende strijd en tevens mijn belofte, die ik had gedaan.

Zij verheugde zich met mij en dankten samen God voor Zijn opzoeken de liefde.

Gods liefde was zo groot, dat Hij niet een half werk maar een volkomen werkplan uitoefent.

En zo er iets niet in orde is in ons leven, moet alles worden opgeruimd.

God zij geloofd.

’s Avonds schreef ik naar Th. de Wolff te Zuiddorpe, precies den voorgeschreven toestand.

Overtuigd van mijn plicht en mijn recht, die gehandhaafd hebben, gevoel ik schuld tegenover God en U en moest in opdracht aan mijn geweten naar Uw welstand vragen.

Ik vraag U vergeving, want ik voelde mij te groot, mijzelf te vernederen en was bang U te ontmoeten.

Juist de vernedering speelde mij parten, terwijl ik was overtuigd van mijn plicht.

Wat was den uitslag?

Den 19 oktober 1922 kreeg ik al een brief terug, die ik woordelijk zal overschrijven.

Zuiddorpe, 19 oktober 1922. 

Geachte Vriend,
Dinsdag je brief ontvangen en daarom onzen oprechte dank. Je schrijft nog eens over dat schieten van 1916. Ja dat was een raar geval, gelukkig niet erg. Na 10 dagen was ik hersteld.
Je schrijft dat je mij nooit heb wezen opzoeken en dat het beter geweest ware als je dat wel gedaan had.
Daar heb je wel een beetje gelijk in, maar het is nu eenmaal zo en niet anders.
Je schrijft ook dat je denkt dat ik je daardoor vijandschap toedraag, neen denk dat niet, want dan heb je het mis.
Vijandschap komt op mijn program niet voor. Maar weet je wel vriend Wandel, dat het mij zeer aangenaam is te zien, dat je aan mij nog denkt.
Je vraagt de hand ter verzoening, wel nu, zeer graag reik ik u de hand van ware vriendschap, ook mijn vrouw doe zulks, hoewel die in het eerst kwaad op je was.
Laat ons vrienden zijn en blijven, ik wilde zelf dat ik je persoonlijk eens kon spreken.
En nu wat anders Vriend. Mijn vrouw zegt, dat ik je moet vragen of je daar met je vrouw in Oostburg woont, of wel, of je nog niet getrouwd ben.
Ook zie ik op je adres, aannemer.
Indien dat zo is, dat je aannemer bent, wie weet of je mij dan van geen werk zou weten, bij een maand of zo.
Ik hoop een antwoord terug te krijgen, hoe eer, hoe liever en nogmaals reiken wij u de hand van ware vriendschap.
Laat alles vergeten zijn en wees hartelijk gegroet van ons allen.
Th. de Wolff en vrouw en kinderen
Als jij ook een vrouw hebt, doe haar dan ook de groeten.
Je bent me dan wezen opzoeken, kom mij nu eens met je vrouw opzoeken, laat het ons dan weten. Wij verwachten antwoord en hierbij stuur ik je postzegels terug.
Wees nogmaals gegroet en tot ziens, Uw vriend Th. de Wolff.

Dat was de bevestiging op mijn belofte, reeds in het begin kwam die ongekende rust, maar thans dien hartelijke brief.

Voor dien tijd sprak ik wel eens over dien bewusten nacht, doch had geen vrede.

Thans kan ik er met voldoening over spreken.

Ik was overtuigd van mijn plicht, die ik had gedaan.

Maar had nog een andere plicht te vervullen, die ik verzaakte.

Heerlijk is het wanneer we gehoorzamen in den Heiland Jezus Christus, dat brengt ons vrede.

Moge allen, die deze woorden gelezen hebben, een toevlucht te nemen tot Hem, die elke overgegeven ziel, brengt in de vreugde des Heeren.

3 juni 1916

We hebben het gisteren zo druk gehad, dat we nergens geen tijd voor hadden, ook niet om in mijn dagboek te schrijven.

Gisterenmorgen hadden we dienst van 7-11 uur en ’s middags van 4-8 uur.

Van morgen van 4-8 uur en van avond gaan we in avonddienst van 8-12 uur.

De laatste 2 patrouillediensten ben ik met Wagenaar naar Oudenburgse Sluis geweest.

Aan den Elektrischen draad gekomen, zagen wij vreemde gezichten die wij nog niet hadden ontmoet. Ook de uniformen waren geheel anders, want alle posten hadden een Manchester bruin pakje aan.

Ik begon met een schildwacht een praatje, vroeg waar ze vandaan kwamen en waarheen de oude of vorige manschappen waren.

Hij gaf mij ten antwoord dat ze ongeoefende Landstormen waren, waaronder ook actief gedienden, van geboorte Wurtemberg uit de omstreken van Stuttgart.

We konden deze mannen niet zo goed verstaan als de vorige.

Toch waren het aardige jongens van de leeftijd variërende tussen de 20 en 30 jaar.

Van morgen namen we een vliegmachine waar, vliegende in de uitwaartse richting van onbekende nationaliteit.

Van voor middag kwam ik op het Militair bureau te Axel.

De detachement commandant vroeg of ik de gevreesde was, van Zuiddorpe, waarop ik bevestigend antwoordde.

Hij gaf ons een pluimpje omdat we zo goed waren opgetreden en ontving inmiddels enig nieuw ondergoed en andere benodigdheden.

Van middag gingen we naar Moeder Rozeke van villa “ Nooit Rust” zij vierde heden haar 77e verjaardag.

Met ons huisgezin mochten wij ons verheugen in den huiselijke kring, want het oude mens spreekt altijd van haar zeuns en wij zeggen altijd Moeder.

De druivenwijn, die ze zelf gemaakt had was precent.

Ook de koekjes waren op het appel. We hadden er een ogenblik een gelukkig samenzijn.

Inmiddels is het nu 8 uur op den avond en moeten ons gereed maken om op dienst te gaan.

Met ons drieen gaan we weer in nachtdienst, Lievense, Rijn en mijn persoon.

4 juni 1916

Den vrijen zondag is bijna ten einde. Zo even ben ik uit Axel gekomen, waar ik ter kerk ben geweest en den avond heb ik doorgebracht bij de familie Van den Ouden.

Gisterenavond zijn we op dienst geweest van 8-12 uur.

Den gehelen nacht hebben we niets ontmoet, maar hoorden immer door het kanongebulder dat de laatste dagen niet van de lucht is.

De laatste berichten melden ons dat IJmuidense vissers een zeegevecht hebben waargenomen op de Oostzee, waarbij 5000 Engelse krijgsgevangenen waren gemaakt en wederzijds vele schepen verloren gingen.

5 juni 1916

Vanmorgen had ik dienst met Johan de Bel van 4-8 uur. Het weer was slecht.

Vanmiddag had ik alleen dienst, langs Dievenhuisjes en Overslag. Aan de grens kwam ik in gesprek met de Duitsers, er was een schildwacht bij met een oog.

Het waren Westfalers, die ik nog al aardig goed verstond. Intussen werd mij een sigaret gepresenteerd. Na mijn diensttijd ging ik mijn vrienden een bezoek brengen.

6 juni 1916

Nog een ogenblik heb ik den tijd, want straks als het tien uur slaat, gaan wij in nachtdienst.

Vanmorgen had ik dienst van 6-10 uur en verder vrij tot 10 uur vanavond.

Na ons geweer in orde te hebben gebracht, want het had den gehelen dag geregend, gingen we een paar uurtjes maffen.

7 juni 1916

Vanaf gisteravond 10 uur tot vanmorgen 3 uur hebben we met ons drieën in de Zuiddorpe polder in observatie gelegen.

Het was koud weer en den grond nat van de vele regen.

Niets werd van smokkelaars gezien, alleen zagen we zware regenwolken en het flikkeren van de bliksem.

Van 9-12 uur voor middag hadden we dienst in de Zuiddorpe polder en heerbaan.

In mijn vrije uren hebben we de oudjes van villa “ Nooit Rust” een bezoek gebracht.

We dronken er ons kopje koffie en gaf ik hun een foto vanuit den tijd, toen ik was ingedeeld bij de Oranjejagers, zie 5 mei 1914.

Men kan de oudjes nergens meer genoegen mee doen dan hun een ansichtkaart te sturen van de een of andere plaats.

9 juni 1916

In den avond van 7 juni ben ik van 4-8 uur op dienst geweest. In den voormiddag gingen wij naar Axel en waren sinds 5 juni in onderhoud bij het Detachement Infanterie 4e Compagnie Regiment Bataljon. De vorige manschappen zijn naar Vlissingen, waar het gehele 14e Regiment bijeen komt en marcheren vandaar naar Brabant.

In den middag ging ik van 1-5 uur en vannacht ook van 1-5 uur op dienst.

Van middag had ik dienst van 1-3 uur en zijn vrij tot vanavond 10 uur.

Het is de laatste dagen altijd maar regen. Ook vannacht regende het 4 uur achtereen en het kanongebulder houdt de laatste dagen ook niet op.

10 juni 1916

Vannacht hebben we van 10-2 uur op patrouille geweest en van voormiddag van 10-12 uur, maar niets werd waargenomen.

Vanmiddag ben ik vrij tot vanavond 7 uur en zoek mijn tijd door te brengen met schrijven.

Het weer is een beetje verzacht. Van voormiddag was het regen en onweer.

Gelukkig is het nu droog weer, zodat we een goeden avonddienst tegemoet gaan.

Willem is om zijn meisje, die hier op Zuiddorpe er in ons kwartier haar Pinksterverlof komt doorbrengen.

12 juni 1916

In den avond van 10 juni hadden we dienst van 7-11 uur. Gisteren morgen ook van 7-11 uur.

Gisterenavond van 8-1 uur en van morgen van 8-11 uur.

Straks gaan we naar Goes want morgen moeten wij voorkomen in Middelburg in zake F. Leijgens voor verboden uitvoer.

14 juni 1916

Een paar dagen zijn voorbij gegaan.

In den morgen van 12 juni reisden wij, waaronder Willem met zijn verloofde van Axel naar Neuzen per trein en van daar per boot naar Vlissingen.

Daar ging een stevige bries, zodat de golven overboord sloegen en velen zeeziek werden.

Van Vlissingen reden we per trein naar Goes, waar ik mijn An in goeden welstand ontmoette.

Den gehelen avond bleef ik in den huiselijke kring en zongen een lustig lied. Buiten regende het den gehelen avond. Den anderen morgen reden we naar Middelburg en verschenen om 10 uur op de rechtbank.

Aan station Goes ontmoette ik mijn broer Johannes en vonden gelegenheid een ogenblik met elkaar te spreken.

Om 11.15 uur waren we klaar op de rechtbank en gingen met den trein van 12.30 uur naar Goes terug. In Middelburg sprak ik nog even mijn oude vriend H. de Valk, uit mijn geboorteplaats.

Den verdere dag bracht ik door met mijn geliefde. ’s Nachts sliep ik bij Rijn, want wij moesten den andere morgen vroeg op stap.

Van morgen 5.30 uur reden we per fiets van Goes naar Borssele en verder per boot naar Neuzen, vandaar verder per fiets naar Zuiddorpe, waar wij ons bij aankomst hebben verkleed.

Op verschillende plaatsen stond alles blank van de vele regens, die we aanhoudend krijgen.

Vanmiddag heb ik verschillende brieven te beantwoorden.

Volgens de laatste berichten, slaan de Russen er goed door op het Oostelijk front.

De Oostenrijkers en Hongaren verliezen de laatste dagen veel manschappen en officieren, hub getal is al over de 100.000 gestegen.

Op 12 juni heeft een Duitse schildwacht zich opgehangen aan den draad, toen hij met den stroom in aanraking kwam, trad onmiddellijk den dood in.

Hij was drie maal aan het front geweest en was negen keer gewond.

Nu was het weer zijn beurt naar het front te gaan, doch had vooraf bekend gemaakt, liever hier te sterven, dan aan het front.

Een andere post, die het vertelde aan onze soldaten, werd 14 dagen in de provoost gestoken.

15 juni 1916

Gisterenavond 11 uur ging ik met Willem in nachtdienst tot vanmorgen 4 uur.

We hebben circa 4 uur in observatie gelegen, hadden twee blauwe Infanterie- jassen aan en een zak om op te liggen. Het was koud weer en het regende den gehelen nacht.

We kwamen drie patrouilles tegen, Marechaussees uit Axel, Soldaatcommiezen uit Zuiddorpe en Sas van Gent.

Van morgen hadden we drie uur dienst van 10-1 uur op heerbaan en zijn vrij tot 6 uur.

Ons verlof dat we hadden aangevraagd voor 17-18 en 19 juni is toegestaan.

In mijn vrije uren ben ik naar Axel gereden om vervoerbewijzen.

16 juni 1916

Nog 4 uur op patrouille en onze dienst is weer ten einde en we gaan dan met verlof.

Gisterenavond gingen we van 6-10 uur en vanmorgen van 7-11 uur op dienst.

Van middag zijn we van 1-3 uur op dienst geweest.

17 juni 1916

Van gisterenavond 10 uur tot vannacht 2 uur hebben we geobserveerd in de nabijheid van de Sterre.

Van 12 tot 2 uur werd er hevig gebombardeerd met zware kanonnen.

Toen we van onze patrouille thuis kwamen, maakten we ons gereed voor verlof.

Om 3.30 uur reden we per fiets naar Neuzen, waar we 5.30 uur van wal voeren naar Borssele.

Vandaar reden we per fiets naar Goes, waar ik bleef tot 9 uur en mij voorzag van een goed maal eten.

Op de Grote Markt in Goes stond aangetreden het 3e Bataljon Infanterie van het 3e Regiment, om op mars te gaan naar Noord-Brabant.

De vorige dag waren onze kameraden doorgekomen, 3-III-Bat 14 Regiment Infanterie.

Om 9 uur reed ik per fiets naar Katseveer en verder per boot naar Zierikzee.

Om 11 uur voor middag mocht ik allen in goeden welstand weerzien.

Den verdere dag en avond bleef ik bij Moeder thuis.

21 juni 1916

Er zijn enige dagen voorbijgegaan. Mijn verlof is weer ten einde.

In den namiddag van 19 juni verliet ik weer het ouderlijk huis en begaf mij naar Goes, waar ik den avond in gezelschap van mijn meisje doorgebracht.

Dien zelfden avond moest ik ook haar verlaten, want ik was besloten bij mijn vriend Rijn te slapen, ten einde in den vroege morgen van 20 juni samen per fiets naar Borssele te rijden, wat dan ook is gebeurd.

Om 9 uur kwamen wij in ons kwartier aan, verkleedden ons zelf en gingen van 10-2 uur op dienst.

We hadden patrouilledienst naar Overslag. Bij de dievenhuisjes kwamen we in gesprek met een Duitse schildwacht, die goed Hollands sprak en voortijds als schippersknecht had gevaren op Holland.

’s Middags gingen we van 4-8 uur op dienst en vanmorgen ook van 4-8 uur.

Vandaag zijn we den gehelen dag vrij tot vanavond 9 uur.

Vanmorgen gingen we naar Axel en vanmiddag naar onze kennissen op het dorp.

Onze verlofdagen zijn weer teneinde. Gedurende dien tijd, mocht ik mij verheugen om in goeden welstand met ons huisgezin samen te zijn.

Men is zo oprecht gelukkig de verlofdagen door te brengen bij Moeder en Anna.

Maar dan komt er weer een einde aan en moeten weer gaan naar de plaats waar Vaderland ons roept om onzen dienst met liefde en plicht te vervullen en God, die over ons waakt, zal ons geleiden op alle wegen, die we te gaan hebben.

22 juni 1916

Gisterenavond gingen we 9 uur op dienst, tot vannacht 2 uur. Vanmorgen van 9-12 uur en vanmiddag van 2-6 uur.

Aan Oudenburgse Sluis kwamen we in gesprek met een Duitse officier.

De laatste dagen moet er nogal peper gesmokkeld worden en het komt mij voor, dat er een aardig winstje op te halen is, want de Duitsers betalen er 65 francs voor de Kg.

23 juni 1916

Vanmorgen om 8 uur gingen we op patrouille langs de grens naar Oudenburgse Sluis, ter hoogte van de Lippenspolder zagen we een koe over de grens komen, gevolgd door een jongen.

We vroegen de jongen van wie die koe was, en zei toe te behoren aan een Belgische boer.

De jongen was direct verdwenen en namen daarop de koe in beslag.

Op Zuiddorpe aangekomen, stond de eigenaar van de koe, zijn beest op te wachten.

Na onderzoek bleek dat de koe was uitgebroken en geen fraude werd gepleegd.

Om 12 uur hadden we einde van de dienst en zijn vrij tot 7 uur vanavond.

Toch hebben we veel schik gehad, terwijl Willem Rijn met het beest hals over kop aan de haal ging.

Liep ik met twee geweren over den schouder, aan iedere kant een en gierde het uit van pret als Willem weer een gekke sprong moest maken.

24 juni 1916

Gisterenavond hebben we van 7-12 uur op patrouille geweest en vanmiddag van 9-12 uur.

Van middag zijn we vrij tot vanavond 10 uur. En kunnen kennissen opzoeken.

Terwijl we onzen dienst deden van voor middag 9-12 uur hadden we zwaar onweder.

Volgens de laatste berichten zijn de Russen door de Oostenrijkse en Hongaarse linies gebroken.

De Oostenrijkers hadden grote verliezen.

Op het Westelijk front moesten de linies bij Verdun aangevuld worden met Engelse troepen.

26 juni 1916

Een zaterdagavond gingen we nog van 10-3 uur in dienst en zondagmorgen van 10-1 uur en ’s avonds van 5-8 uur, als ook van morgen van 5-8 uur en ben nu vrij tot vanavond 4 uur.

Gisteren was het in Zuiddorpe grote Processie. Dat was voor ons Protestanten een eigenaardig gezicht.

Nadat eerst een gang over den bedeweg werd gedaan, ging het vervolgens over de Dorpsstraat naar de Kapel, die tijdelijk stond opgesteld, midden in de Dorpsstraat, rechts van de woning van de pastoor.

Wij stonden met vijf soldaten bij de gemaakte Kapel, toen de stoet vorderde over sierlijke bloemen. Al hoewel het vreemd was, maakte dat toch een diepen indruk op mij.

Op een gegeven ogenblik bereikte de Pastoor het Kapelletje en begon de gehele schare te knielen.

Wij stonden toen nog met vier soldaten rechtovereind. Het deed vreemd aan, als ook voor de Parochianen van het grensdorpje, dat wij niet mee knielden en men kon het dan ook van hun blikken zien, dat zij dat brutaal vonden, wat ook aan te nemen is, want zij kenden geen Protestanten en ook ons was het vreemd.

Toch eerbiedigde ik hen. Dominicus de Jongh, een van onze wapenbroeders, stak er den draak mee en had dan ook maar een paar woorden nodig om de zaak aan het lachen te brengen, wat hem toch niet gelukte ditmaal.

Want ofschoon het van beide kanten vreemd was behoorde men een ander te eerbiedigen in het geen hem heilig is.

Nieuws valt er niet voor, dan iedere dag veel regen en het zware gedreun van de kanonnen van het Westelijk front, die we dagelijks horen brommen.

27 juni 1916

Ik zou nog niet kunnen zeggen mijn dienst zit er op voor vandaag, want vanavond gaan we om 11 uur in nachtdienst tot morgenochtend 4 uur.

Gisterenavond gingen we van 4-8 uur en vanmorgen van 4-8 uur en vanmiddag van 12-3 uur op patrouille en zijn nu vrij tot vanavond 11 uur.

Gisteren avond hadden we bij de familie Gijzels, metselaar te Zuiddorpe, op het 25 jarig bruiloftsfeest gemoeten, maar de dienst liet zulks niet toe, zodat we vanmiddag zijn heen gegaan.

Gisterennacht zijn er op Rode Sluis twee Duitsers over den Elektrischen draad gekomen, die werden opgepikt door een patrouille van Koewacht.

De Duitse soldaten hadden eerst een hoop patronen verschoten en gaven de beide schildwachten gelegenheid om over den draad te komen.

Van morgen toen ik met een Duitse schildwacht sprak, geboren Baden, vroeg ik hoe komt het dat je kameraden zo weinig te zeggen hebben? Hij vertelde ons, dat het Pruisen waren en zij er blijkbaar niet goed mede konden opschieten.

Hij klaagde dat hun officieren zulke ezels waren en dat ze steeds, wanneer ze 4 uur gerust, 2 uur moesten op post staan en om de 2 dagen moesten arbeiden van voor middag 7-1 uur en van 1-5 uur. En tussendoor op post staan, immer, immer.

Als die draad daar niet stond, zouden er meer overkomen, zeide hij.

Het eten dat we krijgen is schaars en 1 of 2 maal in de week een heel klein stukje vlees.

Het is bij ons niet goed kameraad!

En ware hij niet afgelost geworden, dan zou hij nog meer hebben gebiecht, maar de nieuwe aflossing kwam en ook wij gingen verder op patrouille.

Er viel veel regen van morgen, ik hoop dat het vannacht beter gaan zal.

28 juni 1916

Gisteren gingen we met ons drieën in observatiedienst bij grenspaal 304, van 11-4 uur, maar niets werd waargenomen. Om 4 uur van morgen kwamen we in ons kwartier en sliepen tot 12 uur.

Van middag hadden we dienst van 2-6 uur benevens op het postkantoor, waar wij postpakketten moesten nazien. Een postpakket met margarine namen wij in beslag, omdat het niet was gedekt door een binnenlandspaspoort.

Zoeven, het is nu acht uur, werd een spion in ons kwartier gedragen, die door de marechaussees was opgepikt en onwel was geworden.

Ik had al direct in de gaten, dat het een smoes was, omdat hij niet verbleekte, maar kleur had.

Terwijl de Wachtmeester zich blijvend in het onwel geworden mens trachtte bij te brengen, vroeg ik den Wachtmeester verlof, en meteen voor den spion staande, vroeg ik den wachtmeester, mag ik hem een watje kou ( opstoppen ) geven?

Waarop de spion zichtbaar schrok en zijn ogen opende.

Dat hij direct genezen was laat zich begrijpen en geboeid ging het naar Axel om opgebracht te worden.

30 juni 1916

We zijn meestal op het eind van de maand genaderd, hoe menigmaal heb ik den laatste dag van de verstreken maanden in mijn dagboek opgeschreven en hoe vele malen nog?

God zij gedankt dat we tot op heden nog in leven zijn wanneer we ons hem toe vertrouwen zal, Hij zal over ons waken.

De laatste 2 dagen heb ik geen tijd gehad om een en ander op te schrijven.

Gisteren morgen gingen we van 6-10 uur op dienst en waren vrij tot ’s avonds 7 uur.

’s Middags om één uur reden wij per fiets naar Zaamslag, waar we een zendingsfeest bezochten en veel mochten vernemen van de Heerlijkheid Gods en de armoede in Christus van Mohammedanen en Heidenen.

Ook de Wereldoorlog bleef in de gesprekken niet achterwege.

’s Avonds gingen we van 7-11 uur op patrouille. Ook vanmorgen gingen we van 7-11 uur op dienst en zijn verder vrij tot vanavond 9 uur.

Den vrijen middag brachten we in Axel door bij kennissen en verder reservatie inleveren op het bureau.

Van middag las ik in de courant dat er nog 1000 ( één duizend ) soldaten aan de grens worden geplaatst, als buitengewoon commies, zodat het aantal soldaatcommiezen dan tot de 3000 ( drieduizend ) zal stijgen.

1 juli 1916

Een nieuwe maand zijn we weer ingetreden. De tijd gaat door met rassé schreden.

Iedere dag dezelfde dienst.

Gisterenavond gingen we met ons vieren in nachtdienst van 9-2 uur.

Met ons tweeën gingen we in observatie bij grenspaal 304, terwijl de andere mannen zich verdekt hadden opgesteld bij grenspaal 303.

Den gehelen nacht lagen we stil, doch niets werd waargenomen, het is of de smokkelaars geesten zijn die onzichtbaar de grens overgaan of onzichtbaar patrouilles controleren.

Om een uur stapten we op en onhoorbaar slopen we naar het eindpunt van onzen dienst.

In de nabijheid van grenspaal 303 hoorden we een hond aanslaan van een Belgische boer.

Ook werd met licht gewerkt, intussen schreden we langs het sparrenbos onhoorbaar verder zonder iets waar te nemen.

Om 2 uur kwamen we bij onze kameraden en vroegen elkander wat we in het terrein bespeurd hadden.

Daarna begaven we ons naar onze kwartieren en het duurde niet lang of we sliepen en dachten aan geen smokkelaars meer.

Toch gebeurt het vaak wanneer ik ’s avonds of ’s nachts iemand aanroep met “ Halt, Wie daar?” dat ik zulks in mijn slaap herhaal. “ Halt, of ik schiet!”

Van morgen van 10-1 uur moest ik alleen op dienst. Om reden dat Johan Bel, geboren van Kattendijke, waar ik de hele week mee op dienst ben geweest, van morgen met verlof is gegaan.

Vanavond gaan we met ons drieën in dienst van 8-12 uur.

Den gehelen middag ben ik vrij en heb den tijd voor schrijfwerk.

3 juli 1916

De zondag is ook weer zoals andere dagen voorbij gegaan.

Voormiddag was ik pas om 11 uur van onder de wol, omdat ik den vorigen avond in nachtdienst was geweest.

’s Middags reed ik ter kerk in Axel, waar ik bleef tot ’s avonds 7 uur.

Van morgen ging ik met D.J. de Jongh, geboren te Vlissingen, op dienst van 4-8 uur.

Aan den Oudenburgse Sluis gekomen, zagen wij een persoon binnen 50 meter van de grens, die doelloos rond liep.

We namen zijn naam op en hij verklaarde te zijn, Edemond Janssens, geboren 9 februari 1893 te Westdorpe, Zeeland.

Vanmorgen zowel als zaterdagavond hoorden we bij het zachte weer het donderen van het geschut onafgebroken door, vanuit de richting van de IJzer.

4 juli 1916

Voordat ik in nachtdienst zal gaan wil ik nog even in mijn dagboek schrijven.

Het is wel duister, maar toch kan ik het niet vergeten. Straks wanneer de klok van de kerktoren zijn 10 slagen laat horen, gaan we met ons drieën in nachtdienst( observatiedienst ).

Het is slecht weer, want het regent den gehelen avond.

Gisterenavond zijn we van 6-10 uur en van morgen van 8-12 uur op dienst geweest.

Deze namiddag waren we van 2-5 uur op patrouille en arresteerden een persoon, die  binnen de verboden zone liep van de grens.

De vorigen dag was hij ook al gewaarschuwd.

Vandaag ontving ik een pakje aardbeien met een brief van huis, wat heel dankbaar werd aanvaard en dat gezamenlijk in ons kwartier werd opgegeten.

Op den middag ging ik naar een nieuw gebouwde hofstede in het dorp, waar ik straatwerk had aangenomen waar ik mij in mijn vrije uren mee bezig kan houden.

Uit de courant vernamen wij dat de Engelsen over een 18 kilometer lang front 1500 meter waren vooruit gegaan.

Het kanongebulder is dan de laatste dagen ook niet van de lucht, maar gaat onverwijld voort.

5 juli 1916

Vanmorgen om 3 uur kwamen we terug in ons kwartier van patrouille. Nimmer heb ik zo’n geheimzinnigen nacht mee gemaakt als nu.

We lagen op 15 meter afstand van grenspaal 303 aan de Sterre. Eerst hoorden we geblaf van honden, later het miauwen van katten, weer later geluiden van vogels, fluisterend praten, kloppen op ruiten, met lichten seinen geven, enzovoort.

We lagen dat met ons drieën maar af te kijken, doch tenslotte konden wij opstappen, want niets kwam opdagen. Al hoewel het toch allemaal tekens waren van smokkelaars.

Om 2 uur stapten we op en gingen naar het punt van einde, daar aangekomen hoorden we praten als van dronken kerels.

We gingen direct in verdekte stelling om af te luisteren.

Ze waren nauwelijks gepasseerd en fluisterde Korporaal J. Wagenaar van Kloetinge in;

Dat zijn 2 Duitse deserteurs, sprong gelijktijdig op en riep, “ Halt”.

Ze keken om en begonnen het op een lopen te zetten.

Wagenaar loste 5 schoten in de lucht en al hoewel we er de benen inzetten, waren ze ons te vlug af. Het bleek wel dat ze meer in een kogelregen waren geweest, ze droegen burgerkleding en hadden geen wapens bij zich.

Van voor middag ben ik aan het straten geweest en heb maar kunnen maffen tot 8 uur.

Van middag ga ik van 3-7 uur op patrouille naar Rode Sluis.

6 juli 1916

Straks gaan we weer samen in avonddienst van 8-12 uur. Van morgen gingen we van 7-11 uur op patrouille en waren vrij van 11 uur voor middag tot 8 uur na middag.

Van middag heb ik een koeienstal bestraat. Ook gisteravond, toen ik om 7 uur terug keerde, straatte ik nog van 8-10 uur.

Op het ogenblik deunen de kanonnen onophoudelijk vanaf het IJzerfront.

Er schijnt weer een grote bedrijvigheid aan den gang te zijn.

Toen we van morgen aan Rode Sluis kwamen waren we getuige van een verplaatsing van een Duitse grenswacht naar een andere plaats.

Ze waren hier 6 weken geweest. Den op post staande schildwacht vertelde mij dat hij uit Hamburg geboortig was. Op hetzelfde moment kwamen grote transporten brood aan, van uit ons land met bestemming naar België, gedekt door cognossement ( vervoersbewijs ) , welke werd doorgevoerd door de doorlating post van de Duitsers.

Een Duitse officier met enige soldaten namen het kwantum brood in ontvangst en waren tevens behulpzaam.

7 juli 1916

Gisterenavond gingen we van 8-12 uur op patrouille. Het liep zoal tegen 12 uur dat we tussen grenspaal 303 en Zuiddorpe op eens een persoon van achter een boom zagen verschijnen.

Jammer dat we hem niet zagen aankomen, anders hadden we hem laten passeren.

Toen ik hem aan riep, stak hij onmiddellijk zijn pijp aan. Dus verwekte dat bij ons een groot vermoeden dat hij een voorloper was van een smokkelbende.

Na hem gevisiteerd te hebben, vroeg ik of het al 11 uur was, om reden ik een truc wilde uithalen, “ Ja “ zei hij, “ het is bijna 12 uur” Toen zeide ik tegen Rijn, “laten we dan vlug door gaan” We stapten ogenblikkelijk op en stelden ons 100 meter verder op en bleven liggen.

Weer kwam een persoon voorbij, die we lieten gaan.

Een poos later weer een, die we lieten halt houden en visiteerden, doch zonder resultaat.

Heel de zaak was verkeken door de eerste ontmoeting.

Van morgen hadden we weer dienst van 8-12 uur. In de nabijheid van de Sterre, stelden we ons verdekt op.

We hadden zo ongeveer een half uur gezeten en zagen twee mannen per fiets naderen, waar uit ik een persoon herkende van jl. 3 juli, die ik op Oudenburgse Sluis in de nabijheid van de grens had bekeurd.

Maar bij gedane onderzoek, bleek dat hij mij een verkeerde naam had opgegeven.

Ik liet hem rechtsomkeert maken, ging naar mijn kwartier waar ik mijn fiets haalde en reden samen door den Ouden Polder naar Westdorpe.

In de nabijheid van de Sterre ± 5 á 600 meter de grens raakt, vroeg mijn gevangenen, “ Wat zou je doen, als ik er over fietste:” Ik zeg, “ Probeer zulks niet, want ik schiet je ogenblikkelijk neer”  Nogmaals probeerde hij mij om in een café een glas bier te gaan kopen.

Niets baatte hem. In Westdorpe aangekomen begaf ik mij naar het gemeentehuis, waar ik van de burgemeester de gewenste inlichtingen kreeg en het bleek alras dat voornoemde Edemond Janssens nu Alfred Johannes Celis werd genoemd, geboren 10 januari 1893, van beroep veldarbeider en wonende te Westdorpe.

Het zal er nu voor hem niet zo mooi uit zien.

Van middag gingen we weer straten en straks gaan we weer op patrouille van 5-9 uur naar Rode Sluis.

8 juli 1916

Zoals ik geschreven heb gingen we gisterenavond naar Rode Sluis, aan den elektrischen draad zagen we een hond hangen, die daarmede in aanraking was gekomen.

We gingen naar een schildwacht en vroegen waar ze vandaan kwamen.

Hij vertelde dat de gehele bezetting uit Hamburg kwam.

Vanmorgen gingen we ook van 5-9 uur op patrouille en zijn verder vrij tot vanavond 6 uur.

Den middag brachten we door met straten.

9 juli 1916

Gisterenavond hadden we dienst van 6-10 uur. Nu echter gaan we in nachtdienst van 10-3 uur.

Van morgen gingen we van 10-1 uur op patrouille.

Om 2 uur zat ik in Axel ter kerk. Daaruit gekomen begaf ik mij naar de familie Van den Ouden, waar ik verder den avond doorbracht.

Het kanongebulder schijnt vandaag geen einde te nemen, geen tussenpozen zijn waar te nemen.

10 juli 1916

Ik zal me nog eens even neerzetten om enige letters in mijn dagboek te schrijven.

Vannacht zijn we weer op dienst geweest van 10-3 uur, we hadden observatie tussen grenspaal 303 en 304, maar niets kwam in onze nabijheid, wat we hoorden was enkel het gebrom van de kanonnen.

Ontzettend is er gebombardeerd uit de richting van Gent.

Van voor middag hadden we dienst van 10-12 uur en van na middag hebben we onzen tijd doorgebracht met straten en straks ga ik met Lievense op patrouille van 8-12 uur.

12 juli 1916

De laatste twee dagen ben ik steeds voor middag en na middag van 8-12 uur op patrouille geweest, doch niets werd van smokkelaars waar genomen.

Ik geloof dat de smokkelhandel wel een weinig getemperd is met het aanschieten van die persoon op 1 juli jl.

Van middag zijn wij met de gehele commiezenpost op de plaat vereeuwigd, als aandenken aan het vertrek van onzen dienstgeleider Olyslager die tijdelijk wordt gedetacheerd te Elspeet, Gelderland. Gelijktijdig zijn we in ons kwartier ook gefotografeerd.

Nonkel in gemeente politie-uniform, tante midden in, het nichtje van de familie, Martha Weterings van Zuiddorpe en wij Willem Rijn en mijn persoon aan weerszijden van de familie Hemelsoet.

Van avond gaan wij van 6-10 uur op patrouille naar Rode Sluis.

Wat ik hier neerschrijf is en blijft een persoonlijke zaak, wat ik in een woord wil neerschrijven. Droefheid

14 juli 1916

Het was gisteren te druk om in mijn dagboek te schrijven, dus voor middag hadden we dienst van 6-10 uur en na middag van 12-3 uur op de heerbaan.

We weden gecontroleerd door den Heer Inspecteur van Terneuzen.

Om 11 uur ’s avonds moesten we weer op patrouille, maar gingen vooraf maffen tot 10 uur.

Precies om 11 uur stapten wij gekleed met 2 overjassen met schaapzak op den rug naar onzen observatie post, in de onmiddellijke nabijheid van de Sterre, achter een hooimijt op het erf van een bekende smokkelaar, Pieters.

Het stortregende. We hadden dienst van 11-4 uur. Om 3 uur kropen wij uit onzen schaapzak en patrouilleerden vervolgens langs de grens.

Op een gegeven ogenblik hielden wij een persoon aan, dien wij zijn naam vroegen, waarop hij verklaarde te heten, Johannes Dieleman, geboren te Axel op 5 augustus 1877.

Toen wij zijn naam opschreven zei hij, “ ik ben toch geen dief of moordenaar?”

Maar dat hielp hem niet, want alleen zijn verschijning op zo’n ongewoon uur kwam ons verdacht voor.

Op onzen terugweg ontmoetten wij nog 2 patrouilles, een uit Overslag en een uit Zuiddorpe.

In ons kwartier aangekomen, begaven wij ons spoedig onder de wol.

Van na middag ben ik op onderzoek geweest naar Axel, waar mij bekend werd, dat voornemens persoon een valse naam had opgegeven, zodat we nu een nader onderzoek moeten instellen.

15 juli 1916

Van morgen om drie uur waren we al van onder de wol en om 4 uur reden we per fiets naar Axelsesassing op onderzoek.

Verschillende personen haalden we uit bed, maar zonder……..resultaat.

Enkelen waren zenuwachtig bij het zien van een soldaten patrouille.

Op den terugweg reden we eerst bij de familie M. van den Ouden aan te Axel.

Ik betaalde daar f 10,00, tien gulden voor een paar nieuwe  schoenen, die de huisbaas voor mij had gemaakt.

Om 8 uur kwamen we in ons kwartier aan.

Van 11-3 uur gaan we weer op patrouille en om 4 uur gaan we met verlof, tot in den avond van 18 juli.

19 juli 1916

Enige dagen zijn voorbij gegaan, dagen van strijd. Maar mijn Heer heeft het ons ten beste gekeerd en daarom kunnen we Hem onzen dank brengen en ons knus blijmoedig dragen, dat ons is opgelegd.

Terwijl anderen ons geluk ons wilden ontvremen, Lieve An, mochten we weer hechter en inniger ons verheugen in ware trouw en liefdes blijheid.

In den middag van 15 juli reden we om half vier uit ons kwartier naar Terneuzen.

De boot was laat uit Vlissingen aangekomen, zodat we pas om kwart na zeven te Borssele aan wal stapten. Na een uur gereden te hebben, kwam ik  bij de familie Schipper op Kloetinge aan.

Waar ik allen in blakende welstand mocht weerzien. Het was zaterdagavond en ik bleef den zondag in gezelschap van mijn meisje doorbrengen.

Het was lang geleden dat ik den zondag in haar bijzijn mocht doorbrengen, maar we verheugden ons in elkanders bijzijn.

Om 9 uur stond ik maandagmorgen op Katseveer met bestemming naar Zierikzee.

Daar ontmoette ik mijn oudsten broeder, die op weg was naar Nieuw- en Sint Joostland om zijn werk te gaan maken.

In Zierikzee aangekomen stond mijn broer Leen aan de wal om mij af te halen en zo reden we samen naar de ouderlijke woning, waar ik al mijn geliefden mocht weerzien.

Des na middag ging ik met Vader naar het hof van Romijn te Ouwerkerk, om een baan uit te steken voor de bestrating.

Den anderen dag bezocht ik mijn familie en kennissen en des na middag om 2 uur vertrok ik met zus Helena naar Zierikzee, die mij tot dusver vergezelde.

Na allen afscheid te hebben genomen, ging het weer via Katseveer naar Goes, waar ik afscheid nam van mijn An. Aanvankelijk hadden we plan om 5 uur te vertrekken, maar W. Rijn kon maar moeilijk van zijn meisje afscheid nemen. Zodat we pas om 8 uur van Kloetinge vertrokken per fiets naar Hansweert, waar we om half tien aan wal stapten met bestemming naar Walsoorden, waar we om half drie aan wal stapten.

Van daar reden we naar Hulst, waar we op de markt in een café een glas bier ledigden en voort peddelden naar Zuiddorpe waar we precies om half twaalf in ons kwartier aan kwamen.

Het duurde niet lang of we lagen onder de wol en maften dien nacht 5 kwartier in een uur.

Om 6 uur ’s morgens waren we weer van onder de wol en om 7 uur gingen we op patrouille naar Dievenhuisjes bij Overslag, waar we in gesprek kwamen met de Duitse schildwachten.

Van middag gaan we van 3-7 uur op dienst.

20 juli 1916

Van morgen gingen we van 7-11 uur op patrouille naar Rode Sluis, daar aangekomen, vernamen we dat op 18 juli een Duitser was gaan deserteren.

Juist met het overgeven van brood aan de draad.

De plaatselijke Officier was woedend, maar er was niets aan te doen. Hij was en bleef op Hollands grondgebied en voorzag zich van een burgerpakje en kon vrij rondlopen, want een patrouille was niet aangewezen om hem op te pikken.

Hij vertelde dat hij eens per week een klein stukje vlees kreeg en twee maal per dag eten.

Een paar dagen te voren waren te Koewacht ook twee over de grens gekomen.

Van middag zijn we vrij van dienst en vannacht gaan we in observatie van 10-3 uur.

21 juli 1916

Onze dienst is weer ten einde. Zojuist zijn we teruggekeerd van patrouille.

Het is 6 uur in den avond. In het dorp maakten we kennis met zeven nieuwe hulpcommiezen.

Het zijn allen Landstormers, die aangekomen zijn ter versterking van onzen commiezenpost.

Het zijn allemaal Zuid-Hollanders, uit de omgeving van Dort en Rotterdam.

Vannacht zijn we van 10-3 uur in dienst geweest.

Ruim 4 uur lagen we in observatie op een stuk bouwland, tussen aardappelvoren.

Niets werd waargenomen, alleen het hinderlijke blaffen van een hond, van een in de nabijheid staande boerderij.

Het was prachtig weer en maan en sterren bleven niet achterwege.

Om 9 uur voor middag stonden we op, en verrichten vandaag dienst van 10-1 uur en van na middag van 2-6 uur.

Alvorens we nu gaan maffen, zullen we eerst twee brieven schrijven aan onze geliefden, die ook weer met verlangen er naar uit zullen zien.

22 juli 1916

Het was vanmorgen al vroeg dag. Om 2 uur waren we vanonder de wol en van 3-7 uur gingen we op patrouille naar Rode Sluis. Vanmiddag kregen we er een nieuwe kameraad bij, die we het terrein moesten leren kennen en we hadden dienst van 1-5 uur in den Ouden Polder

Op den terugweg visiteerde ik een vrouw, genaamd: Sanderina de Clerck, huisvrouw van Theofiel Roelandt, geboren 25 oktober 1876 te Overslag, Wachtebeke ( B ), thans wonende te Overslag, Zeeland, die verborgen onder haar rokken vervoerde, 2 flessen slaolie, waarvan uitvoer verboden was.

In mijn kwartier lag een brief uit mijn oud kwartier te Kruiningen, inhoudende: Den besten welstand. Het doet mij goed, blijde tijding van hen te ontvangen.

23 juli 1916

De zondag is bijna ten einde en ook mijn dienst is voorbij.

Vanmorgen van 8-11 en van na middag van 1-4 uur in de Zuiddorpe polder en Dievenhuisjes bij Overslag. Daar kwamen we in gesprek met de Duitse schildwachten.

De 1e schildwacht kwam uit Wiesbaden en vertelde dat hij 4 broeders in den Krieg had. Zelf had hij in Rusland en Frankrijk gestreden.

Een ieder onzer kreeg een nieuwe kameraad om dienst te doen, teneinde hen in verschillende dingen te onderhouden.

Er is ook een nieuwe commies bij gekomen, in de plaats van Olyslager.

Nieuws valt er niet te melden. Ook horen we de laatste dagen niet meer schieten. Het is wel iets stiller geworden in het Westen. God geve dat er spoedig vrede komen over alle volkeren der Aarde. Want vrede, men kan het niet begrijpen, hoe schoon dat woord is en hoe verschrikkelijk oorlog.

Op U Heere zullen wij vertrouwen. Geef ons vrede op aarde, maar bovenal eeuwigen vrede opdat we eenmaal mogen juichen voor den troon der genade. Dan zal alles huppelen van vreugde, geen krijgsgeschrei zal dan meer worden gehoord, geen volkeren zullen dan tegen elkaar meer opstaan. Neen, dan zal er rust zijn.

Ons vertrouwen is op U. Heere, nog een bede. Wees onze Koningin en Haar huis en ons dierbaar Vaderland nabij en dat wij, mannenbroeders, aan wie de plicht wordt opgelegd om onzen dienst te doen, die met ijver mogen betrachten, opdat het woord “ Je Maintiendrai “ Ik zal handhaven, niet beschaamd wordt.

24 juli 1916

Ik kan niet zeggen mijn dienst is afgelopen vandaag, want vanavond moet ik op dienst met P. de Jong, geboren te Rotterdam, van 10-3 uur. Het is nu 4 uur op den middag en ga straks nog maffen.

Den gehelen middag ben ik aan het schrijven geweest van 2 procesverbalen en ander dag een van 22 juli en een van dezen morgen, onder ander gaven we een bekeuring aan Magdalena van Goethem, geboren 21 januari 1900, dochter van Franciskus Edemondes van Goethem en Nathalie Bracke, geboren te Wachtebeke ( B ), thans wonende te Zuiddorpe. Oude Polder, die tussen haar buste verborgen had, 8 stukjes toiletzeep, die wij in beslag namen.

Deze dame was zo opvallend gewelfd dat het onze aandacht trok.

Na overgave, behoorde ze tot de slanke lijn.

Nu er 7 stuks soldaatcommiezen zijn bijgekomen te Zuiddorpe, evenzo op alle andere grensplaatsen, worden er ook meer patrouilles in het veld gezien.

25 juli 1916

Het is bijna 9 uur op den avond. Zojuist klaar met eten, want van na middag van 4-8 uur ben ik alleen op patrouille geweest, als ook van voor middag van 10-1 uur, omdat de 7 nieuwe wapenbroeders hun eed moesten afleggen in Terneuzen aan de Inspecteur van de Belastingen.

Zoals ik reeds gisteren schreef, gingen wij van 10-3 uur in nachtdienst. Het was prachtig weer, mijnkameraad was een buitengewoon lang mens, flink postuur, van de lichting 1912.

Zo gingen we dan, de langste en de kleinste soldaat op patrouille, te midden door de Zuiddorpe polder, kruisten de Vrouwstraat en gingen vervolgens naar den Hogendijk.

Daar aangekomen, legden we ons in het lange gras en observeerden daar tot 2 uur.

Ik moest steeds mijn kameraad wakker houden, want hij had veel slaap.

We lagen tussen het lange gras verscholen met 2 blauwe infanterie jassen aan, doch niets werd waargenomen.

Om 2 uur marcheerden we op. Aan de Sterre gekomen, hoorden we een verdacht geluid en legden ons ogenblikkelijk tegen den grond. Gelijktijdig sprongen er 2 mensen achter ons op, riepen, “ Halt” waarop ik rechtsomkeert in den aanslag liet volgen, Slaat”

Ik zag direct dat we tegenover een eigen patrouille stonden. Korporaal Wagenaar meende dat wij smokkelaars waren. Mijn kameraad riep” Ha-a-a-alt !” en was geheel ontdaan. Toen we dan ook op ons kwartier aangingen vroeg ik of hij geschrokken was, waarop volgde in echt Rotterdams; Marien, ik was op mijn dood !” Ik zei ja Piet, daar sta je iedere nacht aan bloot, maar zo krijg je wel tegenwoordigheid van geest om vlug, maar kalm te handelen.

Zorg echter dat je op zo’n moment nooit je haan van je spuit over haalt.

Ziezo ik ga nu eindigen en kruip vlug onder de wol, want om 2 uur vannacht moet ik er weer uit om van 3-7 uur op patrouille te gaan.

26 juli 1916

Ook deze dag is weer ten einde. Van morgen van 3-7 uur en van middag van 11-3 uur ging ik op dienst met Karel Onwijn, geboren te Dordrecht. We krijgen nu allemaal een nieuwe kameraad.

27 juli 1916

Van morgen ging ik weer met Onwijn op patrouille van 6-10 uur en van middag van 8-7 uur.

Toen we van morgen op onzen terugweg waren, hielden we 2 vrouwen aan, die beiden in het Politieblad vermeld stonden.

We brachten hen op en maakten Proces verbaal.

Beide vrouwen hadden reeds maanden geleden gesmokkeld, maar hadden zich tot nu toe niet op Hollands grondgebied begeven.

Voor de 1e maal echter liepen ze in de val, onder andere Mathida Bracke en Célina Colpaert, geboren te Wachtebeke, België.

Op 21 juli waren er te Overslag 10 Duitse soldaten, waar onder een officier gaan deserteren.

Volgens de berichten komen er dagelijks velen over de grens.

Van morgen kreeg ik een brief van mijn broer Johannes, die mij aan staande zaterdag D.V. een bezoek hoopt te brengen, wat voor mij en hem zeer aangenaam zal zijn, daar hij nog nooit aan de grens is geweest.

28 juli 1916

Op onze patrouilles kunnen wij het best met elkaar vinden, mijn kameraad Onwijn is een vrolijke jongen. Wanneer we dan ook in onze vrijen tijd in het kwartier zitten, ( hij is ingekwartierd, bij de familie Anth. Gijzels ), dan zingen we een vrolijk  lustig lied, als ook een psalm, gezang of geestelijk lied, en dan komen de gedachten aan het Ouderlijk huis sterk naar voren en het doet ook goed aan hen te mogen denken. Het geeft ons moed om trouw te zijn in de uitoefening van onzen dienst.

Van morgen gingen we van 7-11 en van 3-7 uur op dienst.

Zo gaat het iedere dag, mijn God, hoelang nog aan de grenzen? Op Hem is mijn vertrouwen, want Hij zorgt voor mij.

29 juli 1916

Het is 5 uur in den namiddag en om vier uur was mijn dienst achter den rug tot maandagmorgen 7 uur, zodat ik fijn een zondag vrij van dienst ben.

Om 3 uur vanmorgen ging ik met Onwijn op patrouille in de richting van de Sterre.

Onderweg stelden we ons verdekt op aan de Heerbaan. Na ruim 2 uur geobserveerd te hebben, meenden we het geronk te horen van een stoomfiets en zouden tegelijk opspringen.

We zagen echter iets anders. Wat het dan wel was. Een prachtige Zeppelin, Duits luchtschip, hing majestueus in de vorm van een grote sigaar in de lucht.

Direct stelden we ons vizier op een grote afstand en schoten op het reusachtige monster.

We hadden ieder 10 schoten gelost en zagen het luchtschip draaien in Zuid Oostelijke richting, daarna hoorden we nevenpatrouilles schieten.

Schildwachten in Axel en de kanonnen uit Terneuzen vuurden op het grote dier, dat na enkele ogenblikken de grens was gepasseerd en in veilig land was.

Van middag brachten we Adolf Oudenaerde naar den dienstgeleider, omdat hij zich niet aan lijfvisitatie wilde onderwerpen.

Van hem werd procesverbaal opgemaakt. Het zal hem nu wel duidelijk worden gemaakt.

31 juli 1916

Het is nu precies zo laat dan toen we op de terugreis, na een mars van 42 kilometer door een ordonnans de tijding ontving, dat Nederland mobiliseert.

Twee jaren zijn voorbij gegaan en nog is er geen vooruitzicht in het einde van den Wereldoorlog. Nog steeds hoort men van den morgen tot den avond en zelfs gehele nachten het altijd durend kanongebulder.

En wat is de houding van Nederland? De Nederlandse “ Land en Zeemacht” blijft nog steeds “ Paraat”. Het blijft een voortdurende spanning. Wij hopen echter dat het bij een Mobilisatie blijft, En danken God voor Zijn bewarende hand over ons Vorstenhuis, Land en Volk.

En mijn bede blijft, laten wij getrouw mogen blijven in de roeping die ons is opgelegd.

Op U is mijn vertrouwen.

In den avond van 29 juli is mijn broeder Johannes nog in Zuiddorpe aangekomen en van morgen vertrokken.

Zondagmorgen gingen we naar de grens en maakten kennis met de Duitse schildwachten.

’s Middags begaven we ons naar Axel ter kerk en legden nog enkele bezoeken af bij mijn vrienden in de Oosterstraat en ’s avonds bij de vrienden op Zuiddorpe.

Wat hem het meest aantrok was de familie Van Mossevelde op villa “ Nooit Rust” .

Van morgen bracht ik hem op den goeden weg, even buiten Axel naar Terneuzen en moest toen afscheid nemen, want van 7-11 uur moest ik op patrouille.

Vanavond ga ik op dienst van 6-10 uur met Jan Heskens uit Den Haag. ( een echte zenuwpatiënt, die altijd met zijn ogen knipt, De Haagsche Post in zijn buitenzak van zijn overjas draagt, menende dat hij dan in volle uitrusting is uitgedost. Met de pijp tussen de tanden, die zijn vrouw altijd voor hem stopt of vult.

1 augustus 1916

Voor 2 jaren was het een grote opkomst van soldaten en thans is nog alles gemobiliseerd.

Veranderingen hebben geen plaats. De gevechten op de verschillende fronten gaan met hardnekkigheid door.

Ook bij ons is nog alles hetzelfde; geregeld hebben we onze patrouillediensten.

Van morgen kwamen we aan de grens tussen 6-10 uur en ontmoetten weer nieuwe Duitsers, 60 man waren er weer bijgekomen.

Van middag ben ik met W. Rijn aan het rogge snijden geweest. En dat is een feit, als men soldaat is leert men van alles. Zo even toen ik in mijn kwartier kwam mocht ik van huis weer goede tijding ontvangen, wat altijd weldadig aandoet.

2 augustus 1916

Vannacht gingen we van 10-3 uur op patrouille door de Zuiddorpe polder. Om 11 uur werden we aangeroepen door een eigen patrouille.

Van 12-2 uur observeerden we achter een boerderij van Guusje van Himme, maar namen niets waar in het terrein. Toen het tijd werd, keerden we naar ons kwartier terug.

Van morgen gingen we van 9-12 uur op patrouille en waren vrij tot 6 uur.

Dien vrijen tijd hebben we weer met straten doorgebracht.

Om 3 uur hoorden we het geronk van een vliegmachine ( tweedekker ), hoog in de lucht, geheel buiten schot vliegende in de richting van Gent.

Straks gaan we van 6-10 uur op patrouille.

3 augustus 1916

Nader vernam ik omtrent de vliegmachines, dat een vliegeskader van 18 stuks een gevecht heeft geleverd boven Sas van Gent en Philippine

Gister namiddag omstreeks 4 uur is er aan den Oudenburgse Sluis een 21 jarige Duitser in militaire kleding over den elektrischen draad gekomen. Direct werd hij voorzien van een burger pakje en loopt nu vrij rond. De jongeman was van Verdun, Frankrijk komen lopen en had er zes dagen over gedaan. Geld bezat hij niet, alleen nog wat rauwe aardappelen, waar hij het leven bij heeft gehouden.

2 knopen van zijn uniform heb ik als aandenken in mijn bezit genomen.

Van morgen gingen we dan van 7-11 uur op patrouille en van na middag van 4-8 uur.

4 augustus 1916

Het is bijna 3 uur op den middag en het zal niet lang meer duren of ik lig onder de wol, want vanavond moet ik van 9 tot morgenochtend 3 uur in dienst.

Vanmorgen van 4-8 uur en was verder vrij. Van voormiddag ben ik aan het straten geweest bij boer ‘d Hert te midden in het dorp, Zo gaan onze dagen voorbij, vandaag dit en morgen weer wat anders.

5 augustus 1916

Gisterenavond 9 uur gingen we op patrouille. Het was goed weer maar het waaide hard en het was dan ook al donker toen we uitgingen.

Onhoorbaar liepen we voort door de smalle zandweg, langs bos en veld, links de Liniedijk welke de Nederlands- Belgische grens scheidt. Nabij grenspaal 305 stelden we ons op in een daar in de buurt staand sparrenbosje. Om 3 uur moesten we weer op het punt van einde zijn, zodat we 3 á 4 uur konden observeren. Stil lagen we naast elkaar, geen woord werd gespreken in die 4 uur. Links van ons zagen we de Duitse schildwachten nu en dan hun grote zoeklichten draaien wanneer ze vermoeden dat onraad opdaagde.

Voor ons het donkere sparrenbos en rechts veldgewas. Nu en dan liet een ster zich zien, maar de betrokken lucht verhinderde zulks veel.

Omstreeks 12 uur hoorden we iets naderen; een duw tegen den arm van mijn nevenman was genoeg. We zeiden niets en lieten hen naderbij komen, nog steeds tijd genoeg.. Op één meter afstand hielden ze stil en bleven op ons kijken. “ Patrouille van Zuiddorpe” zei ik, want ik zag dat het ook een patrouille was. Even spraken we met elkander en vernamen van hen, dat ze van Westdorpe waren uitgezonden.

Daarna verdwenen ze en wij bleven stil op onzen post. Om half twee stapten we op en om 3 uur arriveerden we zonder wat verdachts te hebben gezien, op het punt van einde.

Van morgen gingen we van 10-12 uur op dienst en mijn kameraad Heskens is weer uitgediend. Vanavond van 7-11 uur moet ik met Onwijn op dienst.

Den gehelen namiddag heb ik doorgebracht met straten, wat zeer aangenaam aan doet, want men is helemaal in gedachte dat men in den burgerstand is.

Ik zal ophouden met schrijven, want mijn hospita vraagt me om te gaan eten.

6 augustus 1916

Gisteravond ging ik met Onwijn van 7-11 op patrouille, precies op tijd kwamen we op het eindpunt aan.

Het was al aardig donker geworden, maar zagen toch een persoon rechts van ons en hem aanroepende, bemerkte ik dat het Onkel Sampêtre was, die ook terug keerde van surveillance.

Te samen gingen we naar huis. Aan ons kwartier gekomen, hoorden we leven in de omgeving van de schoolstraat. Onkel ze; “ Marien, haal je even de sleutel van de voordeur? Dan ga ik even zien, wat daar gebeurd.”

Toen ik weer aan de voordeur kwam, hoorde ik een groot leven. Ik begaf mij direct achter de kazerne om naar de plaats, waar ik dacht dat Onkel het met een paar smokkelaars te doen had.

Het was evenwel een wielrijder, die juist zijn fiets voor de Sampêtre wierp en daarna zich uit de voeten maakte. Ik zeg tegen Onkel; “ Wil ik schieten? Neen, zei hij.

Maar ik heb zijn fiets” Wij brachten die in huis. Inmiddels zette ik ook mijn geweer weg.

Toch was ik niet voldaan en begaf mij weer naar het dorp en stelde mij verdekt op, achter een dikken boom. Onkel kwam mij achterna. Ik was echter ongewapend en zei tegen Onkel;

“ Ik hoor iets aan komen:” Tegelijk sprong ik bovenop hem en samen overmanden wij hem, namen hem mee naar ons kwartier waar ik de sleutel van de provoost haalde.

Gelijktijdig was onze gevangene mee naar binnen gegaan. Nu ging het achterwaarts de voordeur uit, naar buiten met hevig verzet. Hij probeerde zijn lange benen achter mijn benen te slaan, om mij te laten vallen, wat hem echter niet gelukt. Ik was hem daarbij te vlug af, want in één sprong. Zat ik bovenop hem, maakte een korte zwenk en wierp hem op de grond.

Bij deze gelegenheid wierp hij beide benen naar boven, die ik tegen mijn ogen kreeg, ik haalde daarbij een paar blauwe ogen, pakte met zijn geweldige kracht mijn beide armen, doch Onkel wierp zich nu met zijn zware lichaam bovenop hem, waarop ik ontzet werd.

En drukte die tegen den grond. Gelijktijdig greep ik hem bij de keel en wierp zich bovenop hem met de knie op de borst en nu lag hij als vastgenageld. Het duurde wel een kwartier voor hij zijn naam zei. In de eerste ogenblikken regende het vloeken. Ik kneep hem de keel toen zo vast dicht, dat er anders niet gehoord werd dan rochelen; toen nam ik de andere hand mijn zaklantaarn en bemerkte wat al te hardhandig te zijn geweest, want zijn ogen puilden uit hun kassen en hij was geheel blauw.

Nonkel, die circa 60 jaar oud is, was ook van geen klein geruchtje vervaard.

Zijn naam gaf hij op als Victor. G. de Letter, geboren in ( B ) in 1890 en wonende te Koewacht. Toen hebben wij hem vrijgelaten, na vooraf van anderen, die we uit bed gehaald hadden, zekerheid gekregen hadden dat het werkelijk V.G. de Letter was.

Van morgen gingen we van 7-10 uur op dienst. Den middag brachten we door onder het gehoor van Gods woord. Ds. sprak uit Handelingen 16, vers 25-36.

Uit de kerk gekomen begaven we ons naar de familie Van den Ouden, waar we een paar gezellige uurtjes mochten doorbrengen. Het is nu bijna 7 uur op den avond en ga nog een paar uur slapen, want mijn dienst is nog niet ten einde.

Vannacht gaan we in dienst van 10 tot morgenochtend 3 uur.

7 augustus 1916

Het is weer avond. Op mijn gemak zit ik in mijn kwartier in mijn dagboek te schrijven en daarna zal ik nog enige brieven schrijven naar geliefde betrekkingen.

Den dienst is weer ten einde. Vandaag, den gehelen middag ben ik vrij van dienst, alsook in den toekomende nacht.

Om 3 uur vannacht kwamen we van dienst terug, zonder iets te hebben waargenomen.

Den gehelen nacht hebben we in observatie gelegen.

Om half 2 kwam er een wielrijder voorbij, die we niet aanriepen, omdat we dachten dat het wel een voorloper kon zijn.

Om 2 uur passeerde ons een patrouille, die we stilletjes lieten gaan.

Om half vier uur lag ik onder de wol en hoorde 4x achtereen schieten. Later vernamen wij, dat een patrouille van Axel een aanslag hebben gehad.

De laatste dagen hebben de soldaatcommiezen aanslagen te boeken.

Op Overslag hebben ze 2 nachten achtereen een aanslag gehad.

Van voormiddag ging ik met Onwijn van 10-12 uur op dienst. Gedurende dien tijd kwamen we in gesprek met een paar marechaussees van Axel, die het geval van De Letter als bekend scheen en mij vertelde, dat zij dien persoon bij dag gewapend links lieten liggen.

Het was een gevaarlijke brievensmokkelaar, die meermalen door de Duitsers was beschoten, waarbij zulk een beschieting zijn Oom het leven verloor.

En ook ongunstig bekend stond bij de Hollandse militairen. Nu wist ik pas, dat onze Compagnie commandant ons had meegedeeld, wanneer die persoon aan je post komt, behoef je geen “ Halt” te roepen, behoef je geen Halt te  roepen, maar kun je hem zo neerleggen.

V.G. de Letter was een vogelvrijverklaarde.

8 augustus 1916

Vanmorgen had ik kantoordienst aan grenspaal 304, van voormiddag 6 uur tot namiddag 2 uur, dus 8 uur achtereen.

Toezicht bij het overladen van granen van Belgische boeren die hun vruchten op Hollands gebied hebben.

Van middag ging ik met De Jong van Rotterdam op patrouille van 4-8 uur.

Zojuist ben ik in mijn kwartier gekomen en zal nu eerst eens flink eten, want ik kan goed merken, dat ik een zware dienst achter den rug heb.

9 augustus 1916

Vanmorgen om 5 uur gingen we op patrouille, om 7 uur waren we druk aan het  schieten.

We stonden juist tussen grenspaal 302 en 303 met een patrouille van Overslag en richten een levendig vuur af op twee vliegmachines, die hoog door de lucht naar België vlogen.

Overal in het terrein hoorden we geweervuur van schietende patrouilles.

De na middag brachten we door met straten. Rijn was mij behulpzaam, daar hij ook vrij was.

Vanavond heb ik dienst van 8-12 uur in de omgeving van Oudenburgse Sluis.

11 augustus 1916

Het is bijna 9 uur op den avond, mijn dienst is al ten einde, maar voor ik onder de wol wil gaan, zal ik nog even mijn dagboek vervolgen.

Gisteren voor middag verrichtte ik mijn dienst van 8-12 uur, na middag van 4-8 uur en vandaag van morgen van 7-11 en na middag van 4-7 uur, doch geen fraude bevonden.

Vanavond heb ik mijn uitrusting eens flink nagezien, want als het morgenochtend 4 uur slaat op de klok van de kerktoren, hoop ik met Rijn op onze fietsen te zitten, ten einde met verlof te gaan tot 15 augustus aan staande.

16 augustus 1916

Het is in den namiddag. Alleen zit ik in mijn kwartier en kan mij een ogenblik bezig houden mijn dagboek bij te werken. Het sloeg twaalf uur vannacht, dat wij in ons kwartier aan kwamen, terug van verlof. Onze verlofdagen zijn ten einde. Jammer dat ze weer voorbij zijn, zeggen we wel eens, want het is altijd aangenaam, die dagen in den huislijks kring, van ouders en mijn meisje te mogen doorbrengen.

Ik mocht allen in goeden welstand ontmoeten.

Den 12e augustus reden we ’s morgens om 4 uur uit ons kwartier per fiets naar Terneuzen, vervolgens met de boot naar Borssele en vandaar per fiets over Goes naar Katseveer.

Daar aangekomen, ontmoete ik mijn Vader met broer Leen, die den terugweg gingen naar huis, komende van hun werk te Nieuw- en Sint Joostland, waar ze hun werk klaar gemaakt hadden. Gezamenlijk gingen we aan boord van de Provinciale boot naar Zierikzee.

En vandaar verder per fiets naar huis, waar we om elf uur voor middag aan kwamen, en allen in blijde stemming mochten weerzien.

Den 14e augustus, bracht ik een bezoek aan mijn familie L. Wandel te Noordgouwe.

Den 15e augustus nam ik afscheid van ouders, broers, zusters en kennissen en aanvaarde den terugweg. Om half 7 stapte ik op de fiets en riep allen weer een “ tot weer ziens toe” zo God wil, Om 9 uur kwam ik in Goes, waar ik met mijn geliefde den verdere dag te samen mocht doorbrengen, alsook enige uren samen zijn met de familie Schipper op Kloetinge.

Om 8 uur moesten we tegen ons zin afscheid nemen van onze geliefden. En wat konden we anders zegen dan “ Tot weerziens, lieve An”

Per fiets reden we naar Hansweert, toen aan boord om over de Schelde te varen naar Walsoorden en vandaar via Hulst naar Zuiddorpe, waar we vlug onder de wol gingen.

Om 7 uur ging ik met C. de Snoo, uit Hendrik Ido Ambacht op patrouille tot 9 uur.

Vervolgens waren we vrij tot vanavond 10 uur en gaan dan tot morgenochtend 4 uur in observatiedienst. Straks ga ik nog een paar uur maffen om vannacht fris man te zijn.

Het kanongebulder was vanmorgen ontzettend.

De Landstormlichtingen 1916 en 1910 zijn onder de wapenen geroepen.

17 augustus 1916

Mijn dienst zit er weer op vandaag. Gedurende onzen nachtdienst passeerden ons 2 patrouilles, tussen 11 en 1 uur vannacht, die we stilletjes lieten gaan. Van 11-1 uur hadden we dienst en bekeurden; Eliza Aarts, echtgenote van Joseph Reynebeau, geboren 10 november 1877 en wonende Ouden Polder gemeente Zuiddorpe, die onder haar kleren verborgen had: 1kg koffiebonen, 1kg zachte zeep en een ½kg harde zeep.

Een poosje later, bekeurden we Anna van Vooren, dochter van Jebrina Cruyplant, oud 10 jaar, geboren 21 juli 1906 en wonende te Zuiddorpe, die onder haar kleren vervoerde; 6 dozen, elk inhoudende, 4 stuks zeep. De kleine meid was van haar Moeder gestuurd en had een melkkan in haar hand, tevens een telegram, dat ze moest brengen bij een boer in den Ouden Polder.

Bij onderzoek bleek het echter geen waarheid te bevatten,

Doch worden kinderen op die manier van hun ouders er op uit gestuurd om met smokkelwaar de grens over te gaan.

Is het niet treurig???

Van middag gingen we van 2-6 uur op patrouille en kunnen vannacht weer op ons wolletje maffen.

19 augustus 1916

Het is nog maar 8 uur in den morgen en ik zit op mijn gemak in mijn dagboek te schrijven.

Den dienst voor van morgen is al afgedaan, van 3-7 uur ben ik met De Snoo, waar ik de laatste dagen mee op patrouille ben geweest, ook nu uitgegaan.

Gisteren morgen hadden we van 7-11 uur dienst en des na middag van 3-7 uur.

Op de heerbaan nabij grenspaal 303 visiteerden wij een wagen van den heer Ch. De Mul-Coene uit Westdorpe, die bestuurd werd door zijn knecht Gustaaf Puts, geboren 18 februari 1888 te Zevenzeke België, thans wonende te Westdorpe.

Bij onderzoek bleek, dat er achter in den wagen een kist, inhoudende 25 pakjes cichorei en een doos onder een der kisten verborgen was, die zonder gedekt te zijn door een geldig document in uitwaartse richting werd vervoerd.

We namen de zaak in beslag en keerden er mee naar Zuiddorpe terug.

Zo even ben ik aan het schrijven geweest van proces-verbalen.

Op onze patrouille heb ik anders niets gezien dan 5 andere patrouilles, bestaande uit 2 man, die zich langs de grens in het veld voortbewoog of in observatie lagen.

Indien ik gisteren thuis geweest was, had ik op een trouwpartij aanwezig kunnen zijn, van mijn Vaders jongste zuster, maar helaas.

20 augustus 1916

Nog maar een poosje ben ik van onder de wol. Het is nu zondagmiddag 1 uur. Het was vanmorgen half 5 uur dat ik in mijn kwartier terugkeerde van nachtdienst.

Om 10 uur gisterenavond gingen we met 2 patrouilles in nachtdienst en observeerden 5 uur achtereen in den Zuiddorpe polder- zuidelijk deel. We lagen in linie op enkele 100 meters uit elkaar.

Het was lichte maan en we konden goed het terrein overzien, waarop ik in het midden bracht nog een uur extra dienst te doen.

De Bel met zijn nevenman zouden de Schoolstraat afzetten.

Waarop ik De Snoo vroeg of hij bang was.” Neen, zede hij” Ik zeg; “ Kees, dan ga jij daar op post staan” Ik gaf hem consignes, die eerste beste persoon die van het Kerkhof komt, laten passeren, alsook de 2e , want ze zullen velddienst doen met veiligheidsmaatregelen, minstens zo goed, zo niet beter dan de soldaten zelf. Ik zeg; nu zal ik naar mijn kwartier gaan, de voordeur van slot, 2x omdraaien en daarna sluiten, hen in de waan brengen, dat wij terug van dienst zijn.

Want ze zullen denken, dat ik met Willem Rijn samen op dienst ben, waarop ze ons afloeren vanaf het Kerkhof, dat grenst aan ons kwartier.

We waren dus goed afgesproken en ik deed intussen zoals afgesproken was.

Na het slot van den binnenkant te hebben omgedraaid, stapte ik vlug naar boven en riep “ Willem, we maken kans op een rijken buit” Waarop hij zei; “ Laad mijn geweren maar”

Levens vlug dat zulks gebeurd was, stond hij naast mij en overhandigde ik hem zijn spuit.

Ik zeg; “ Willem, zodra er Halt! Geroepen wordt, vliegen we van achter ons kwartier naar den schildwachten en hebben dan buit”.

We hoorden haltgeroep en renden naar de heerbaan, waar wij zagen, dat De Snoo den spion van het Kerkhof had aangehouden, in plaats van te laten passeren.

We zagen en herkenden in den voorloper, die met zijn fiets en op zachte pantoffels van het Kerkhof was gekomen. De bekende voorloper Frans Pieters, uit de omgeving van de Sterre.

Waarop hij tot ons zei:” Marien, Willem, als jullie daar hadden gestaan, dan waren wij er aan geweest” Waarop ik vroeg; Frans, met hoeveel waren je?” Waarop hij zei; “ met 17 man, ieder met een zak van 50kg graan”.

De Snoo was erg zenuwachtig, zat hij de voorloper had aangehouden in plaats van de bende zelf in de rug aan te vallen, zoals ik hem had gezegd.

We gingen terug naar ons kwartier, gaven De Snoo consignes voor de volgende patrouille uit de Schoolstraat, die per fiets het terrein moesten verkennen en gingen zelf met een omtrekkende beweging de Zuiddorpe polder in observatie.

De Snoo was weer bij ons gekomen, zag iets aankomen en riep “ een vent met een zak op den rug” ( nog zenuwachtig )

Gelijktijdig gaven we een schot in de lucht en toen bleek het dat hij een eigen patrouille had aangehouden.

21 augustus 1916

Gisteravond keerde ik om 6 uur uit Axel op terugweg naar mijn kwartier.

Den na middag mocht ik doorbrengen onder het gehoor van Gods woord. Na kerktijd begaf ik mij naar de familie Van den Ouden, waar ik nog een paar gezellige uren mocht doorbrengen.

Van 7-10 uur ging ik alleen op dienst alsook van morgen van 6-10 uur.

Vanmiddag heb ik een bezoek gebracht bij mijn kennissen op Zuiddorpe en vanavond ga ik met Onwijn op patrouille van 6-10 uur naar Oudenburgse Sluis.

22 augustus 1916

Het is middag half 2 uur. Voor 2 jaar werd op ditzelfde tijdstip een telegram ontvangen in het Garnizoen Middelburg, dat het II Bataljon 14e Regiment Infanterie op moest rukken naar de grenzen van Zeeuws-Vlaanderen.

Thans zijn 2 volle jaren voorbij gegaan en nog duurt den oorlog met verwoestende kracht voort. Dagelijks horen we het gedonder van kanonnen van het Westelijk front, miljoenen soldaten zijn gesneuveld op het slagveld van Europa en nog altijd staan wij Hollandse soldaten, gereed om op te rukken wanneer een mogelijke vijand het durft wagen, onzen Vaderlandse bodem aan te vallen. God verhoede het! Hij geve dat het bij den vrede moge blijven. Mocht de vijand toch komen, dan met God voor Koningin Vaderland . Met het devies van onze Voorvaderen volharden in onzen duren plicht van het “Jemaintiendrai” of “ Luctor et Emergo” Ik zal handhaven en Ik worstel en kom boven.

Ook nu zullen wij onzen plicht vervullen aan de grens en Hij zal ons bij staan, want die zijn plicht verzaakt is zonder God.

Vanmorgen gingen we van 6-10 uur op dienst en vanavond gaan we van 10-3 uur in nachtdienst.

Den na middag zijn we vrij van dienst.

23 augustus 1916

Gisteren middag ben ik met Willem aan het straten geweest en om 10 uur gingen we op patrouille. We verkenden eerst het Kerkhof of we mogelijk werden bespioneerd.

De gehelen nacht hoorden we niets en kwamen zonder buit in ons kwartier.

Om 9 uur vanmorgen gingen we weer op dienst tot 12 uur.

Van 3-7 uur gingen we weer op patrouille en vannacht van 2 tot morgenochtend 6 uur.

24 augustus 1916

Om 1 uur stonden we vannacht op den vloer en gingen om 2 uur op dienst.

We observeerden in de nabijheid van de grens. Niets werd waargenomen in het terrein, alleen hoorden we in de verte het gedreun van de zware kanonschoten.

Den gehelen voor middag ging ik met Willem Rijn straten, want we waren samen op dienst geweest. Om 3 uur gingen we met ons drieën op dienst. Rijn, De Snoo en mijn persoon en keerden terug om 7 uur in onze kwartieren.

Op het oorlogsterrein is nog alles in vollen gang. Op zee staat het ook niet gematigd.

De Engelsen kapen alle onze haringvissen op de Noordzee, die op neutraal gebied hun werk doen. Volgens het dagblad “De Zeeuw” bevinden ruim 1100 vissers zich Engelse bodem.

Onze Regering protesteert er ernstig tegen.

Wat de vluchtelingen betreft: is het op het ogenblik anders gesteld, dan met de vlucht uit Antwerpen. Thans zijn het geen volwassenen maar kinderen uit Duitsland, België en Frankrijk, die vanwege den honger door de Nederlandse bevolking uit liefdadigheid worden opgenomen in verschillende gezinnen en opgevoed.

Moge de Heere dat werk zegenen.

25 augustus 1916

Gisteravond om 8 uur hing er boven Zeeuws-Vlaanderen een Zeppelin, die wel een uur op dezelfde plaats bleef hangen. Het geleek wel een landbouwschuur, zulke grote afmetingen scheen het te hebben.

Toen we vanmorgen van 3-7 uur op dienst waren, hoorden we het luchtschip over ons heen vliegen. We konden het echter, vanwege duisternis niet gewaar worden.

Waarschijnlijk is het over het Kanaal geweest om bommen te werpen op Engeland.

Toen we om 7 uur terugkeerden zagen we op grote hoogte een vliegmachine, Trefkans was uitgesloten.

Van 12-4 uur van na middag was ik op patrouille met Onwijn. In dien tijd hoorden we trommelvoor, gelijk aan het rommelen van den donder, uit de richting van Gent.

Ik ga nog enkele uren maffen, want vannacht ga ik van 12-4 uur op patrouille met Onwijn.

26 augustus 1916

Vannacht lagen we met 3 patrouilles op een linie in observatie. 2 patrouilles hadden dienst van 10-3 uur en wij van 12-4 uur. Het stormde hard vannacht. Nu en dan zagen we een ster blinken aan den hemel, tussen de zware regenwolken door. Enkele schoten vielen er. Waarschijnlijk van eigen patrouilles of mogelijk ook van Duitse schildwachten, want den gehelen nacht werd met grote zoeklichten gewerkt.

Niets werd waargenomen, alleen het geblaf van een hond van een boerenhofstede, waar een onzen patrouilles moet zijn gepasseerd. Om 3 uur ging er een eigen patrouille voorbij, die pas in dienst waren gekomen.

Om 4 uur keerden we terug in ons kwartier. Spoedig lagen we op ons wolletje en sliepen tot 12 uur middag.

Van middag was ik vrij van dienst, bezocht mijn kennissen op Zuiddorpe en bracht den overige tijd door met brieven schrijven aan huis en vrienden.

Om 7 uur vanavond moet ik op patrouille met Heskens.

27 augustus 1916

Het is voor mij een vrije zondag. Gisteravond om 11 uur keerde ik terug in mijn kwartier van patrouillereis. Het is geen aangenaam zondagsweer, den gehelen dag regent het uit zware onweerswolken, zodat ik niet naar Axel ter kerk kon gaan.

Van middag gingen we naar de familie Van Mossevelde op villa “ Nooit Rust”.

Het deed de oudjes goed, dat we enige liederen aanhieven en over ons kwam ook een vredig gevoel, wanneer we zo ongestoord onze geliefde geestelijke liederen konden voortbrengen, die we in het ouderlijke huis met de familiekring zo menigmaal zongen.

29 augustus 1916

Gisterenmorgen van 3-7 uur ging ik met Onwijn op patrouille.

’s Middags ging ik op dienst met A. Smit, geboren te Alblasserdam, Zuid-Holland, Landstormsoldaat van de lichting 1912.

Uit de courant vernam ik, dat Roemenië den oorlog heeft verklaard aan Oostenrijk, Hongarije, dus weer is een land in de ellende gekomen.

Zou de vrede dan spoediger komen?………………

Hij alleen weet Zijn tijd.

Van morgen toen ik met Smit op patrouille was van 5-9 uur, hoorden we het gedonder van het zware geschut van het Westelijk front.

Op den na middag gingen we van 3-7 uur op patrouille.

Het regende bijna den gehelen middag, daarbij hadden we zwaar onweder.

We visiteerden een auto, waarin 4 dames en 2 heren zaten, lieten hun uitstappen, doch bespeurden geen fraude.

In mijn kwartier gekomen, vernam ik uit de courant, dat: Italië den oorlog heeft verklaard aan Duitsland. Verder dat de kwestie van de haringvissers met Engeland in het reine is gebracht.

Alle haringvissers zijn terug naar Nederland. Ook de graanschepen.

De schade wordt door Engeland gedekt.

30 augustus 1916

Om 12 uur vannacht ging ik met Smit op patrouille. In de nabijheid van de grens, stelden we ons verdekt op en bleven daar 4 uur in observatie.

Den gehelen nacht hoorden of zagen we niets. Nu en dan kregen we een regenbui.

Maar we waren er goed tegen verzekerd, want elk had twee overjassen aan en een baalzak om op te liggen.

Van voormiddag 11 uur kwam ik van onder de wol en om 6 uur vanavond moet ik pas op dienst.

Het weer is intussen nog niets veranderd, want het regent den gehelen dag.

31 augustus 1916

Gisteravond gingen we van 6-10 uur op patrouille, het regende den gehelen avond en het stormde hard.

Vandaag vieren wij de verjaardag van onze geëerbiedigde Vorstin Wilhelmina, Koningin der Nederland. Tot hiertoe is Zij voor ons een Vorstin geweest, waaraan ons Nederlands Volk dankbaarheid mag betonen en God geve dat Zij nog vele jaren de kroon moge dragen van het Oranjehuis. Op Haar kunnen wij rekenen in tijd van nood, welaan dan.

Hollandse soldaten en burgers, ook op ons mag Zij rekenen, wij blijven Nederland en Oranje getrouw.

Van voor middag gingen we van 8-12 uur op patrouille en vannacht gaan we van 9-3 uur in observatie.

Alle militairen hebben op dezen dag vrij van dienst, maar bij ons niet.

Want het smokkelen gaat ook zijn gang.

1 september 1916

Den gehelen nacht hebben we niets gezien in het terrein.

Van voor middag gingen we van 11-1 uur en van na middag van 3-7 uur op patrouille.

2 september 1916

Mijn dienst is weer ten einde. Van morgen ging ik met Smit voor het laatst van de week op patrouille van 6-10 uur.

Van middag ging ik met De Bel van 4-8 uur op patrouille. Om 6 uur zagen we 2 vliegmachines, komende uit Zuidoostelijke richting en vliegende in Noordwestelijke richting.

Ze waren te hoog en te ver om er op te schieten.

Toen we om 8 uur op Zuiddorpe kwamen, zagen we nog twee Zeppelins, die zich in de richting van Engeland over België voort bewogen.

Hoe vele mensen zullen den nacht dan weer met den dood eindigen?

Heer, ontferm U over hen, opdat er nog vrede mag wonen in hun onsterfelijke zielen en zij zullen behouden blijven.

Dikwijls kan ik daar over nadenken, zeg dan bij mij zelf; wreed is den oorlog, maar wreder de Satan, die ons den gehelen dag van het goede in Christus wil onthouden.

Laat den oorlog wreed zijn, maar wat kan ons van Hem scheiden, niet één kogel of granaat of bom en dergelijke oorlogsartikelen, want God beschermt de Zielen, die op Hem zijn hopende.

4 september 1916

Gistermorgen ging ik met De Bel van 4-7 uur op patrouille en ’s nachts van 11-3 uur in observatie.

Den gehelen dag waren we vrij van dienst en ’s middags gingen we naar Axel ter kerk.

Ds. verklaarde Mattheus 16, vers 13-28.

Uit de kerk gekomen begaven we ons naar de familie Van den Ouden, waar we tot ’s avonds bleven. We waren weer op tijd in Zuiddorpe, want er kwam een zwaar onweder opzetten dat den gehelen avond aanhield. Om 11 uur was het droog, maar toch deed ik 2 blauwe overjassen aan met een oliejas en had zo doende den gehelen nacht geen kou.

Van morgen ging ik van 10-1 uur in dienst en van namiddag ben ik aan het straten geweest bij Frans Lockefeer, waar ik een klein karweitje had aangenomen.

Van nacht moet ik met W. Rijn van 10-3 uur in observatie in de nabijheid van grenspaal 302

6 september 1916

Twee dagen zijn voorbij gegaan en heb ik geen tijd gehad om enige letteren in mijn dagboek te schrijven. In mijn vrijen tijd heb ik mijn straatwerk bij boer ‘d Hert klaar gemaakt en daarna een aanvang gemaakt bij Fr. Lockefeer op Zuiddorpe.

In den nacht van 4-5 september zijn we in nachtdienst geweest. Den gehelen nacht regende het, maar we lagen diep in onze schaapzakken.

Gisteren morgen gingen we van 9-12 uur en des na middag van 6-10 uur op patrouille.

Van morgen verviel mijn dienst omdat ik een order had uit te voeren naar Hulst.

Daar aangekomen volvoerde eerst mijn opdracht, waarna ik nog gelegenheid kreeg enkele vrienden, onder ander familie De Breuel buiten de Dubbelpoort een bezoek te brengen.

Tevens ontmoette ik nog Bruno Craenen broer, straatmaker waarmee ik in 1912 te samen had gewerkt in Goes aan de waterleiding mij.

Van na middag gingen we van 12-3 uur op patrouille en vannacht gaan we weer van 1-6 uur in observatie. Den dienst is nog al zwaar, omreden we veel nachtdienst moeten doen en de laatste dagen met al die regen is den grond killig en koud.

7 september 1916

Het is middag en zijn klaar met middageten. Willem Rijn hoorde een vliegmachine ronken, waarop hij riep: “ Marien een vliegmachien.“ Dadelijk hadden we onze geweren en patronen bij de hand en richtten een levendig geweervuur op den vlieger die het dorst te wagen onzen Vaderlandse bodem te overschrijden. Elk verschoten we tien patronen.

Zo gauw we de eerste schoten hadden gedaan, steeg de vlieger al hoger, en bewoog zich voort, in de richting van Brussel. Waarschijnlijk een Duitse vlieger, die naar Engeland was geweest.

Onzen dienst was al vroeg gedaan, van 1-6 uur van morgen hebben we in observatie gelegen.

Al hoewel het killig en koud was, hadden we er weinig hinder van, want we lagen diep in onze schaapzakken en konden maar juist met onze koppen er buiten het terrein overzien.

Van voormiddag zijn we aan het straten geweest en van na middag gaan we van 4-8 uur op patrouille.

Morgenochtend gaan we weer met verlof en hopen, die dagen, bij onze ouders en verdere familie door te brengen.

Van voormiddag moet een van ons beiden naar Axel, om de nodige papieren.

13 september 1916

Enige dagen zijn voorbij gegaan, sinds ik in mijn dagboek heb geschreven, waarna ik weer een ogenblik den tijd heb zal ik mij er weer eens aan verplichten.

In den morgen van 8 september stonden wij, Willem en ik, vroeg op om op tijd met de boot van Terneuzen naar Vlissingen mede te gaan.

Daar ik niet erg in orde was, had ik geen plan om aan Borssele af te stappen en verder per fiets naar Katseveer te rijden, maar bleef zitten tot Vlissingen.

Aan wal gekomen, vertrok juist den trein naar Goes. Moest toen wachten tot 9.10 uur en kreeg gedurende die 2 uur gelegenheid mijn beide neefs J en W van den Berg, beiden zeemilicien een bezoek te gaan brengen. Beiden maakten het goed en waren vereerd met mijn bezoek.

In den voormiddag kwam ik in Goes, begaf mij naar de familie  Schipper.

Bleef daar tot na middag 4 uur. Reed van daar per fiets naar Katseveer, per boot naar Zierikzee en vervolgens naar huis, waar ik allen in goede gezondheid mocht ontmoeten en begroeten.

Den anderen morgen ging ik op ziekenrapport van de dokter in Zierikzee.

En die zeide mij, dat ik een zware kou had opgedaan en moest passen.

Tot ’s maandagmiddag bleef ik thuis. ’s Morgens moest ik nog een straat in de mestput van J.T. Bouwman uitsteken. Des na middag ging ik allen weer verlaten en begaf mij naar Goes, waar mijn An mij stond op te wachten, blijde elkaar weer te zien, evenals haar familie.

Ik bleef den verdere dag in haar nabijheid doorbrengen. ’s Nachts sliep ik bij de familie  Schipper op Kloetinge. Om 8.30 uur in de morgen van 12 september reden Willem en mijn persoon per trein naar Middelburg, waar we voor de rechtbank moesten verschijnen in de zaak van Weime  voor verboden uitvoer.

Om 10.30 uur was de zaak afgelopen en gingen toen de stad door tot 12.30 uur.

Daar onze geëerbiedigde Koningin juist een bezoek kwam brengen in Middelburg, hadden we het voorrecht haar 4 maal te zien voorbij rijden, waarvoor wij halt en front maakten en eerbewijzen te doen.

Alle troepen uit Walcheren waren op het Molenwater opgesteld om parade te maken en het was aardig om Hare Majesteit tussen de troepen door op haar paard in galop te zien rijden.

Er was veel sympathie voor onze Lands Vorstin, wand een stroom van mensen was aanwezig.

De Hollandse driekleur, getooid met Oranje wimpels, woei van ieder huis in de stad Middelburg.

Om een uur waren we weer in Goes en bleven tot ’s avonds 8 uur bij onze geliefden, die we weer moesten verlaten. Precies op tijd reden we na afscheid genomen te hebben over ’s Gravenpolder naar Hoedekenskerke en voeren van daar per boot naar Terneuzen om verder per fiets naar Zuiddorpe te rijden, waar we om half twaalf uur in ons kwartier aankwamen.

Van morgen ging ik met Willem van 7-11 uur op patrouille en van middag met Bode, van Vlissingen, van 2-6 uur.

Ik mocht ook een bezoek bij mijn kennissen brengen.

Nu wordt het tijd om te gaan maffen, want om 2 uur vannacht moet ik op patrouille.

14 september 1916

Om 2 uur vannacht ging ik met Bode op patrouille, door de Zuiddorpe polder, langs Oudenburgse Sluis. Het was droog, maar koud weer.

We liepen langs de Duitse schildwachten en wensten elkander goeden morgen, maar gingen door langs de grens naar grenspaal 304, waar we Rijn en Verheij tegen kwamen, die van 10-6 uur observatiedienst hadden gehad. Gezamenlijk gingen we langs de Liniedijk naar het eindpunt.

Den voor- en namiddag ben ik met Willem aan het straten geweest bij Fr. Lockefeer.

Om 4 uur ging ik met Bode weer op patrouille, maar ditmaal nar Rode Sluis.

Gezellige uren brachten we met elkander door, onderwerp:

“ Het toekomende en eeuwige leven” Hoe dat kwam?

Door het zingen van enige Christelijke liederen. Zo kwam het, dat we een gesprek hadden over het toekomende en eeuwige leven.

Het deed ons goed om in die zaak elkander op Hem te wijzen. Die ons dagelijks in zoveel gevaren omringt en bewaard. Het past ons God te danken in onzen Heere Jezus Christus, onzen Verlosser en Zaligmaker.

15 september 1916

Den dag is weer voorbij gegaan. Het is nu 9.30 uur op den avond. Ze even ben ik in mijn kwartier gekomen, terug van patrouille. En naar oude gewoonte schrijf ik eerst in mijn dagboek, voor ik onder mijn wolletje kruip.

Van morgen gingen we van 6-10 uur en vanmiddag van 5-9 uur op patrouille.

Vanavond kwamen we in gesprek met een Duitse schildwacht, die 40 jaar oud was.

Over verschillende dingen werd gesproken en ook hij als zo velen verlangde naar vrede.

De laatste dagen horen we het kanongebulder zeer goed. Uit de courant leest men van verschillende gevechtsterreinen en nog altijd wordt er een hevige strijd gevoerd.

Ook in onze Nederlandse Indische bezittingen zijn de Inlanders in opstand gekomen.

Steeds worden er troepen naar Djambi gezonden om dien opstand te onderdrukken.

Op het ogenblik gaat er een loos bericht in ons Land, dat er 2000 man infanterie van de lichting 1913 en 14 naar Djambi, Sumatra, Nederlands Oost Indië moet worden gezonden om dien opstand te helpen onderdrukken.

Dus vanzelf zou ik daar dan ook toebehoren.

Ik eindig en ga slapen.

18 september 1916

De laatste dagen heb ik geen ogenblik tijd gehad om in mijn dagboek te schrijven.

Zaterdagmorgen gingen we van 5-9 uur en van 11-3 uur op patrouille.

Om 5 uur na middag reed ik per fiets naar Terneuzen, per boot van daar naar Hoedekenskerke en verder per fiets naar Kloetinge. Waar ik in gezelschap van mijn meisje een dag verlof mag doorbrengen.

Het was gisteren 17 september, dat ze haar 20e verjaardag vierde.

Gezellig hebben we dien feestdag, waaraan een verloving werd verbonden, in den huiselijke kring gevierd. God geve dat we nog vele jaren dien herdenkdag met elkander mogen vieren.

Vanmorgen om 5 uur reed ik van de familie Schipper, waar ik had gelogeerd, per fiets naar Borssele en verder per boot naar Terneuzen en vervolgens naar Zuiddorpe, waar ik druip- doornat in mijn kwartier aankwam. Ik was genoodzaakt van top tot teen van kleren te wisselen. Van 10-2 uur ging ik met P. Smit en van na middag van 4-8 uur met De Jong op patrouille. De regen valt den gehelen dag met stromen neer en het valt heus niet mee om op dienst te gaan.

19 september 1916

Gisteravond toen ik in mijn kwartier kwam ging ik dadelijk onder de wol, want ik was zwaar verkouden. Ook vandaag heb ik den gehelen dag onder de wol gelegen, maar toch gevoel ik mij beter. Ik hoop morgenochtend beter te zijn om voor het kantongerecht in Hulst te verschijnen.

20 september 1916

Van morgen gevoelde ik mij iets beter en begaf mij in gezelschap van 5 andere soldaten naar Hulst, teneinde om 10.30 uur voor het Kantongerecht te verschijnen, inzake Celis en Castels.

Na afloop van de terechtzitting, begaf ik mij naar de familie De Breuck, waar mijn vriend Hendrik, hun enige zoon, 20 jaar oud werd. Ik werd zeer welkom ontvangen, en versterkte daar den inwendige mens.

Om 3 uur stapte ik op en begaf mij in gezelschap van mijn kameraden naar Zuiddorpe.

Vanavond ging ik mijn vrienden een bezoek brengen en zo is ook dezen dag weer ten einde gebracht.

Den gehelen dag hoorde men het zware kanongebulder. Toen ik vanmorgen in Hulst kwam, maakte ik van het eerst gebruik van mijn verbandpakje om iemand een verband aan te leggen, die een wond had opgelopen, waar ik mijn pink wel in kon leggen.

21 september 1916

Den dag is weer voorbij. Van 8-12 uur voor middag ging ik met Van Wanrooij, Joseph Marie, geboren te Zierikzee op patrouille en van na middag van 4-8 uur met De Bel, Johannes.

Aan de grens gekomen te Rode Sluis, zagen we dat de Duitsers bezig waren een nieuwe wacht te metselen en een hulpkazerne. Ook aan Oudenburgse Sluis waren ze bezig huizen af te breken en een nieuwe kazerne te bouwen. Het schijnt dat ze nog geen plan maken te vertrekken. Met het overgeven van enige honderd kg tabak aan de doorlating post zeide een Hollander: “ Zo lang ze in Moerbeke nog maar grote pijpen tabak kunnen roken, denken ze om geen honger” Die Duitsers die het hoorde keek zo vreemd op, dat ik het beter zou kunnen nadoen dan schrijven.

Den uitvoer van broden is den laatsten tijd weer opgegeven, zodat er van Holland geen verstrekt wordt.

22 september 1916

Van morgen ging ik van 6-10 uur op patrouille en van na middag van 12-4 uur met De Bel.

We ontmoetten veel patrouilles van Sas van Gent, Westdorpe en Overslag, tevens nog een oude wapenbroeder, als soldaatcommies van Sas van Gent. Voorheen militair soldaat van de 2e compagnie II Bataljon 14e Regiment, Oele van Wissenkerke.

Nieuws valt er niet schrijven, nu echter nog een brief schrijven aan mijn zus Helena, die 24 september 20 jaar hoopt te worden.

23 september 1916

Het is nu weer zaterdagavond, de week is bijna gepasseerd. Zo gaat het, week uit, week in, en ieder hoopt dat den tijd eens zal aanbreken van de vrede, die nog in het duister ligt.

Mijn dienst deed ik alleen van morgen van 7-11 uur en van na middag met Onwijn van 3-7 uur. Den overigen tijd las ik, “ De Zeeuw” die mij dagelijks van huis wordt toegezonden.

Volgens de laatste berichten wordt er uit het buitenland nog al geschreven over de troonrede, welke Hare Majesteit heeft uitgesproken tegenover Haar Volk. Een ieder is er over voldaan, dat Zij deze woorden heeft gesproken, dat Zij met God en Haar Volk te strengste de neutraliteit zal handhaven van Nederland tegen iedere buitenlandse natie.

Een flinke vrouw mag ze genoemd worden en wij zullen Haar beschermen, waar het nodig is met God, die ons kracht zal schenken dat te doen.

Wat de smokkelarij betreft, geloof ik die een eind onderdrukt te zijn, want de laatste dagen worden er geen aanslagen gedaan.

25 september 1916

Het is maandagavond, Van morgen ging ik van 6 tot van middag 2 uur op dienst. Ik had toezicht aan Oudenburgse Sluis nabij grenspaal 304-305-306 en 307.

Van voor middag kwam ik in gesprek met een Duitse officier, die het opzicht hield bij zijn soldaten, die bezig waren een nieuwe wacht te metselen.

Een hele tijd stonden we met elkander te praten. Gisteren morgen ben ik met Onwijn op patrouille geweest, van 9-12 uur en des na middag van 4-7 uur alleen.

Op den na middag was ik een paar uur vrij, en maakte daarvan gebruik om naar Axel ter kerk te gaan. Ds. preekte uit Romeinen 6 vers 22-23. Na kerktijd moest ik vlug om mijn fiets naar de familie Van den Ouden, want om 4 uur moest ik precies op mijn begin staan om op patrouille te gaan.

Mijn verkoudheid is nog niet beter en dat verbeterd er niet op in nachtdienst.

Volgens telegrammen zijn er 3 Duitse Zeppelins in Engeland neergeschoten, waarschijnlijk 3 van de 4 die zaterdagavond de Belgische grens passeerden.

26 september 1916

Mijn dienst is al ten einde en het is nog maar 4 uur op den middag.

Van morgen ging ik met P. Verheij, geboren te Alblasserdam, van 4-8 op patrouille.

En van na middag van 12-4 uur.

Ik heb nu mooi tijd om kaarten te sturen aan mijn familie en vrienden.

Gisteravond om 8 uur zag ik een Zeppelin in westelijke richting koersen.

Van morgen om half vijf uur hoorden we hem ronken in de lucht, maar konden hem niet ontdekken. Waarschijnlijk weer naar Engeland geweest.

27 september 1916

Van morgen ging ik met P. Verheij op dienst.

Hoewel niet bepaald ziek gevoelde ik mij toch niet genezen van de verkoudheid, zodat ik op patrouille zijnde terug ging en mij ziek meldde.

Het was omstreeks 7 uur dat ik een vliegmachine die door Rijn en mij werd beschoten.

We hadden weinig trefkans daar de vlieger hoog in de lucht vloog.

In den verdere loop van den morgen zag ik er nog drie.

Om 9 uur melde ik mij bij den dokter Jens, die ook voor ons militaire dokter was te Axel.

Ik had mij zelf voorgenomen geen poeders te slikken gezien de uitdrukking, die hij deed laatst leden, toen we hem ’s morgens vroeg aanhielden, toen hij op weg naar een zieke ging te Overslag en wij hem aanhielden.

Hij zei; “ ik ben de dokter”,

Wij visiteerden hem, omdat er veel peper gesmokkeld werd en zei hem niet te kennen.

Toen zei hij; Je komt nog wel eens in mijn handen terecht “.

Ik kwam nu werkelijk bij hem en melde mij; “ Wandel, precent”

Waarop hij zei; “ Zo ben U, die man die mij laatst visiteerde?”

Ik zeg; “ Jawel dokter”, waarop hij mij zeide; “ Soldaat, vergeef mijn uitdrukking, het recht was aan uw kant en ik acht je een flink soldaat”.

Dat gaf mij volkomen vertrouwen, waarop hij mij beklopte en betastte en het zo nodig oordeelde om mij een week kwartierziek te geven, onder de wol.

Zodat ik daaraan zal moeten voldoen.

28 september 1916

Het is wel 10.30 uur op den avond, maar voor ik onder de wol ga, wil ik nog even schrijven.

Van na middag heb ik onder de wol gelegen en ben nu 3 uur op geweest.

Welke tijd ik heb doorgebracht met schrijven.

Nu ik een paar dagen onder de wol lig, kan ik toch merken dat ik ziek ben.

Van voor middag, alhoewel niet goed in orde, ging ik toch mijn Zuiddorpse vrienden bezoeken en jaste de patatten voor Moeder Rozeke van Mossevelde op villa “ Nooit Rust”.

Ik ga nu slapen en God geve dat ik mij morgen beter gevoel

29 september 1916

Het is nu weer tijd om onder de wol te gaan.

Van voor middag en vanavond van 7-10 uur ben ik van onder de wol geweest.

Ik gevoel mij beterder dan gisteren, ook het eten smaakt mij beter.

Vanavond heb ik mij bezig gehouden met brieven schrijven aan mijn verloofde en ouders.

Ik hoorde de kanonnen bulderen op mijn wolletje.

Ik ga nu weer maffen en leg mij weer neder onder de schaduw des Allerhoogste.

30 september 1916

De week en de maand is weer voorbij.

En ook de tijd natuurtijd wordt vannacht om 12 uur weer ingevoerd.

Gelukkige jongens die op patrouille en schildwacht staan.

Wat mijn gezondheid aangaat kan ik wel zeggen dat ik in een beterende toestand ben dan gisteren, dagelijks, zachtjesaan vooruit.

Van na middag ben ik op bezoek geweest bij mijn kennissen, als ook  bij de familie Van Mossevelde. Moeder noem ik haar altijd. Ze had er mee te doen, dat ik ziek ben en is blij dat ik haar een bezoek breng, want zegt ze; “ Mijn zoon kan toch nog komen”.

1 oktober 1916

Een nieuwe maand zijn we weer ingetreden en al hoewel het een rustdag is, schijnen ze op het front er weinig aan te denken.

Het schieten is vandaag niet van de lucht. Volgens zeggen van een Duitse schildwacht aan mijn kameraden is het aan Ieperen te doen. Den gehelen dag staat de telefoon niet stil, vertelde hij en alles is op die plaats in actie.

Den gehelen dag lig ik maar onder de wol, maar ik hoor het zo goed als twee jaar geleden, toen ik in Hulst op post stond, en ze op dezelfde dag Antwerpen gingen bombarderen.

Van middag is den dokter geweest en heeft mij weer onderzocht, maar alles in orde bevonden.

Hij denkt influenza en gaf mij nog een paar dagen kwartierziek onder de wol, om nog eens flink uit te zweten. Toch gevoel ik mij beterder dan de vorige dagen.

2 oktober 1916

Den gehelen dag maar onder de wol en ga iets vooruit. Het eten smaakt goed.

Vanavond ben ik van 6 uur af onder de wol en heb mij bezig gehouden met het schrijven van een brief. Het geschut is vandaag onophoudelijk en den gehelen dag zijn ze op het Belgisch front druk in de weer.

5 oktober 1916

Enige dagen zijn voorbij gegaan. De laatste drie dagen heb ik onder de wol doorgebracht, altijd koortsachtig, terwijl mijn eten mij goed smaakt.

Van middag kwam de dokter en onderzocht mij, maar kon gelukkig niets bespeuren aan mijn longen. Doch een zware kou is oorzaak, dat U nog koorts hebt, zei hij en oordeelde, dat ik beter met ziekenverlof ging naar de Ouderlijke woning. Zodat mijn kameraad naar Axel moet om de nodige papieren.

Ik zal vanmiddag mijn uitrusting en verdere benodigdheden in orde brengen, voor mijn vertrek van Zuiddorpe.

God geve, dat ik spoedig mijn ledige plaats weer mag innemen om te waken voor het Vaderland. Op Hem wil ik vertrouwen.

6 oktober 1916

Het zal zo ongeveer 11 uur zijn in den voor middag. Een groot verschil met de gedachten van gisteren, dat ik naar huis zal gaan met ziekenverlof.

Toen een mijner vrienden op het Detachement te Axel mijn reisbewijzen ging halen, werd er direct getelefoneerd naar Neuzen en werd meegedeeld, dat ik moest opgenomen worden in het Hospitaal met vertrek uur op 12.24 van Zuiddorpe.

Van voor middag heb ik afscheid genomen bij mijn kennissen en vrienden, onder ander de familie Gerris, Gijzels, Van Mossevelde en Lockefeer.

Ik kon zien, dat ze er mee te doen hadden. Bij de familie Gijzels had de dochter Irma, een meisje van 17 jaar, zo veel geweend, dat het haar was aan te zien. Dat mag dan ook gezegd worden, dat wij, Willem en ik dan een 2e tehuis gevonden hebben.

Ik stelde hen gerust, hopende dat het maar voor enige dagen zou zijn.

God geve dat ik dan ook spoedig mijn gezondheid mag terug ontvangen, opdat ik mijn dienst weer mag verrichten aan de grens.

Ook van mijn mede wapenbroeder heb ik afscheid genomen, in zonderheid van mijn vriend Willem, uit mijn kwartier.

Van middag reed ik per tram van Zuiddorpe naar het ziekenhuis in Neuzen.

Onderweg had ik gezelschap aan een Duitser die mij zei, dat hij zo maar in Holland was en uit Denemarken kwam. Ik zei, dat hij een deserteur was en dat hij van morgen was overgekomen.

Omdat hij een Duitse soldatenbroek aan had, waar de boezen waren uitgenaaid.

Tevens een burgerjas met hoed. Doch wilde hij dat niet weten.

In Terneuzen gaf ik hem over aan een agent van Politie, want het kon ook wel een spion geweest zijn.

Vervolgens melde ik mij aan in het Ziekenhuis, waar ik heel netjes ben ontvangen.

Direct moest ik in bad, werd voorzien van schoon nachtgoed en moest direct onder de wol.

Nu en dan komt er een aardig zustertje op de kamer om wacht te doen.

Er liggen ook nog 3 andere militairen.

Vanavond is de militaire dokter geweest. Een aardige, prettige man, waar ik een prettig gesprek mee kon voeren.

Morgen komt hij terug om mij helemaal te onderzoeken. Het eten smaakt mij goed en vind het

ook hier aangenamer dan op den zolder in mijn kwartier.

7 oktober 1916

Het is weer avond en het is steeds mijn werk om in mijn dagboek te schrijven, voor ik ter ruste ga.

In het ziekenhuis waar militairen worden behandeld onder een militaire dokter en ziekenverpleegsters, zo als hier het geval is, mag men niet met geen pen en inkt schrijven, doch alleen met potlood.

Ik gevoel mij vandaag beter dan dat ik tot nog toe geweest ben. Maar ben gedurig doornat van het zweet. De dokter is van morgen geweest. Ik mag alles gebruiken, wat mij weldadig aandoet.

De militairen dokter is een zeer aangename persoon, die heel aardig met ons staat te praten. Ook de zusters zijn heel vriendelijk en kunnen ook heel genoeglijk met de zieke patiënten omgaan. Den gehelen dag moet ik onder de wol liggen, en brengen we de tijd door met lezen, schrijven en nu en dan een praatje over het soldatenleven.

8 oktober 1916

De zondag is bijna ten einde.

Met ons drieën hebben we den dag voor onszelf, en maken gebruik van leesboeken en praten.

En hebben schik met Pommée een Friese soldaat uit Amsterdam.

En De Pree uit Aardenburg. Beiden zijn geopereerd aan de blinde darm.

De zustertjes worden vanzelf ook geplaagd en schijnen daar ook genoegen mede te hebben.

10 oktober 1916

Twee dagen zijn weer bijna voorbij gegaan. Deze 2 dage doen mij gedenken aan het verleden van 2 jaar terug, toen Antwerpen is gevallen en ik te Hulst, Belgische soldaten naar het ziekenhuis transporteerde.

Thans lig ik er zelf in, maar ben gelukkig aan het opknappen.

We liggen met ons vieren in het Hospitaal. Gisteravond is er een soldaat ingebracht van Philippine, waar hij was gedetacheerd, genaamd Siringsma, geboren te Oenkerk, (Oentsjerk) uit Friesland. Het is mijn slaapje. Den dag brengen we door met lezen van boeken, die de dokter ons bezorgde. De voeding is uitstekend, evenals de behandeling.

Het leven is stil en rustig, in tegenstelling met patrouillediensten en observaties.

11 oktober 1916

Gelukkig voel ik mij veel beter. Is het misschien omdat ik gisteren 2 brieven en vandaag 2 brieven mocht ontvangen?

De dag is als de andere dagen heen gegaan, maar we hebben 2 patiënten er bij gekregen.

Een oud boertje van 72 jaar uit de omgeving van Zaamslag, ligt naast mij en een burger uit Neuzen, van middelbare leeftijd. Beiden mochten vannacht geopereerd worden.

We zullen hopen dat ze zullen slagen. De oude baas is knapjes doof en moet ik nog al hard roepen. Toch heeft hij er plezier in om tussen soldaten in te liggen en wij niet minder.

12 oktober 1916

Het is op den middag en alleen zit ik in de kamer, alle anderen liggen onder de wol.

Toen de dokter kwam van morgen, vroeg ik om een poosje van onder de wol te mogen komen.

En hij gaf mij daarvoor toestemming.

De oude baas en de andere persoon zijn geopereerd en maken het goed.

De oude baas wordt zo nu en dan geprezen, dat hebben oude mensen graag.

We zullen hopen dat hij maar spoedig ontslagen mag worden.

Ik zelf heb nog gehele dagen hoofdpijn.

13 oktober 1916

Den gehelen middag ben ik van onder de wol geweest en gevoel mij nog niet beter.

Of was het misschien, dat toen wij Tommie en ik, steelsgewijs een sigaret hebben opgerookt, toen we van middag in den gang liepen wandelen?

Opa maakt het uitstekend. En wanneer hij dan weer een aanval krijgt van pijn, zeg ik; “ Nu moet je niet zo kinderachtig zijn, vertel liever maar eens wat van je jonge leven? “

Dan springt hij overeind en verteld uit zijn jongen tijd. Het vuur schiet dan uit zijn ogen, maar valt hij dan later weer terug in de kussens van de pijn.

Vandaag ontving ik een brief van W. Rijn, die mij op de hoogte houdt van de grens.

Hij schreef dat Onkel, mijn kostbaas met tranen in de ogen zat, toen ik mijn kwartier verliet; wel een bewijs dat het hem leed moest doen. Ik geloof niet dat het met Tante zo gesteld was, want zij is niet aantrekkelijk.

14 oktober 1916

De week is bijna ten einde. Op zaal maken we het allemaal goed. Alleen mijn slaapje, de Fries, heeft een slechte nacht gehad. Opa is een grappige baas en laat ons lachen, dat we liggen te schudden. Van morgen zijn we in behandeling gekomen van dokter Van Es. De Luitenant dokter Van Hilte is met verlof. Deze dokter is 60 jaar oud en vroeger in Oost Indië geweest.

Ik kreeg snuif van hem om te niezen. Mijn gezondheid gaat goed vooruit. Van middag ben ik op de been geweest en heb me bezig gehouden met een beschrijving te maken van de grens.

In de loop van den avond is er nog een patiënt bij gekomen, een schipper varende van Dordrecht en liggende in Terneuzen, die een stukje ijzer in zijn voet had getrapt. Het zaaltje is nu zo wat vol, we liggen er nu met 7 man in.

Den gehelen nacht houden we ons bezig met lezen, schrijven en praten. Nu houd ik op, want Opa is al onder zeil.

16 oktober 1916

Het zal me een ogenblik neerzetten om een en ander te schrijven, Van morgen gevoelde ik mijzelf fris man en kreeg toestemming om in den tuin te wandelen.

Het overige van den dag wordt doorgebracht met lezen en schrijven, en praten met Opa, die genoegen in schijnt te hebben tussen soldaten te liggen.

Van middag kreeg mijn slaapje, Siringsma bezoek van Ds. Groeneveld uit Terneuzen, die vroeger op zijn woonplaats Oenkerk in Friesland, predikant was geweest.

Mijn slaapje stelde mij aan hem voor. Gezellig hebben we 20 minuten over verschillende dingen gesproken. Voor hij weg ging, vroeg hij om voor ons beiden te bidden.

Ik vroeg: “ Ds., zou het niet beter zijn om het voor allemaal te doen? Waarop ik mijn vrienden vroeg om toestemming, wat men algemene stemmen werd goedgevonden.

Ds., dankte met ons voor zijn bewarende Vaderland. Hij schenke ons alle Satanische machten, die ons dagelijks omringen. Onze verwachting is van U, Vader in onzen Heere Jezus Christus.

Vandaag mocht ik brieven ontvangen van mijn ouders, mijn lieve An, uit Zuiddorpe en van mijn vriend De Valk, die op het ogenblik in Nispen ligt, aan de Brabantse grens.

Vanavond hoorden we duidelijk het gebrom van de kanonnen.

Het scheen wel of het vanuit zee kwam. Misschien een zeeslag in de omgeving van Zeebrugge.

17 oktober 1916

Den 17e oktober is weer bijna ten einde. Van morgen mocht ik mij vrij in den tuin bewegen.

Den verdere dag bracht ik door met schrijven, wat ik bijna nog liever doe dan lezen.

18 oktober 1916

Den gehelen dag heb ik in den tuin doorgebracht. Gezellig hebben we zitten zingen, praten en lezen.

Van middag is er op een van de aangrenzende kamers een man gestorven.

Den 18 oktober, doet mij terug denken hoe ik voor het eerst kennis maakte met mijn lieve An in 1913.

Met enkele dagen hoop ik het ziekenhuis te kunnen verlaten. De wacht is op de militaire dokter, die moet beslissen hoe lang ik met verlof mag gaan.

19 oktober 1916

Op het ogenblik aan het eind van den avond zij mijn gedachten meer in de ouderlijke woning dan ergens anders.

Den 19e oktober is de dag, dat mijn geliefde moeder 50 jaar oud wordt en in gedachten zie ik mijn Ouders met broers en zusters en familie en vrienden om de tafel in feeststemming.

Ze zingen waarschijnlijk een psalm of Gezang of een geestelijk lied. Om beurt, tot eer van onzen Hemelse Vader; God schenke haar nog vele jaren daartoe, in de hoop dat wij allen er nog lang getuige van mogen zijn..

Vandaag heb ik veel hoofdpijn gehad. Iedere dag wordt nu mijn neus doorgespoten, wat niet aangenaam is. Ik geloof dat de verkoudheid nog helemaal niet genezen is, aangezien mijn neus verstopt is.

Vanmiddag is er weer een vrouw in het ziekenhuis gebracht om geopereerd te worden.

Ik hoop dat de dokter mij morgen zal ontslaan en dat ik dan nog een paar dagen mag doorbrengen, voor ik weer naar de grens zal gaan om mijn dienst te doen.

Van middag gaf de Directrice een stukje muziek op de mandoline.

Opa en wij allen werden er door opgevrolijkt.

20 oktober 1916

Ik hoop dat het den laatste avond is dat ik hier moet vertoeven.

Indien de dokter kwam zou het kunnen gebeuren, dat ik morgenavond bij mijn An kwam.

Vanmorgen heb ik voor de zusters de kamer en gang gezwabberd. Ze hebben het druk met   patiënten Vanavond is er een soldaat bijgekomen, genaamd Slabbekoorn van Biezelinge

Vanmiddag kregen we bezoek van Ds. Groeneveld, die een hartelijk gebed opzond tot Hem, onzen Verlosser en Zaligmaker.

Ook kregen we nog bezoek van een Pastoor. Den verdere dag brachten we door met lezen in lectuur door Ds. Groeneveld verstrekt.

Zo brengen we de dagen in prettige stemming door.

21 oktober 1916

Om 10 uur van morgen kwam de dokter Van Hilte, terug van verlof, ons om beurten behandelen.

Ik vroeg hem, ontslagen te worden, waarmede toegestemd werd.

Binnen 5 minuten had ik mij aangekleed en begaf mij na allen vaarwel te hebben gezegd naar de Commandant van de 4e Compagnie Regiment Bataljon, waar ik mijn verlofpas kon ontvangen, waar de militaire dokter reeds voor had gezorgd.

Mijn verlof liep van 21 – 28 oktober. Om 12 uur begaf ik mij aan boord en voer mee tot Hansweert, verder per trein van 2.45 van Vlake naar Goes.

Tevens ontmoette ik veel oude wapenbroeders van mijn compagnie.

Dat ik binnen enkele ogenblikken bij mijn verloofde was, laat zich goed begrijpen.

Het wederzien, al hoewel onverwachts maakte ons beiden overgelukkig.

Thans zit ik bij de familie Schipper op Kloetinge, die mede verblijd zijn en waar ik den nacht hoop door te brengen.

Nimmer ben ik zo blij geweest dan bij mijn ontslag uit het hospitaal, waar ik het toch goed had.

22 oktober 1916

Vandaag ging ik met mijn Anna naar het Huis des gebeds, om God te danken voor Zijn trouwe liefde, ook aan ons bewezen.

We mochten ook W. Rijn ontmoeten, die met 24 uur verlof thuis was.

Na 14 dagen stonden wij weer gezond voor elkaar.

23 oktober 1916

Van morgen ging ik, na afscheid te hebben genomen van de familie Schipper en daarna bij mijn verloofde te Goes, naar Katseveer, via Zierikzee, vervolgens per tram naar Nieuwerkerk, waar ik om 12 uur in de Ouderlijke woning stapte.

Het was een gelukkig weerzien en allen waren recht hartelijk verblijd met mijn thuiskomst.

Al ben ik nu reeds ca 3 jaar in militaire dienst en vanaf mijn 12e jaar van huis om te arbeiden, toch heb ik nog nooit zo aan mijn Moeder gedacht dan in de laatste weken. Toen ik ziek op mijn zolderkamertje lag in mijn kwartier op Zuiddorpe, waar bijna niemand zich om mij scheen te bekommeren, dan Willem en een buurvrouw.

Want mijn hospita was gehele dagen bezig op het land om aardappelen te rooien

24 oktober 1916

Vandaag zijn wij, vader, Johannes en mijn persoon, naar IJsselmonde geweest voor een aanbesteding van straatwerk.

Het was lang geleden samen op reis te zijn geweest en het deed mij goed om in de werkzaamheden te zijn.

We maakten de reis over Rotterdam, boven de stad cirkelde een vliegmachine.

25 oktober 1916

Den gehelen dag heb ik doorgebracht bij mijn vrienden op Nieuwerkerk.

30 oktober 1916

Enige dagen zijn voorbij gegaan. Het waren dagen van geluk.

Den 27e oktober reden wij, mijn zus Helena en ik, naar Zierikzee. Zij als altijd gewoon om mij tot aan boord te vergezellen. Van allen afscheid genomen te hebben, maakte ik de reis van Zierikzee, Katseveer naar Goes, waar ik bleef tot den volgende middag 28 oktober.

’s Nachts sliep ik bij de familie Schipper op Kloetinge.

Na den anderen morgen bij de familie Schipper afscheid genomen te hebben, ging ik naar Goes, waar mijn geliefde mij naar den trein vergezelde.

We namen afscheid in de hoop elkander weer vlug terug te zien.

Ik maakte de reis over Vlake, Hansweert naar Neuzen en begaf mij naar den militairen dokter, die het nodig vond, dat ik de eerste tijd dagdienst zou doen.

Ik begaf mij nog even naar het ziekenhuis om verder per tram naar Axel, waar ik om 6 uur aankwam. Van daar ging ik lopen naar Zuiddorpe en ontmoette een patrouille De Bel en Visser, waarmee ik de reis vervolgde naar mijn kwartier.

Toen bracht ik die avond nog een bezoek bij vrienden en kennissen, die blijde waren mij weer in hun midden te zien.

Gisteren, zondag, ging ik van 7-9 uur en van 11-3 uur met D.J. de Jong op patrouille.

Aan de grens gekomen, zag ik verandering. De Duitsers hadden flink kazernes gebouwd.

Van morgen ging ik weer met D.J. de Jong van 7-11 uur en van na middag met De Snoo van 3-7 uur op patrouille naar Rode Sluis, zodat ik weer in volle actie ben.

31 oktober 1916

Het is weer den laatste dag van de maand, morgen is het november.

Koude dagen, regen, wind en sneeuw zijn te verwachten.

De laatste dagen is dat ook de orde van den dag.

Gisterenmiddag ging ik met De Snoo op patrouille naar Rode Sluis.

Daar aangekomen werd ons een warme kop koffie gepresenteerd, die we gretig aannamen en die ons smaakte.

Het was koud weer en het stormde hevig. Van morgen bleef ik onder de wol liggen, want ik had een lichte kou gevat, wat niet te verwonderen is met het weer van de laatste dagen.

Mijn dienstgeleider vond zulks goed, want ik moet mij nog in acht nemen.

Van middag ging ik van 1-5 uur met Heskens op patrouille.

Bij den grenspaal 303 maakten we bekeuring tegen 3 man, die zonder bewijzen en geldige reden in België hadden vertoefd.

Den avond breng ik door met lezen van boeken, die ik van een grensbewoner mocht ontvangen, sinds ik op dienst was.

Vanavond ontving ik mijn soldij van de Compagnie, waar ik in onderhoud was geweest, als ook van de commiezen gedurende de laatste maanden.

Van huis ontving ik een brief dat ze geen aannemer geworden zijn van IJsselmonde.

1 november 1916

Van morgen ging ik met Heskens op patrouille van 7-11 uur, in de Zuiddorpe polder en van middag met De Snoo van 2-6 uur.

We kwamen veel patrouilles tegen van West- en Zuiddorpe, maar van smokkelen was er niets te doen.

Vandaag hoorden we duidelijk het geschut vanaf het Westelijk Front en vanavond, toen we terug van dienst kwamen enkele geweerschoten van eigen patrouilles of ook wel van Duitse soldaten, die de laatste dagen aan het jagen zijn in een Belgische polder.

2 november 1916

Het is of ik Garnizoensleven heb. Iedere avond ben ik vrij, die ik doorbreng met het lezen van een boek, genaamd; “ De Boerenoorlog”.

Wanneer straks den torenklok zijn tien slagen doet horen, gaat Willem in nachtdienst.

Ik zal blij zijn als we samen weer op dienst kunnen gaan, want hij is een goed krijgsman, die trouw zijn plicht volvoerd, die hem wordt opgelegd.

Ik ben blij zo’n wapenbroeder te hebben. Van morgen ging ik met De Snoo van 7-11 uur op patrouille.

Aan de grens gekomen, waren we getuige van het aantreden van de Duitse bezetting, die hun traktement in ontvangst namen.

Te flinke soldaten, die hun hielen lieten klappen bij het aantreden.

Toen de officier in de richting van den elektrischen draad kwam om het rapport te ontvangen van de compagnie, die aangetreden stond, brachten wij hem den militairen groet, met het geweer aan den schouder. Waarop hij dien groet beantwoorde met te salueren.

Op 50 meter afstand maakten we een praatje met een Beierse schildwacht, een aardige kerel van 31 jaar oud. Een enige zoon, die vertelde, negen maanden aan het Russische front te hebben gestreden, maar gewond zijnde naar hier te zijn overgeplaatst.

Een haat aan Engeland, kwam uit zijn hart voort.

Hij sprak 4 talen, Engels, Frans, Duits en Russisch.

Wij spraken langzaam en konden elkander met ons grensduits verstaan.

We stapten op en zeiden wederkerig; Goeden morgen kameraad!

Van middag ging ik alleen van 12-4 uur op patrouille, maar niets werd waargenomen in het terrein, dan enige patrouilles, die heen en weer de grens passeerden.

Het weer was niet aangenaam. De laatste dagen stormt of regent het.

De dagen vliegen voorbij, maar de nachten worden lang.

3 november 1916

Van morgen van 7-11 uur ging ik alleen op patrouille. Het was koud en nat weer, want een zware mist bedekte de aarde.

Op de grens te Oudenburgse Sluis een grote verandering aangebracht.

Waarop Belgische grondgebied een rij huizen staan, hebben de Duitsers het gezicht wat zij anders op Holland hadden, afgespannen met matwerk van 2 meter hoogte.

Zelfs voor ramen, deuren en openingen hebben ze dat toegepast.

Men mag wel aannemen dat de bewoners onder zware straffen gebukt gaan.

Van middag ging ik met Bode van 2-6 uur op patrouille en nu zit ik in mijn kwartier alleen, want Willem is met 4 dagen verlof en komt pas 7 november terug.

4 november 1916

Het is weer avond. Van morgen ging ik met Bode van 8-12 uur op patrouille, in de richting van Axel. We ontmoetten enkele patrouilles van Axel en met een paar schildwachten maakten we een praatje.

Van middag ging ik met De Bel van 1-5 uur op patrouille in de richting van de grens en ontmoette enkele patrouilles van Overslag, die blij waren mij weer in hun midden te zien.

De laatste dagen zijn er verschillende aanslagen gemaakt vanuit Axel, Overslag en vannacht op Zuiddorpe.

Het gaat uitstekend, maar ik zou er ook weer wel eens bij willen zijn.

Het is 10 uur en bedtijd.

6 november 1916

Gisteren was het zondag en genoot ik meteen een vrije dag.

’s Middags ging ik met De Bel naar Axel om aldaar om 2 uur de Godsdienstoefening bij te wonen.

Ds. verklaarde ons een zondagafdeling uit Catechismus en we smaakten het genoegen onder Gods woord aan te zitten.

Na kerktijd begaven we ons naar de familie Van den Ouden, waar we heel vriendelijk werden ontvangen en ze weer blijde waren mij na zo’n lange tijd weer als gast in hun midden te hebben. Het mag dan ook met alle recht gezegd worden dat die familie ons behandeld als een hunnen. En het is voorwaar een groot geluk om in zo’n gezin te mogen vertoeven, waar het huiselijk geluk, maar bovenal Gods liefde woont.

Den avond brachten we door met zingen, begeleid op het klavier door hun dochter Jannetje.

Om half tien gingen we pas op weg naar ons kwartier en alhoewel het stormde in de natuur, was er zielevrede in ons gemoed.

Von morgen ging ik met J. P. Visser geboren te Alblasserdam, van 7-11 uur op patrouille naar Rode sluis. Op ongeveer 200 meter afstand van de grens marcheerden we op ons gemak naar een boerenhofstede, waar we vroegen te drinken en waar we werden onthaald op melk.

Het deed ons goed en bleven we nog een ogenblik zitten om ons op te warmen.

We moesten onze naam zetten in een balk bij den Axelse boer Herman, waar verschillende namen in prijkten van mede wapenbroeders.

Daarna kregen we nog een paar appels en gingen voldaan naar ons kwartier.

Van 1-5 uur ging ik met Van Wanrooij op patrouille. En den avond breng ik door met schrijven, zodat de uren ongemerkt voorbij gaan.

7 november 1916

Na zo’n regenachtige dag zit ik gelukkig lekker droog in mijn kwartier.

Den gehelen dag heeft het onophoudelijk geregend en het was niet alles om op patrouille te zijn, want de wegen zijn zeer slecht. Soms zakken we tot over de schoenen in slik of water.

Maar toch zijn we droog gebleven. Een blauwe overjas waar overheen een oliejas met een paar leren beenstukken doen ons goed

Van morgen ben ik van 8-12 uur alleen op patrouille geweest en van middag van 2-6 uur met De Snoo.

De Duitse schildwachten, hadden het ook niet breed, maar stonden in elk geval droog in hun schilderhuisjes met een paar klompen aan waar ze met hun laarzen nog in konden.

Vanavond komt Willem Rijn terug van verlof. Het zal hem ook niet meevallen.

Aan het front gaan ze ook weer een slechte tijd tegemoet.

8 november 1916

Vannacht is Willem terug gekomen van verlof.

Van daag vieren we zijn 25e geboortedag in dienst van het Vaderland. Van morgen ging ik van 9-1 uur alleen op patrouille en van namiddag met Bode van 2-6 uur.

In het terrein kwamen we enkele patrouilles tegen, waaronder ook een te paard en een patrouille marechaussees te voet.

Overigens ging alles rustig voorbij.

9 november 1916

Van morgen ging ik met Bode van 7-11 uur op patrouille. In het terrein zagen we verschillende patrouilles van Westdorpe en Overslag.

Van middag ben ik weer alleen op dienst geweest van 1-5 uur en ontmoette een eigen patrouille, die een smokkelaar met smokkelwaar in beslag genomen had.

Den avond heb ik doorgebracht bij mijn kennissen in de Parochie.

10 november 1916

Zo juist terug van dienst, ook Willem is in het kwartier.

Van morgen ben ik weer alleen op patrouille geweest van 8-12 uur.

Aan den elektrischen draad sprak ik een schildwacht. Het was een man van omstreeks 40 jaar met een mooie zwarten baard, geboren uit Polen, Provincie Posen.

Hij vertelde mij dat hij in Galicië gestreden had en was daarbij ook gewond geweest.

Hij vertelde mij dat het er in Duitsland slecht bij stond met het eten, de ras echte Duitsers zullen zo iets niet zeggen.

Hij verlangde ook naar vrede.

Van middag ging ik alleen op dienst van 1-5 uur.

11 november 1916

Van morgen ging ik alleen op dienst van 7-11 uur.

Met het ordenen zag ik, dat ik vrij was tot 4 uur van na middag.

Zodat ik mijn werk met straten voort zette bij Lockefeer.

Van 4-8 uur ging ik met Smit op patrouille.

We hoorden het gedonder van de kanonnen van af het front.

12 november 1916

De zondag is weer ten einde, den wekelijkse rustdag om God te loven en te krijgen, zoals we dien voor den oorlog doorbrachten.

Doch thans; hoe zal het zijn op de fronten van het Europa van thans, tussen geweer en kanonvuur? Daar staan de strijders van hun Vaderland.

Van morgen ging ik van 6-9 uur met de dienstgeleider op patrouille. Van middag ter kerk in Axel, waarna een bezoek niet werd overgeslagen bij de familie Van den Ouden in de Oosterstraat.

We zongen enige Christelijke liederen ter eer van Hem, Jezus Christus, die uren, daar door gebracht, doen mij met heimwee denken aan het ouderlijke huis, het  grote geluk is daarvan niet te beschrijven. Om 5 uur ging ik met D.J. de Jongh op patrouille en toen we om 8 uur in Zuiddorpe, ontmoetten wij Visser en Onwijn en besloten met elkander enige Christelijke en Vaderlandse liederen te zingen in de vrije natuur, voor we naar ons kwartier gingen.

Schoon klonken de liederen vierstemmig door de natuur. De Zuiddorpse vrouwen kwamen rond ons staan en men kon het hun aanzien, dat het hun goed deed.

14 november 1916

Het is bijna avond, maar mijn dienst is nog niet ten einde, want van 7-11 uur moet ik nog op patrouille met D.J. de Jongh.

Gistermorgen ging ik ook met De Jongh van 6-10 uur en des namiddag met Wanrooij van 3-11 uur, toezicht aan Oudenburgse Sluis.

Om 6 uur ’s avonds hadden we een kleine smokkelaar van 10 jaar met kaarsen, een half uur later iemand met carbid en om 8 uur drie man die we een bekeuring gaven, komende van België op een gewoon uur binnen de 50 meter van de grens ( verboden strook )

Willem had iemand bekeurd voor verboden uitvoer van zeep.

Van middag ben ik even naar ons Detachement geweest voor de nodige papieren in orde te maken voor aanstaand verlof. Dat mij van den Inspecteur van de belastingen is verleend.

Den verdere tijd heb ik doorgebracht met straten.

15 november 1916

De laatste dagen hebben we de soldaatcommiezen succes op hun werk.

Toen we in den avond van 13 november ( Oudenburgse Sluis ) ’s avonds 7 uur, drie geweerschoten hoorden knallen uit de richting van Westdorpe, bleek dat er een aanslag gemaakt werd.

Heden vernamen we dat de soldaten, drie aanslagen gemaakt hadden van 350 kg smokkelwaar.

Van nacht hebben een patrouille van Overslag; Van der Laan en Kanaar, twee smokkelaars te pakken, die tot hun midden in het water stonden met 100 kg waren.

Enkele geweerschoten langs hun hoofd waren voldoende om er uit te komen, om vervolgens de zaak in beslag te nemen.

Ze schreeuwden als halve wilden, zo bang dat ze waren.

Van morgen ging ik van 9-1 uur op patrouille met D.J. de Jongh. Den middag heb ik met Willem doorgebracht met straten.

Straks ga ik met De Snoo op dienst van 9-5 uur, toezicht tussen grenspaal 304-307.

Morgenochtend hoop ik met verlof te gaan om 6 uur.

16 november 1916

Den gehelen nacht hebben we in de buurt van Oudenburgse Sluis gepatrouilleerd, maar niets waargenomen. Het was koud weer, we waren goed gekleed; twee infanterie overjassen met een trui bovendien.

De Duitse schildwacht lieten hun grote lichten draaien langs en over de grensscheiding.

Om 6 uur stond ik aangekleed om met verlof te gaan.

Per tram reed ik van Zuiddorpe naar Terneuzen en ontmoette daar twee wapenbroeders, Van Es en Putter van Zaamslag van de lichting 1909. Beiden gingen af presenteren.

Van Neuzen naar Hansweert. In Vlake kwam ik vijf minuten te laat voor den trein.

Ik had toen 1½ uur tijd en ging een bezoek brengen bij den brugwachter C. Schipper.

Van middag ging ik naar de familie Schipper op Kloetinge.

En den namiddag bracht ik door bij mijn geliefde in Goes, waar we gelukkig met elkander den tijd hebben doorgebracht.

Het wordt nu tijd om te maffen, want ik heb een zware nachtdienst achter den rug.

17 november 1916

Op het ogenblik zit ik te midden van Ouders, broers en zusters, blijde elkaar weer te zien.

Van voor middag ben ik nog aan het straten geweest bij H de Jonge op Kloetinge en van na middag ging ik van Goes lopen naar Katseveer, per boot naar Zierikzee en verder per tram naar Nieuwerkerk, waar ik om 6 uur aankwam.

De laatste dagen heb ik veel oude wapenbroeders ontmoet, die nog in dienst en uit den militairen dienst waren.

23 november 1916

Enige dagen zijn voorbij gegaan, dagen van genot.

Den 18e november was het koud weer, want het vroor hard en ik hielp dien dag, mijn broer straten bij ons thuis. Den volgende dag was het zondag en tevens de verjaardag van mijn Vader, die 50 jaar werd. Op recht aangename wijze met dank aan God hebben we dien dag in den huiselijke kring doorgebracht.

’s Avonds werden er heerlijke liederen gezongen, welke bij beurten werd opgegeven.

Den anderen morgen ging ik met W. van de Berg, matroos Torpedist van Bruinisse, die ook in verlof was, op bezoek naar Oom en Tante Van Beek op Anna Jacoba Polder.

Het was prettig om samen weer eens op stap te zijn.

Op 21 november middag 12 uur reed ik. Na allen afscheid te hebben genomen, naar Zierikzee, per boot naar Katseveer en per voet naar Goes.

Ik was nog niet ver op stap, toen ik mijn geliefde Anna ontmoette, blijde om elkaar weer te zien en den verdere middag en avond in haar bijzijn te mogen doorbrengen.

’s Nachts sliep ik bij de familie Schipper op Kloetinge.

En in de morgen van 22 november nam ik daar weer afscheid en reed per trein naar Vlake, waar ik voor middag 8 uur aankwam.

Verder marcheerde ik naar Hansweert, Kruiningen, waar ik een bezoek bracht in mijn oud kwartier Joost van Nieuwenhuizen.

Om half tien ging ik op stap naar Hansweert en verder per boot naar Terneuzen.

Van 12-2 uur had ik tijd voor den tram naar Zuiddorpe vertrok.

Ik bracht nog even een bezoek bij Van Maer van de lichting 1909, een oude wapenbroeder uit fort “ De Hel”

Om 5 uur kwam ik in mijn kwartier aan en bracht inmiddels bij mijn wapenbroeders en vrienden een bezoek waar we blijde waren elkander te zien.

’s Avonds om 9 uur ging ik met Wagenaar op patrouille tot 1 uur.

Van morgen weer van 9-1 uur en pakten we een smokkelaar met 24 stukken harde zeep, verborgen onder zijn kleding. Hij was van Belgische nationaliteit.

Van na middag ging ik met Bode op patrouille van 2-6 uur.

Het kanongebulder hield den gehelen dag aan. Het wordt nu tijd om te gaan slapen, want vannacht moet ik van 3-11 uur op patrouille met Bode.

25 november 1916

Het is weer avond. Gezellig zitten we bij elkaar in ons kwartier.

Mijn dienst zit er op voor vandaag, ook van Willem.

Het regent den gehelen middag en men kon niet zonder oliejas en helm met een paar laarzen er aan toegevoegd op patrouille. Men zag alle soldaatcommiezen in eenzelfde tenue lopen langs de grens.

Gisteren morgen ging ik met Bode van 3-11 op patrouille en waren vrij tot van morgen.

Toen gingen we weer van 6-10 uur en van na middag alleen van 1-5 uur.

De laatste dagen zijn er 2 grote aanslagen gemaakt te Koewacht.

Op 23 november maakten ze op de 14 smokkelaars een grote hoeveelheid smokkelwaar buit.

Wij waren toen dezelfde nacht 2 uur voordien op dezelfde plaats geweest, doch hadden niets waargenomen.

Het smokkelen is weer toegenomen nu de mensen zonder werk zijn.

Eergisteren is Keizer Frans Jozeph van Oostenrijk overleden.

In Roemenië gaat de opmars van de Centralen goed vooruit.

Op het Westelijk front hebben de Entente troepen weer enig voordeel.

Over vrede schijnen ze nog niet te denken, want den gehelen dag horen wij het gebrom van het gevecht.

27 november 1916

Weer zijn een paar dagen voorbij gegaan.

Ik wil ik mij nu even verplichten het een en ander te noteren.

Gisteren was het weer zondag. Maar in plaats dat ik kon aanzitten onder het woord van God, moest ik mijn dienst waarnemen voor middag van 7-10 uur en des na middag van 1-4 uur op de heerbaan in de richting van grenspaal 303.

Om 3 uur bekeurde ik twee smokkelaarsters voor het overschrijden van de grens, volgens verordening van den Territoriale Bevelhebber in Zeeland.

De Snoo ging met mij mee uit plezier, daar ik alleen dienst had.

Gisteren avond ging ik vroeg onder de wol, want om 12 uur ging ik weer met Bode in observatie in de nabijheid van grenspaal 303.

We zaten diep in onzen schaapzakken, een jas aan en nog een over ons heen geslagen op een stoeltje van ongeveer 15 centimeter van den grond. We zaten lekker warm en konden het terrein goed overzien, want het was niet bepaald donker.

Het vroor echter stevig, vier uren waren we van ons kwartier op de plaats van observatie en terug op ons eindpunt, doch niets werd waargenomen.

Vandaag zijn we den gehelen dag vrij en wanneer straks de kerkklok op de parochie zijn tien slagen laat horen, gaan we weer voor 5 uur in observatie.

Mijn vrijen tijd heb ik doorgebracht met rekenen in de algebra en meetkunde en bracht nog een bezoek bij de kennissen.

29 november 1916

Vorige nacht was ik met Bode in nachtdienst, maar namen niets waar.

’s Morgens van 9-12 uur, gisteravond ging ik met Bode van 7-11 uur op patrouille en zagen gehelen avond dronken boeren, die Sint Eloy hadden gehouden.

Ze hadden daarbij geheel den weg nodig, treurig om aan te zien.

Vandaag hadden we 8 uur achtereen dienst aan Oudenburgse Sluis. Het was koud weer.

De Duitse schildwachten stonden ieder met een zware pels om, die ze op de Russen hebben veroverd.

Om 5 uur kwamen we in ons kwartier. Het is achter de stoofkachel warmer dan op patrouille, want al had ik twee blauwe overjassen aan, toch had ik het koud.

30 november 1916

Wanneer ik gisterenavond 2 minuten later in mijn dagboek had geschreven, dan had ik vanavond geen succes moet beschrijven.

Het was zeker een uur of acht toen we 4 keer hoorden schieten in de Zuiddorpe polder.

Een uur later kwam een patrouille met 2 smokkelaars en 156 kg smokkelwaar aan zetten.

Het waren Verheij en Heskens die de aanslag hadden gedaan.

Anders ging het op Koewacht, daar hebben de soldaatcommiezen een smokkelaar dood geschoten. Een kogel door zijn hoofd en twee door zijn been.

Vooraleer zullen ze niet tevreden zijn en ik geloof wel, dat het enig invloed zal geven op de smokkelaars. Ten minste, ze zullen wel vlugger blijven staan, wanneer ze worden aangeroepen met “ Halt”.

Van morgen las ik in de courant dat ze van de week op Sint Jansteen verzet kregen met smokkelaars. Een soldaatcommies legde daarbij aan op een smokkelaar en schoot zijn dijbeen af, zodat zijn been moest afgezet worden.

Flink mag het genoemd worden, wanneer bij zulke gelegenheden de wapens gedragen en gebruikt worden.

Dergelijke gevallen hebben dan hier en daar plaats langs de grenzen. Het zijn meest Belgen, die hier in Holland zonder werken met smokkelen geld verdienen om verder hun geld in de Estaminet op te drinken of voor dergelijke verkeerde dingen te bezigen.

Van morgen ging ik met Bode van 8-12 uur op patrouille en van na middag van 1-5 uur.

Het kanongebulder was vandaag niet te horen. Het schijnt wel dat ze rustig zijn op het Westelijk front.

2 december 1916

Om 3 uur ging ik met Bode gistermorgen op patrouille.

In de omgeving van de Sterre, nabij grenspaal 303 zagen we een patrouille van Overslag.

Daarna een van Zuiddorpe en om 4 uur namen we de schaapzakken over van een eigen patrouille en gingen observeren in een bosje nabij de Vrouwstraat.

We zaten lekker warm, diep in onze schaapzak gedoken, want het vroor stevig, maar smokkelaars kwamen niet in onze omgeving opdagen.

’s Avonds ging ik met Smit van 6-10 uur op patrouille in de richting van Axel en vanmorgen weer van 6-10 uur. Op het ogenblik zit ik in de Zeeuwsche Koerier te lezen.

En die meld ons, dat de strijd op het Oostenrijksfront met stormpassen wordt voorgezet.

De Entente troepen rukken flink op in Roemenië en zijn genaderd op 40km afstand van Boekarest.

Op het Westelijk front gaat het er ook levendig toe.

3 december 1916

Vandaag hebben we zondag en het is voor mij een vrijen dag. Zodat ik mij weer overal kan heen bewegen.

Al naar gewoonte ging ik met De Bel naar Axel ter kerk.

Ds. sprak uit 2 Corinthiërs 7 vers 10.

Den avond werd doorgebracht bij de familie Van den Ouden in den gezellig en huiselijke kring.

In den avond van 2 december ging ik met D.J. de Jongh op patrouille van 5-9 uur en deden op 2 plaatsen een huiszoeking, maar niets waargenomen.

Van morgen gelukte het een patrouille van ons een grote aanslag te doen van 5 smokkelaars met 167kg smokkelwaar.

Het waren Bode en Wagenaar, die dat zaakje hadden op te knappen.

Het was nog maar 4 uur in den morgen en op het eerste geroep van “ Halt” stonden ze als vastgenageld en niet één had den moed om den dans te ontspringen.

Het was hun maar geraden ook, want anders was het precies gegaan zoals op Koewacht jl.

4 december 1916

Om 5 uur was ik vanmorgen op het beginpunt aan den molen.

Met D J. de Jongh ging ik op dienst tot 9 uur.

Het bleef wel tot half acht uur donker van morgen. Maar de natuur was zo prachtig mooi, zoals ik in lang niet gezien heb.

Langs heel de Liniedijk hing er boven België een prachtige bank. Het was of men bergen zag.

De grensbewoners waren ook al vroeg uit de veren. Wij maakten van de gelegenheid gebruik om bij Seveke, grensbewoner aan de Liniedijk, een lekkere pot zwarte koffie te drinken.

We zaten daarbij op een stoel achter de stoof onder een ouderwetse hoge schoorsteenmantel.

Vervolgens gingen we een praatje langs de Duitse schildwachten, waar mee we een praatje maakten waar men overdag beter mee doet dan ’s nachts.

’s Nachts sluipen we de grenzen langs om den smokkelaar op de hielen te zitten of liggen gelijk de tijger, die onverwachts op zijn prooi springt.

Het is te begrijpen dat we zulks graag doen, maar toch zou het beter zijn, als dat alles geen plaats moest vinden.

Het is treurig, dat er burgers van allerlei stand er aan mee doen, om den nood aan levensmiddelen in Holland te vergroten, door het smokkelen te bevorderen.

En dan de gevolgen van het smokkelen; vele burgers, ouders en kinderen komen op een verkeerden weg terecht. Gevangenis Estaminet en meer verkeerde plaatsen.

Kinderen worden opgeleid in het smokkelen.

Wat zal er van hun worden? Dieven, smokkelaars, moordenaars enz, enz. Maar dat alles willen ze niet zien.

Het gels, het geld! Dagelijks horen of zien we verschillende dingen van het smokkelen.

Het wordt tijd om mezelf klaar te maken om op patrouille te gaan.

Van 2-6 uur ben ik op patrouille geweest met Van Wanrooij.

Onderweg kwamen we voorbij een ploeger, voor wie ik een omgang heb geploegd;

Van alles leert men in den dienst.

Den gehelen middag dreunden de kanonnen onophoudelijk voort.

Het scheen wel, of ze een poging wilden doen om door de linies heen te breken aan den IJzer.

Ik geloof wel, dat ik vroeg onder de wol zal liggen, want om 2 uur vannacht moet ik er uit.

5 december 1916

Van 3-7 uur ging ik met Wanrooij van morgen op patrouille.

Het had den gehelen nacht geregend, maar met twee blauwe overjassen en een oliejas er overheen, konden wij er goed tegen.

Den gehelen morgen zagen we niets, Maar hoorden des te duidelijk het gedonder van het kanongeschut.

Toen ik in mijn kwartier kwam, ging ik terug onder de wol.

Om 11 uur voor middag kwam de post mij uit mijn wolletje halen.

Ik moest een postpakket in ontvangst nemen van een onbekende, waaruit te voorschijn kwam een prachtig inktstel. Sint Nicolaas cadeau.

Dat ik daar mee in mijn schik was laat zich denken.

Van middag ontving ik enige brieven van geliefden en bracht den verdere middag door met brieven schrijven.

6 december 1916

Gisterenavond gingen we van 10-3 uur in observatiedienst in de Zuiddorpe polder, in de omgeving van grenspaal 302.

Het was koud weer vannacht, de maan scheen helder en wanneer er een smokkelaar op 500 meter het had durven wagen in onze nabijheid te komen, dan ware hij voor ons geweest.

Maar den gehelen nacht zagen we niets, alleen hoorden we het zware gedreun van het geschut van het Westelijk front.

Diep verscholen lagen we in onze schaapzakken op een hoek van een sparrenbos, want het was vriezend weer.

Van morgen ging ik met Wagenaar op patrouille van 10-1 uur.

Vannacht is Rijn thuis gekomen van verlof, en is het weer zoveel gezelliger in ons kwartier.

7 december 1916

Gisterenavond ging ik vroeg van 6-10 uur en vanmorgen van 6-10 uur op patrouille met Van Wanrooij.

Van middag van 3-7 uur en den avond heb ik gezellig in mijn kwartier doorgebracht met een praatje rond de kachel.

Een Duitse schildwacht wist mij te vertellen, dat Boekarest de hoofdstad van Roemenië, gisteravond was gevallen, maar zelf heb ik nog geen nieuws omtrent het front gelezen.

Later is het mij waarheid gebleken dat Boekarest is bezet door de Centralen.

9 december 1916

Van morgen hadden we dienst van 3-11 uur, toezicht aan de Oudenburgse Sluis.

Van Wanrooij was mijn metgezel.

Gisterenmorgen van 9-1 uur en de namiddag van 2-6 uur, maar niets kon ons de aandacht trekken, dat op smokkelen geleek.

Het is of er voor Willem en mij niets te vangen valt, in tegenstelling echter met de Sampêtre, die gisteravond een smokkelaar pakte met een vaatje zeep en 4 pakken harde zeep.

Een patrouille maakte een aanslag van 87kg smokkelwaar, benevens 2 personen.

11 december 1916

Twee dagen zijn voorbijgegaan. Gisteren, zondag, had ik alleen dienst in de richting van de grens, voor middag van 9-12 uur, en na middag van 3-6 uur.

Ik ontmoette nog een Belgische burger, die door tussenkomst van een Duitse soldaat met omkoping van 200 mark over den draad was gekomen.

Op deze manier waren er door dien Duitser verschillende Belgische burgers overgekomen en het laat zich dan ook begrijpen dat die mensen tevreden zijn.

Vannacht moest ik van 12-5 uur met Van Wanrooij in observatie, maar het was te licht om te smokkelen, want we konden het gehele terrein overzien.

Doordat een van ons beiden geen stoeltje had, nam hij bij gebrek aan beter een stoof mee om op den grond te zitten.

De Duitsers hebben het goed naar den zin, nu zij volop petroleum en benzine in voorraad hebben veroverd op de Roemeniërs.

Volgens de laatste berichten hebben de Duitsers in Roemenië 123.000 krijgsgevangenen gemaakt.

12 december 1916

Wanneer het straks 8 uur slaat, gaan de mensen onder de wol en ga ik op patrouille met Heskens.

Willem is om 7 uur op dienst gegaan. Het weer is niet erg aangenaam, want het regent en sneeuwt tegelijk.

Ik hoop dat we maar vroeg op onzen dienst een aanslag maken. Er wordt druk gesmokkeld.

Gisteren middag ben ik van 2-5 uur en van morgen van 6-10 uur op patrouille geweest met Van Wanrooij, langs Rode Sluis.

Het kanongebulder is de laatste dagen onophoudelijk.

Den avond hebben we in ons kwartier doorgebracht met zingen van Vaderlandse liederen, zodat er een aangename stemming heerste.

13 december 1916

Vanavond staat het mij beter aan dan gisteravond, want nu zit ik in mijn kwartier en gisterenavond liepen we in den donkeren decemberavond, die verre van aangenaam was, want sneeuw en regen overstroomden ons lichaam.

We kwamen 2 patrouilles tegen, één van Overslag en één van Zuiddorpe.

Van morgen ging ik met Heskens naar Hulst voor het kantongerecht, ten einde te getuigen tegen 3 personen die we onlangs hadden bekeurd wegens verordening territoriale bevelhebber in Zeeland 15 juni 1915.

In Axel sloten 3 soldaatcommiezen van Overslag bij ons aan.

We begaven ons van daar per trein naar Hulst. Waar we precies op tijd op het Kantongerecht verschenen.

Mijn zaak was een van de laatste die behandeld werd en het spande nog al, want ik had nog al een en ander te verhalen.

Ze kregen ieder 10 gulden boete of 5 dagen hechtenis.

Maar een hunnen nam zijn straf niet aan en zal na verloop van 8 dagen appél aantekenen.

Om 1 uur was de zaak afgelopen, en daarna gingen we naar de familie De Breuck, waar we goed werden ontvangen. Ook middagmaal daar nuttigden, en een paar uurtjes in den familiekring doorbrachten. Voordat we Hulst gingen verlaten, brachten we nog een bezoek aan de mooie hoge wallen, die voor mij nog al van betekenis zijn, vooral de schonen ligging.

Om 4 uur vertrokken we uit Hulst en toen we in Axel kwamen, stonden Gerris met kar en paard te wachten op iemand, die niet verscheen, tot groot genoegen van ons, want we stapten in de kar en reden mee naar Zuiddorpe.

14 december 1916

Mijn diensturen zitten er weer op. Van morgen van 9 tot na middag 5 uur hadden we toezicht aan Oudenburgse Sluis.

Aan de Schoolstraat was ons beginpunt en op klokslag 9 uur marcheerden we op, in de richting van de grens.

Nog geen 5 minuten waren om of een persoon ging ons voorbij, die mij voorkwam als een Duitse deserteur.

Ik zeg tegen Heskens, “laten we die persoon naar zijn nationaliteit vragen, dan weten we meteen wat hij wil”. We zetten er de pas in en riepen hem aan met; Halt!

Op mijn vraag, waar hij vandaan kwam, antwoordde hij, van Terneuzen.

Ik vroeg waar hij naar toe moest en zei hij” Naar mijn Onkel, Rijksveldwachter van Overslag”. Ik vr